zondag 19 mei 2019

Kijkduin


Fietspad eerste verbinding
tussen Den Haag en Kijkduin

door Hans Piët


DEN HAAG – De verbinding tussen Den Haag en Kijkduin heeft niet altijd zo’n luxe uitvoering gekend als momenteel het geval is. In eerste instantie bestond er zelfs helemaal geen aansluiting tussen de twee stadsdelen. Echt vreemd is dat niet. Behalve dat het grondgebied van Kijkduin eerst toebehoorde aan (de op dat moment zelfstandige gemeente) Loosduinen, is het een nog jonge woonplaats. Bijzonder daarbij is, dat ze niet, zoals elders aan de Nederlandse kust, is voortgekomen uit een vissersdorp. Ze is direct gebouwd als badplaats met de bedoeling landgenoot en vreemdeling ruimte en gastvrijheid te bieden in een decor van zee en duin.
Het exploiteren van Kijkduin (op het grondgebied Meer en Bosch) is een initiatief van de in ‘s Gravenzande geboren broers Van der Houwen. Johannes Daniël (31-10-1874), de bouwer, en Pieter Gerrit (25-05-1884), de administrateur, (hij was onderwijzer, later hoofd, op diverse openbare lagere scholen in Den Haag) zien het bouwen van een dorp met 126 landhuisjes wel zitten. Burgemeester en wethouders van Loosduinen, die vlak voor zij het tweetal in augustus 1917 voor het eerst ontmoeten, een discussie hebben gevoerd of ze de verdere ontwikkeling van hun woonplaats in eigen hand zullen nemen of overlaten aan ondernemers, gaan vrij gemakkelijk overstag. Raadsleden eigen verloopt dat natuurlijk niet geheel zonder discussie. Zo is er op 8 februari 1921, bij de eerste vergadering waarin de plannen, van het inmiddels aan de Marconistraat 39 in Den Haag residerende bouwbedrijf, serieus worden besproken, angst over een eventueel financieel verlies door de gemeente. In de bijeenkomst van 2 juni van dat jaar blijkt deze ongegrond. Loosduinen is er nog net op tijd bij geweest om (in het kader van groeiende woningnood) een bouwkrediet aan te vragen. Het Rijk heeft namelijk besloten om bijdragen in de vorm van voorschotten, bouwpremies en hypotheken per 1 juni 1921 stop te zetten. Loosduinen, die zijn aanvraag op 21 februari van dat jaar heeft ingediend, mag echter rekenen op 250.000 gulden (zo’n 114.000 euro). De gemeenteraad besluit dat dit bedrag pas mag worden aangesproken, nadat de eerste 30 villa’tjes gereed zijn. In de vergadering van 14 juni wordt duidelijk dat B&W, om er zeker van te zijn dat de broers hun verplichtingen zullen nakomen, een bankgarantie van 115.000 gulden hebben bedongen. Ook draagt het bouwbureau de risico’s van de straataanleg. Een simpele rekensom vertelt de raadsleden dat de kosten in arbeidsloon en stenen zo’n 200.000 gulden zijn. Een bedrag waarvoor geen premie wordt verleend. “En zijn de straten gereed en naar de wens van B&W, dan moeten ze in eigendom aan de gemeente worden overgedragen”, aldus gemeentesecretaris Jacobus Boezer.

Bouwplan uit 1921 van villadorp Kijkduin zoals bedacht door Van der Houwen.       Foto: Haags Gemeentearchief.
 Een ander discussiepunt is het aan het werk helpen van werkeloze dorpsgenoten. Ook daar wordt een oplossing voor gevonden. De broers zien het niet als een probleem, zo blijkt ook uit het contract, om tweederde van hun ongeschoold personeel te laten bestaan uit bij de arbeidsbeurs ingeschreven werkloze Loosduiners. Het gemeentebestuur is blij met alle ontwikkelingen. Zij zien dat het al jaren heel slecht gaat in de tuinbouw, dus dat er andere bronnen van welvaart moeten komen. De verdere ontwikkeling van Kijkduin als badplaats past daarin. Bovendien zijn er onderhandelingen gestart met Den Haag, dat in snel tempo in haar richting aan het uitbreiden is.
Op 20 oktober 1921, tien dagen nadat het definitieve besluit in de raad is gevallen, kan het contract worden getekend. De kosten voor de bouw (met straataanleg) worden geschat op 1.250.000 gulden (zo’n 570.000 euro). Behalve dat het tot stand komen wordt ondersteund met het bouwkrediet van het Rijk, sluiten de gebroeders Van der Houwen een hypotheek af van 900.000 gulden (zo’n 409.000 euro). Dwingend in de overeenkomst is, dat het villadorp binnen twee jaar tot stand moet zijn gebracht. ‘Tenzij de raad uitstel nodig acht’, aldus het contract.

