dinsdag 12 mei 2020

Haaksma


     Een slager heeft de primeur 

Een bijzondere prestatie. Dat is misschien de beste omschrijving voor de werkzaamheden die Albertus van der Zwan aan het begin van de vorige eeuw levert in wat de Bomen- en Bloemenbuurt  zal worden. Zo krijgt hij het, met goedkeuring van de gemeente, voor elkaar om huizen en een winkel te bouwen in twee straten die op papier nog niet bestaan. Wat later zet de ondernemer een omvangrijk bouwblok met (portiek)-woningen neer in zowel de Pijnboom- als Wilg- en Populierstraat. Toch gaat hij niet voor een record. Want hoewel hij in maart 1917 heel even de bouw van een blokportiekwoningen in de Pijnboomstraat overweegt (de nummers 42 t/m 60), laat hij zijn aanvraag verlopen, zoals hij in mei 1925 ook de bouw van het grootste huizenblok, de nummers 55 t/m 107 (14 percelen) plus in de Ahornstraat een winkelwoning met wagenstalling, graag overlaat aan architect Hermanus Jan de Haas en aannemer Hendricus van Gent.

door Hans Piët

DEN HAAG – Albertus van der Zwan staat vooraan in de rij wanneer delen van de Binnenduinen door bouwgrondmaatschappij Duinrust te koop worden aangeboden. Uiteindelijk heeft het snel groeiende ‘s Gravenhage aan het begin van de vorige eeuw een nijpend tekort aan woningen en die leemte wil de 31-jarige bouwkundige graag opvullen. Het stuk terrein dat hij in 1913 verwerft (AN338), voorheen eigendom van de Maatschappij tot Exploitatie van Onroerende Goederen Houtrust, is een weiland. Na het te hebben opgedeeld in twee stukken gaat hij bouwen. Er komen, eind 1913 vier huizen gereed aan de Beeklaan. De andere panden, drie (gesplitste) herenhuizen en een winkel met bovenwoningen, komen te staan aan wat nu de Pijnboomstraat en de Ieplaan is.
Zijn relatief dure aankoop (de grondprijs lag tussen de twintig en dertig gulden per centiaren) had kunnen uitdraaien op een mislukking. Architect en stedenbouwkundige Hendrik Petrus Berlage is weliswaar al vanaf 1911 druk bezig met het tekenen van een stratenplan voor Duinrust, de goedkeuring door burgemeester en wethouders volgt pas op 20 juli 1914. Wat hem echter enige houvast biedt, is dat de Morsestraat (deels) al is aangelegd en dat ook de Beeklaan vanaf het Valkenbosplein zijn vorm heeft gevonden.

Welwillend

Wie de geschiedenis bekijkt, mag vaststellen dat Van der Zwan welwillende gemeente-ambtenaren tegenover zich vindt. Zo wordt er bijvoorbeeld, na het inleveren van zijn plannen op 18 november 1913, niet verwezen naar het raadsbesluit van 21 april 1891. Daarin staat namelijk dat er in Den Haag alleen huizen mogen worden neergezet aan door de gemeenteraad aangewezen openbare straat. En die is er nog niet. Mogelijk dat hij de ambtenaren om de tuin heeft weten te leiden door in zijn brief van november op te merken, dat het huizenblok zal komen te staan aan de Morsestraat en een nieuwe straat evenwijdig lopend met de Beeklaan.

Albertus van der Zwan is in 1913 de eerste die gaat bouwen aan nog niet bestaande straten in een plan dat pas een jaar later door Burgemeester en Wethouders wordt goedgekeurd.                                                                                                        Tekening: Hans Piët
 