Huiskamer

Hoewel er volop wordt gebouwd, krijgen de broers dat niet voor elkaar. De ongerepte natuur van de duinrand, waar binnen het villadorp ontstaat, speelt daarin een belangrijke rol. Aanvoer van materiaal verloopt, zeker bij slecht weer, niet altijd even soepel. De Strandweg lijdt het meest. Hij is al snel stuk gereden door de file aan zandauto’s. Hierdoor ook is het Koningin Wilhelmina Zeebadhotel nauwelijks meer bereikbaar. Een gevolg is, dat begin februari 1923, zo’n 74 van de 126 kleine villa’s, naar een ontwerp van Jan Duiker en Bernard Bijvoet, klaar zijn. De architecten ontwerpen zeven verschillende types. Zo zijn er vrijstaande landhuizen, maar ook geschakelde. Waar het duo vooral lof mee oogst, is de ruime huiskamer als centrum van de woning. Minder geslaagd wordt een aantal jaren later het ontbreken van een badkamer, in een deel van de huizen, gevonden. Toch blijkt de verhuur (ook aan toeristen) en later verkoop geen enkel probleem. Het landelijk wonen in combinatie met alle gemakken van de grote stad maakt Kijkduin zeer aantrekkelijk.
Met de flinke toename aan inwoners ontstaat er een vraag naar een verbinding met Den Haag. Niet onlogisch gezien het feit, dat de meeste bewoners een baan in de Residentie hebben en hun kinderen daar op school zitten. De ‘burgemeester’ van Kijkduin, John D. van der Houwen, doet op 12 februari 1923 in een officieel schrijven, een poging de Haagse gemeenteraad ervan te overtuigen dat zo’n verbinding noodzakelijk is geworden. ‘Langs het voetbalveld van Quick (dat zich halverwege Kijkduin en Den Haag zuidwest bevindt) ligt een voetpad dat, op zondag, ook door veel wandelaars wordt gebruikt. Bewoners der villa’s nemen het weggetje om zich lopend of per fiets naar de stad te begeven. Er is echter een klein gedeelte van dit pad, in de buurt van Quick, dat heuvelachtig en daardoor slecht begaanbaar is. Met een beetje grondwerk en kolengruis is het in goede staat te brengen. Reden waarom ik u beleefd verzoek dit hulpweggetje op eigen kosten te mogen opknappen. Met het plaatsen van wat borden kan ik dan ook de richting naar het villadorp aangeven’.

De ligging van Kijkduin ten opzichte van Den Haag met een schets van
de nieuwe straatweg.                                                                  Foto: archief.
Zijn verzoek volgt op dat van de gemeente Loosduinen. Burge-meester Hendrik W. Hovy heeft op 2 juli 1922, aangeboden een tegelpad aan te leggen tussen het villadorp en het terrein van de voetbalvereniging. ‘Met dat pad zal er, wanneer Den Haag op eigen grond meewerkt, een goede verbinding ontstaan met de Bomen- en Bloemenbuurt. Er is weliswaar een fietspad van de Geraniumstraat naar Quick, maar dat verkeert in zeer slechte staat’.
De voetbalvereniging heeft in oktober 1921 een poging ge-daan dat pad belegd te krijgen met oude scoriasbricks. Die aanvraag is door de Haagse gemeenteraad positief ontvangen. Enige voorwaarde: Quick betaalt tweederde van de begroting van 4400 gulden. En dat geld heeft de voetbalvereniging niet.
Het verzoek van Loosduinen wordt op 7 juli 1922 definitief afgewezen. Dr. ir. Pieter Bakker Schut, directeur Dienst der Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting, vat het compact samen: “Het ligt niet op de weg onzer gemeente de vestiging van forensen sterk in de hand te werken door het scheppen van een directe verbinding. Wat bovendien meespeelt, zijn de onderhandelingen over de samensmelting der beide gemeenten. Zolang er geen overeenstemming is, wordt er niets ondernomen”.
Ruim een jaar later, op 24 november 1923, slaat hij, nadat de grenswijziging is doorgevoerd en Loosduinen (de laatste raadsvergadering was op 28 juni 1923) onderdeel is geworden van Den Haag, een andere toon aan. “Hoewel het villadorp, met de daarop rustende door de gemeente gegarandeerde hypotheken, een erfenis is van het gemeentebestuur van Loosduinen, heeft de Residentie er ook financieel belang bij als het villadorp geen mislukking wordt. Ik meen daarom dat er aanleiding bestaat, te bevorderen dat de deels clandestien in het leven geroepen weg over privaatrechterlijk gemeenteterrein, een behoorlijke fietsweg wordt”.