Dat wil niet zeggen dat zijn plan zomaar kan worden uitgevoerd. Zo wijst de Bouwpolitie zijn eerste aanvraag af. Er zijn vier pijnpunten. De twee kwartslagen in de trap van de eerste naar de tweede etage in de herenhuizen voldoen niet. Het bordes van de keldertrap in die panden is te klein. Het hok voor het opslaan van brandstoffen achter de vier huizen is niet veilig genoeg en de uitsparingen in de fundering voldoen niet. Opmerkelijk is, dat zijn plannen, zonder dat er echt iets verandert, op 26 november alsnog worden goedgekeurd. Zo blijkt het bijvoorbeeld geen probleem dat het bordes van de trap naar de kelder iets kleiner is en de vorm van een driehoek heeft, omdat de afmetingen wettelijk voldoen. Ook een fundering met spaarbogen waar de constructie dat toelaat, is opeens toegestaan. Het enige dat iets verder is uitgewerkt, zijn de richtlijnen voor het opbergen van brandstoffen. Zo moet de bergplaats zijn vervaardigd van onbrandbaar materiaal en mag hij niet groter zijn dan drie vierkante meter en 2.25 meter hoog. Bovendien moet het getimmerde bij aanzegging van B&W binnen een maand zijn opgeruimd. Wat Albert jammer vindt, is dat hij geen gebruik mag maken van witte kalkzandsteen voor alle doeleinden. Nadat hij op 19/23 december 1913 toestemming krijgt om te gaan bouwen – statistieken melden dat er in dat jaar 1831 nieuwe woningen worden neergezet,137 meer dan in 1914 - komt Koning en Bienfait langs, een proefstation voor bouwmaterialen dat is opgericht in 1890. Een aantal kalkzandstenen, die Van der Zwan wil gaan gebruiken, wordt voor een test meegenomen naar Amsterdam. De conclusie, die hem op 27 januari 1914 wordt toegestuurd, luidt dat de drukvastheid de steen niet geschikt maakt voor kelders, trasramen, buitenmuren en achterwerkers in die buitenmuren. Hij mag de zandsteen wel gebruiken voor de fundering, de binnenmuren en de bouwmuren die binnen worden opgetrokken.

Balkon

Dat de bouwkundige nu alle toestemmingen op zak heeft, betekent niet dat hij zijn plan snel ten uitvoer brengt. Nog maar net begonnen, bedenkt hij dat het misschien beter is om boven de winkel niet een bovenhuis, maar twee etagewoningen te bouwen met een ingang op de Ieplaan en een deur aan de Pijnboomstraat.
De zij- en achterkant van de Pijnboomstraat, hoek Ieplaan. 
Bovendien lijkt het hem aardig om op de tweede etage aan de achterzijde van de herenhuizen een balkon aan te brengen. Tevens wil hij twee erkers maken, een aan de voor- en een aan de zijkant van het winkelpand. Niet lang nadat hij op 3/6 februari 1914 de aanpassingen heeft ingediend, komt de afwijzing door Gemeentelijk Bouw en Woning Toezicht. Volgens de toezichthouder voldoen de ijzeren stijlen niet en is, door de balkons, ook de lichttoetreding tot de vertrekken op de eerste verdieping onvoldoende. De chef Openbare Werken biedt de oplossing door aan te geven dat de balkons niet verder mogen uitsteken dan 1.20 meter. Bovendien ziet hij geen problemen met de stijlen. Onderzoek heeft aangetoond, dat met de beperking in oppervlakte, het draagvermogen voldoet. De erkers mogen worden aangebracht wanneer het exemplaar aan de voorgevel niet verder uitsteekt dan een meter, terwijl die aan de zijkant niet verder mag worden uitgebouwd dan 85 centimeter. De breedte is bepaald op 3.66 meter en er moet minimaal 3.55 meter ruimte zijn tussen het trottoir en de onderkant van de erker.
Het verhuren van de herenhuizen is geen probleem. Terwijl Van der Zwan zelf zijn intrek neemt in Ieplaan 95 (hij komt van de Kranenburgweg 17b), dient Hendricus Franciscus Josephus Haaksma zich aan als kandidaat-huurder voor het winkelpand. De vleeshouwer, die sinds 12 augustus 1908 een winkel heeft aan de Frederik Hendriklaan 275, ziet voor zijn bedrijf nieuwe kansen in de zich snel ontwikkelende Bomen- en Bloemenbuurt. Hij onderhandelt vanaf eind april 1914 met Van der Zwan over de voorwaarde. De opening loopt echter wat vertraging op omdat de ondernemer op het laatste moment besluit om het deurkozijn van de winkel toch iets te versmallen. De toestemming hiervoor volgt op 5/8 mei 1914. Het maakt het enthousiasme over de nieuwe locatie bij Hendrik Haaksma er niet minder om. Zo meldt hij daags voor de opening in de lokale kranten: ‘door snelle uitbreiding zullen wij op 20 augustus 1914 onze 2de eerste klasse vleeschhouwerij en spekslagerij aan de Pijnboomstraat 3 openen’. Veertien jaar later, op 16 augustus 1928, komt daar een nieuwe winkel bij in de Charlotte de Bourbonstraat 176.

De deur van
vleeshouwerij
Haaksma.
Spekslagerknecht

Chef in de nieuwe winkel wordt Jan Rustenhoven. De 32-jarige vleeshouwer heeft vanaf november 1911, in eerste instantie voor zes gulden in de week, in de winkel aan de Frederik Hendriklaan gewerkt. Daarvoor had hij een baan als spekslagersknecht in Loosduinen. In januari 1882 geboren in Lienden (Gelderland) was Jan daar in 1903, met zijn ouders, twee broers en twee zussen, terecht gekomen omdat er voor zijn vader Hendrik, als timmerman, meer werk lag te wachten. Het aanbod van Haaksma om de winkel in de Pijnboomstraat te gaan bestieren, wordt door Jan en zijn vrouw Jannetje Doorschodt (ze zijn in februari 1911 getrouwd) met beide handen aangegrepen. Aantrekkelijk daarbij is, dat de winkel over een achterhuis beschikt waarin het tweetal kan gaan wonen. Dat gebeurt vanaf 8 september 1914. Pijnboomstraat 1 wordt vanaf 15 augustus gehuurd door civiel ingenieur Owen Maurits de Munnick, die twee jaar eerder is getrouwd met Mathilde Moriarty. In november 1916 kiezen procuratiehouder Jacobus Gijsbertus Cornelis Fortuijn Droogleever en zijn vrouw Theodora Petronella Waterreus voor het pand. Zij huizen er tot juni 1931.
Haaksma en Rustenhoven doen goede zaken, maar moeten ook wat tegenslagen verwerken. Zo is er in de eerste helft van de twintigste eeuw tot twee keer toe sprake van een crisis in de vleesindustrie. Zowel in de jaren van de Eerste Wereldoorlog als in de tweede helft van de jaren dertig is er een nijpend tekort. In 1915 springt de ’s Gravenhaagsche Vleeschhou-wers Vereeniging  ‘Eendracht’, waarin 90 slagers samenwerken, daar op in door een aantal keren de prijzen te verhogen. Zo stijgt in september 1915 het rundvlees met tien cent per kilo. In januari 1916 volgt het kalfsvlees met 20 cent per kilo. Haaksma gebruikt in 1918 de kreet ‘Vleeschnood’ om vlees in blik aan de man te brengen. Hij meldt steeds opnieuw nog over slechts een kleine voorraad te beschikken. Als de crises voorbij zijn, kunnen Haaksma en Rustenhoven het (opnieuw) niet laten zich een warm voorstander van vlees van eigen bodem te tonen. In 1922 verwoordden ze dat in een krantenadvertentiegedichtje:

 ‘Wat lachen zij,
 maar zijn niet blij.
 Keizer, Koning, Generaal,
 slagers zijn wij allemaal.
 Maar om een eerste klasse slager te wezen,
 moet je eerst het buitenlands vlees vrezen’.