Van Riessen

Die ommezwaai lijkt mede te danken aan de brieven die Jacob Hendrik van Riessen, redacteur bij het christelijk weekblad Thimoteus en penningmeester bij de Vereeniging Kijkduin, op 19 juli en 3 oktober 1923 namens 39 Kijkduiners naar de Haagse gemeenteraad stuurt. In zijn laatste brief schrijft hij blij te zijn dat de Laan van Meerdervoort wordt doorgetrokken naar de Loosduinse Strandweg, maar dat zowel adressanten als bezoekers ‘op zondagen met mooi weer al snel 8000 tot 10.000 mensen’, verstoken blijven van een behoorlijke verbinding met Den Haag. Ook wijst hij er op hoe gevaarlijk het verkeer op de Haagweg en Loosduinseweg is voor fietsende kinderen op weg naar school. In zijn eerdere brief heeft hij de grote omweg, die inwoners van Kijkduin moeten maken om in Den Haag te komen, aangestipt. ‘De snelste weg is via Quick. Fietsen over Loosduinen scheelt al snel tien minuten. Het is een omweg van vijf kilometer’. Hij dringt er, namens de andere inwoners, op aan die verbinding door de duinen snel in orde te maken. ‘Het tot stand komen daarvan hoeft niet kostbaar te zijn’.

Deze tekening van het rijwielpad geeft aan waar verbeteringen moeten worden aangebracht. Het rode deel verkeert in behoorlijke staat. Het gele gedeelte is dankzij het zand niet te berijden.  Foto: Haags Gemeentearchief.
Voetbalvereniging Quick sluit zich daar, middels een brief van secretaris Nicolaas J. de Groot, bij aan. ‘Het intensieve verkeer van berijders van motorrijwielen, wielrijders, voetgangers en bezoekers van en naar wedstrijden of het strand maakt de weg, zeker in periodes van droogte, vrijwel onbegaanbaar. Ik denk, dat ook andere verenigingen die in de Segbroekpolder zijn gelegen, baad hebben bij een goede toegangsweg’.
Wat, niet voor het eerst, op de achtergrond meespeelt, is de zuinige inborst van Den Haag. Bouwbureau Gebr. Van der Houwen heeft echter zijn lesje geleerd. Nog voor Bakker Schut in een raadsvergadering roept dat “blijkbaar stilzwijgend van de veronderstelling wordt uitgegaan dat de kosten der verbetering door de gemeente wordt gedragen”, heeft John van der Houwen al overleg gevoerd met Leo C. Steffelaar, secretaris-penningmeester van de ANWB en Willem H.J. Dicke, secretaris van de Vereeniging Rijwielpad Zuid-Holland. Laatstgenoemde vereniging, die zich middels Dicke jarenlang inzet voor het verwezenlijken van een pad door de duinen tussen Den Haag en Hoek van Holland, zegt toe voor de aanleg te zullen zorgen. Wethouder voor Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting Machiel Vrijenhoek en de directeur van die dienst, Bakker Schut, zijn tevreden. “Ook omdat het pad een tijdelijk karakter heeft. Naar gelang de bebouwing vordert, verdwijnt de weg om plaats te maken voor straataanleg”, aldus Bakker Schut. “Daarbij is deze oplossing ook de goedkoopste omdat het onderhoud ten laste van de vereniging blijft”, laat hij de gemeenteraad weten.
De kosten voor aanleg, zo blijkt uit de begroting, worden geraamd op 4000 gulden. Het grootste deel (3000 gulden) is voor rekening van het bouwbureau. De gemeente neemt 25 procent tot een maximum van 1000 gulden voor haar rekening. Wat door de Vereeniging Rijwielpad Zuid-Holland wordt aangelegd, zo geeft de op 30 november 1923 goedgekeurde tekening aan, is een 1350 meter lang pad, dat een breedte krijgt van twee meter. Een lengte van 425 meter, met een breedte van vier meter, wordt verbeterd. Om het hele pad te verharden worden sintels gebruikt (het is de grootste kostenpost: f 1760,-). Het afdekken gebeurt middels teer en schelpen. Langs de duinweg worden 160 eiken paaltjes geplaatst plus vier bordjes met de mededeling ‘Rijwielpad’.