Drie jaar later, in 1925, besluit Jan Rustenhoven om Pijnboomstraat 3 van Albert van de Zwan te kopen. Hij heeft het pand tot die tijd van de bouwondernemer gehuurd. De eerste periode voor 375 gulden per jaar. Met die beslissing vervalt ook de nauwe samenwerking met Haaksma. Rustenhoven blijft er, tot twee jaar na het overlijden van zijn vrouw op 10 april 1944, wonen. Zijn pensioen is de reden de winkel van de hand te doen. Hij overlijdt op 8 maart 1958 op 76-jarige leeftijd.
Haaksma heeft, nu zijn zoon Hendricus Pieter interesse heeft getoond voor het vak, nieuwe plannen. Zo opent hij, vlak voordat de economische depressie een feit is, een tweede filiaal  in de Charlotte de Bourbonstraat 176 (Bezuidenhout).
De feestelijkheden vinden plaats op 16 augustus 1928. Hij stelt zijn 19-jarige zoon aan als filiaalhouder. Echt lang plezier heeft Haaksma niet van het (opnieuw) uitbouwen van zijn bedrijf. Hij overlijdt op 8 maart 1932 op 53-jarige leeftijd. Niet lang na zijn dood, in december 1932, meent Henk nieuwe kansen te zien in de Weimarstraat. Hij huurt nummer 64 en gaat boven de nieuwe vleeshouwerij wonen. Aan de Frederik Hendriklaan wordt de zaak waargenomen door Hendrik Jerfaas, de zeven jaar jongere broer van Jan Rustenhoven, die na een gestrand huwelijk in Antwerpen naar Den Haag is teruggekeerd en nu in de Sonoystraat 71 woont.
Aankondiging van de heropening in 1935.

Halverwege 1935 moet Haaksma vaststellen, dat de drukke winkelstraat, anders dan op de Fred, hem erg weinig klanten oplevert. De crisis eist ook hier zijn tol. Om die reden doet Henk in oktober 1935 de winkels in de Charlotte de Bourbonstraat en de Weimarstraat van de hand. Ondertussen wordt het pand aan de Frederik Hendriklaan 275 verbouwd tot een moderne en ruime slagerij. Bij de heropening op 19 december 1935 laat hij weten drie zaken tot een te hebben verenigd.

Keuzenkamp

Hendricus Franciscus Josephus Haaksma is niet de enige van de familie die onderdak vindt in de Pijnboomstraat. Bijna drie jaar nadat zijn slagerij op nummer 3 is geopend, kiest zijn tweeënhalf jaar jongere broer Bartholomeus Johannes Petrus Haaksma voor het nog jonge winkelpand in de bocht van de Pijnboomstraat en de Wilgstraat. Het omvangrijke bouwplan met een winkel, zes parterrewoningen en veertien appartementen, is het tweede project in de straat en een initiatief van bouw-kundigen Teunis Keuzenkamp en Johan Adrianus Wijnekus. Zij leveren op 24 december 1913 de tekeningen in en krijgen op 16 januari 1914 toestemming om te gaan bouwen. Echt vlot gaat het niet. De belangrijkste reden hiervoor is, dat ze van de funderingen van de ver-schillende huizen zo’n zooitje maken, dat ze een aantal keren moeten worden afgebroken en opnieuw opgebouwd. Zo schrijft de inspecteur op 12 maart 1914 aan Bouw- en Woning-toezicht: “De handelingen en houding die door de ondernemers van de bouw aan de dag wordt gelegd, geven alle aanleiding tot de veronderstelling dat alle vertrouwen hier misplaatst is. Ook gisteren en heden moest, na het blootleggen van eene fundering, weder een toestand worden geconstateerd zoo onverantwoordelijk en zoo vertrouwen schokkend dat aan het funderingswerk van de drie meest zuidwestelijke perceelen niet de vereischte waarborg voor de veiligheid mag worden toegekend”.

Ontwerp van Keuzenkamp en Wijnekus. De winkel heeft twee etalages met links en rechts een kamer. Het huis links van het portiek is, zoals te zien is aan het raam naast de deur, kleiner gemaakt.                                                                            Tekening: Hans Piët  