Onderhoud

Na de feestelijke met fanfare opgeluisterde opening op 7 juni 1924, waarbij ook wethouder Vrijenhoek aanwezig is, heeft de motorrijder het nakijken. Hij mag zich met zijn tweewieler niet langer op het pad vertonen. Dat het druk wordt bezocht, blijkt uit een schrijven van 26 juli 1924. Volgens de gemeente laat het onderhoud ernstig te wensen over. ‘Het pad is in zo’n slechte staat dat zand boven komt en dus bij avond gevaar oplevert voor wielrijders. Na ingewonnen deskundig advies is gebleken dat er niet voldoende teer is gebruikt’. In de brief wordt gewezen op het raadsbesluit van 3 december 1923. Daarin staat dat de vereniging verantwoordelijk is voor het onderhoud. Wat de ambtenaar echter over het hoofd ziet, is de clausule die vermeldt, dat wanneer door intensief gebruik de kosten abnormaal hoog worden, een bijdrage aan de gemeente mag worden gevraagd. Wanneer zij begin september van dat jaar bij de gemeente aanklopt voor die financiële bijdrage, geeft Den Haag niet thuis. ‘Er zijn wat slechte delen, maar gevaarlijke plekken zijn er niet’, is plotseling haar mening.
Wat bij dat antwoord meespeelt, is dat er inmiddels vergevorderde plannen bestaan voor de aanleg van een rijweg tussen Kijkduin en Den Haag. Ir. Jan Lely, directeur gemeentewerken, is in juni 1924 onderhandelingen gestart met de gebroeders Van der Houwen over die aanleg. Het opknappen van het rijwielpad is volgens hem dan ook niet langer noodzakelijk. “De meeste bezoekers maken er alleen in de zomermaanden gebruik van. Aangenomen kan worden, dat in het voorjaar van 1925 de nieuwe weg naar Kijkduin, die deels op kosten van de broers, gedeeltelijk voor rekening van de gemeente door Gemeentewerken zal worden aangelegd, gereed is. Afgewacht zal kunnen worden of na het tot stand komen van die weg nog aan het rijwielpad behoefte zal bestaan. Het lijkt mij toe, dat dit vermoedelijk niet het geval zal zijn”, aldus ir. Lely.

Motortram

Het voorstel van de directeur gemeentewerken wordt door de broers met enthousiasme ontvangen.“We zijn gaarne bereid mee te werken”, staat er in een brief van 8 juli 1924. Wat daarbij meespeelt, is dat de financiële positie van het bouwbedrijf zwak is geworden. Zo wordt er al enkele weken overleg gevoerd met de directie van de Gemeentelijke Hypotheekbank in verband met een achterstand in de betaling van rente en aflossing. Met die nieuwe weg hopen ze dat nog meer mensen voor Kijkduin zullen kiezen waardoor ook de laatste 22 huizen worden verhuurd of verkocht. In dat kader is tevens het plan ontstaan voor de aanleg en exploitatie van een motortram tussen het villapark en het eindpunt van lijn 7 aan de Sportlaan.
De weg die de motortram volgens de broers Van der Houwen tussen het villapark en de Sportlaan zou kunnen
afleggen.                                                                                                                               Foto: Haags Gemeente Archief 
Op 24 december 1923 vraagt het bureau toestemming aan de gemeenteraad. Deze laat weten met de HTM te zullen overleggen. Haar toestemming is namelijk nodig voor de exploitatie. De Haagse Tramweg Maatschappij laat op 18 januari 1924 weten geen bezwaar te hebben. Bij een aantal raadsleden ligt dat anders. Aanleg en exploitatie zal het financiële risico voor de gemeente alleen maar vergroten. Uiteindelijk ligt een faillissement van het bouwbureau al op de loer. Om die reden ook vraagt wethouder Vrijenhoek het college in de vergadering van 30 mei 1924 nog even goed na te denken over het voorstel. Drie dagen later, op 2 juni, gaat de gemeenteraad toch akkoord. Zij is er van overtuigd, dat de broers de lijn niet in exploitatie kunnen nemen zonder de hulp van de gemeente. En voor haar bestaat er geen enkele aanleiding die steun te verlenen. Zeker niet nu de plannen worden uitgewerkt voor een verharde weg tussen Kijkduin en de Daal en Bergselaan. Een brief vertelt, dat toestemming wordt verleend. ‘De vergunning gaat in op 1 september 1924. De inwerkingtreding ervan wordt bepaald op 1 december en geldt voor vijf jaar. De kosten voor het gebruik van de gemeentegrond zijn 150 gulden per jaar. Wanneer de lijn op 1 maart 1925 niet in exploitatie is genomen, vervalt de vergunning’, staat er te lezen.

Autoweg

Op dat moment hebben de broers al elke interesse in het uitbaten van de motortramverbin-ding verloren. Zij zien meer heil in de straatweg, die bijna voor de helft (1250 meter) voor hun rekening komt. Den Haag betaalt de overige twee kilometer. Een eerste berekening door ir. Lely geeft een bedrag aan van 45.000 gulden. De straat tussen het villadorp en de Quickweg wordt vijf meter breed en voorzien van klinkerbestrating. Kosten: 28.000 gulden. De duiker in de Quickweg kost 1000 gulden. Verbetering, verbreding en verlenging van de Quickweg komt neer op 16.000 gulden. “Die verbreding is nodig omdat bij de bestaande breedte twee omnibussen elkaar niet veilig kunnen passeren. Gaat u akkoord dan ben ik bereid burgemeester en wethouders voor te stellen van gemeentewegen de rijweg vanaf de H.B.S. aan de Geraniumstraat en de omliggende, aan te leggen straten tot aan de Quickweg, te financieren. Wat betreft uw deel kan ik u meedelen, dat de directie van de Gemeentelijke Hypotheekbank bereid is aan B&W voor te stellen het bedrag aan u te verstrekken onder tweede hypothecair verband op alle thans nog aan u toebehorende huisjes van het villadorp en overigen, op nader overeen te komen, voorwaarden”.
De broers laten weten over het financiële deel nog geen uitsluitsel te kunnen geven omdat ze nog niet alle belanghebbenden hebben kunnen spreken. Bovendien verzoeken ze de gemeente hun gedeelte van de weg zelf te mogen aanleggen. ‘Geheel onder controle van de gemeente’, aldus John D. van der Houwen in zijn brief. ‘Maar u begrijpt dat elke duizend gulden, welke we op deze wijze lager uitkomen dan de voorgelegde begroting, ons goed uitkomt’.

Werktekening van de autoweg die in 1925 tussen Den Haag en Kijkduin werd aangelegd. Het blauwe deel is definitief. Het rode gedeelte is niet in het concept-uitbreidingsplan opgenomen.      Foto: Haags Gemeentearchief.
Op 22 augustus 1924 vraagt burgemeester Jacob A.N. Patijn advies aan ir. Lely. Hij wil de werkzaamheden in Kijkduin combineren met het uitvoeren van het stratenplan Laan van Meerdervoort III. “Een spoedige afwikkeling van deze aangelegenheid achten wij ter bevordering van een goede exploitatie van de woningen in Kijkduin gewenst”, aldus de burgemeester.
Wat hij ook wil weten, is aan welk verkeer de weg tussen Den Haag en Kijkduin wordt opengesteld. “De aanleg ten behoeve van personenvervoer wordt door ons bevorderd. Wat moet worden geweerd, is dat de als tijdelijke klinkerweg bedoelde straat spoedig om belangrijk onderhoud vraagt”.
Eind september 1924 besluit ir. Jan Lely, gezien de terreingesteldheid, de weg te projecteren aan de zuid-oostzijde van het bestaande fietspad. Vervolgens blijkt dat het geheel duurder wordt dan begroot. John D. van Houwen laat in een brief van 26 november 1924 weten daar niet blij mee te zijn. ‘In de besprekingen over de aanleg is mij verteld, dat de Quickweg  zou worden verbeterd, doch niet dat hij zou worden omgevormd tot een officiële weg met trottoirs en een volledige klinkerbestrating. Hiermee wordt de voorgestelde speling van
f 6000,- die in de begroting van f 45.000,- aanwezig was, geheel teniet gedaan. Behalve dat ik meen, dat met de weg een Haags belang wordt gediend omdat de gemeente er de meeste baat bij heeft, kan de aanleg goedkoper. Nu is gekozen voor een dikke laag van puin. Volgens ons kan hij ook gemakkelijk en afdoende verhard worden middels kolengruis, kolen en teer’.
Den Haag besluit de broers te ontzien, waardoor met de aanleg kan worden begonnen. Het bouwbureau zet vaart achter het leggen van de waalklinkerbestrating. De 1250 meter is op 25 april 1925 klaar. De gemeente Den Haag doet iets langer over haar twee kilometer. Deels omdat de aanvoer van de trottoirbanden uit het buitenland meer tijd vergt en de weg wordt geasfalteerd. Maar, voor de zomer van 1925 is het geheel gereed en ligt er tussen Kijkduin en Den Haag een rijweg.