Op 20/24 maart volgt een nieuwe brief in verband met de trasramen. Wat blijkt, is dat de nieuw gekozen steen te veel water opneemt en om die reden niet mag worden gebruikt. De laatste hindernis wordt genomen op 21/24 april 1914 wanneer Keuzenkamp en Wijnekus besluiten om pand vijf, direct links naast het winkelpand gelegen, kleiner te maken en van een nieuwe indeling te voorzien. Gevolg is dat het project pas in april 1915 kan worden afgerond.    
Bleeker Bart, zijn vrouw Alida Josina Wensveen en dochters Alida en Marietje verhuizen in april 1917 van de Copernicuslaan 77d naar de Pijnboomstraat 94 om daar hun was- en strijkinrichting met succes voort te zetten. Om inzicht te geven in de verdiensten: een wasvrouw kreeg 2 gulden loon per dag, een plankstrijkster twee gulden vijftig. Jammer is, dat Alida maar weinig meekrijgt van die groeiende klandizie. Ze is zo ziek, dat haar twee dochters (van 15 en 4 jaar) vrezen, dat zij het 20-jarig huwelijksfeest op 20 juni 1920 niet zal halen. Alida redt het net. Ze overlijdt, 43 jaar oud, op 30 juni 1920. Met de zorg voor twee meisjes voor ogen trouwt Bart (44) nog geen half jaar later. De bruid is strijkster Christina Johanna van Koert (30). Wanneer haar vierde kind op komst is, trekt het tweetal de conclusie dat het onderkomen in de Pijnboomstraat te klein is geworden. Ze verhuizen naar een klein (inmiddels afgebroken) herenhuis op de Beeklaan 550. De Pijnboomstraat 94 wordt vanaf september 1927 te koop aangeboden. Volgens de advertentie gaat het om een mooi hoekhuis; een winkelhuis met twee afzonderlijke etalages en een zeer grote kelder. Verder bestaat de parterre uit 4 kamers, een keuken, toilet, sanitair en tuin. Vraagprijs is 24.000 gulden (€ 10.890). De opbrengst van de twee bovenhuizen is 950 gulden (€ 431) per jaar. Het benodigde eigen kapitaal bedraagt 5000 gulden (€ 2268).
Wat Jan Rustenhoven nooit had kunnen vermoeden gebeurt. Het pand wordt gekocht door de firma Knijnenburg. Deze vleeshouwerij is in 1924 door de broers Willem en Antoon Knijnenburg opgezet aan de Hoefkade 846 (hoek Rochussenstraat). Ook zij willen meeprofiteren van de uitbreiding van de Hofstad en zien aan de Pijnboomstraat 94 nieuwe kansen.

Modelslagerij

Terwijl Antoon achterblijft op de Hoefkade, stapt Willem (31), samen met zijn jongere broer Adriaan (22), in november 1929 over naar het nieuwe pand. Adriaan gaat er in juni 1930, vlak na zijn huwelijk met Helena Wijdom, wonen. In 1931 wordt de winkel omge-vormd tot een modelslagerij. Bij alles is rekening gehouden met de eisen van de tijd. Behalve een grote koelkast staan er ook de laatste machines voor het bewerken en het snijden van vlees. Die nieuwe indeling kost ruimte waardoor Adriaan en zijn vrouw begin jaren veertig, met het groter worden van de kinderen, moeten vaststellen dat Pijnboomstraat 94 te klein is geworden. Ze verhuizen naar nummer 47.

Jubileum-aankondiging van de firma
Knijnenburg zoals hij is terug
te lezen in dagblad Het Binnenhof.
 
Wat Haaksma niet is gelukt, krijgen de broers, mede door het feit dat het, anders dan bij Haaksma, om een omvangrijke familie gaat, wel voor elkaar. Zo verhuist Antoon in april 1931 van de Hoefkade naar een nieuwe winkel en het bovenhuis aan de Paul Kruger-laan 233/235. Het bedrijf aan de Hoefkade sluit in augustus 1933 definitief zijn deuren. Willem start in 1934 een nieuwe winkel aan de Noorderbeekdwarsstraat 2. Het pand (met bovenhuis) is gelegen op de hoek met de Loosduinseweg 789 en is in januari 1934, via een veiling, voor 12.200 gulden (€ 5.536) aan de firma verkocht door hun broer Petrus Augustinus, een melkhandelaar. Niet veel later komen daar nog bedrijven bij in de Jacob Marisstraat 13 en de Hobbemastraat 196. Om al die winkels te voorzien en de slogan ‘Onze kwaliteit is ons succes’ te kunnen waarmaken, zijn de broers een eigen vleeswarenfabriek begonnen en beschikken ze over een eigen weiderij en mesterij aan de Leyweg. Het betekent, dat de firma op 22 oktober 1949 haar 25-jarig bestaan kan vieren in vijf goedlopende zaken.





 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten