zaterdag 12 september 2015

Tamboer op het Lange Voorhout

Strijd om een droge entree


door Hans Piët

DEN HAAG - Als de regen met bakken uit de hemel komt, zoals in een zeeklimaat regelmatig gebeurt, is het heerlijk wanneer je, bijvoorbeeld op zoek naar sleutels, droog voor de voordeur kunt staan. Maar, ook bij het uitlaten van gasten heeft het voordelen. De aardige geste van het uitzwaaien, kan zonder een spatje plaatsvinden. En wanneer meneer de auto heeft voorgereden, blijft bij het instappen van mevrouw het aantal druppels op de mantel beperkt.
Baronesse Van Lynden voelde wel iets voor zo'n afdak voor haar pand aan het Lange Voorhout 19. Waar ze echter geen rekening mee had gehouden, was de Haagse bureaucratie. Die zorgt ervoor, dat bij het plaatsen van zo'n tamboer (een overdekte toegang) weinig muziek weerklinkt. Zoveel blijkt uit de overgebleven correspondentie die deels is terug te vinden in het Haags Gemeentearchief. Ook aan het begin van de vorige eeuw (1914) werd de Haagse burger bedolven onder regels, die strikt dienden te worden nageleefd. Wat de barones, geboren jonkvrouw Catharina Johanna van Weede en getrouwd met mr. Robert Melvil, baron van Lynden, zich waarschijnlijk niet had gerealiseerd, was dat het ambtenarenapparaat van de Residentie graag zwemt in bergen van papier. Bureaucratisch 's Gravenhage ziet het liefst elke gebruikte spijker verantwoord met een schrijven.                                        
Een recente blik op Lange Voorhout 19 in Den Haag.    
   Foto: Haags Nieuws Bureau                                              
Dat was in Loenen, waar het kinderloos gebleven echtpaar sinds 1907 eigenaar was van landgoed kasteel Ter Horst (koopprijs 140.000 gulden), heel anders. De ingrijpende renovatie van de kamers, onder leiding van de Haagse rijksbouwmeester architect-ingenieur D.E.C. Knuttel, waarbij alle historische details werden gespaard, was zo geregeld. In Den Haag wilde Bouw en Woningtoezicht, na een eerste aanvraag, eerst een uitgewerkte tekening zien, inclusief de maten van het bouwwerk, de gebruikte materialen en de standplaats. Dat schrijven - in tweevoud - werd op 18 februari 1914 verstuurd. Het bevatte de schets van de tamboer, die Catharina voor ogen had, en een tekening van de plaats waar hij zou komen te staan. De overdekte toegang zou geheel uit ijzer worden vervaardigd door Aart van Lith (53 jaar), een gerenommeerd bouwkundige uit de Van Diemenstraat 32 in Den Haag. Het dak werd van draadglas. Voor de twee zijkanten projecteerde Van Lith gewoon glas. Hij schatte de hoogte op drie meter twintig, waardoor het fraai ogende glas-in-loodraam boven de deur vanaf de straat zichtbaar zou blijven. De tamboer zou rusten op twee van de zes hardstenen palen, die (nog altijd) op het bordes voor het pand staan.
Op 7 maart volgde een positieve beoordeling door burgemeester en wethouders. Dankzij artikel 126 der Bouw en Woonverordening (verz. nr. 8) van 1906 was een ander besluit eigenlijk niet mogelijk. Deze 'uitbouw' viel namelijk binnen de grenzen van de kadastrale sectie EN 1954 ofwel de tamboer werd op eigen terrein neergezet. Bouw en Woningtoezicht verwoordde het met: 'Hoewel inwilliging van verzoeken als het onderhavige over het algemeen niet gewenscht is, met het oog op het voor de eigenaren waardevoller worden van de stoepen voor hunne perceelen, bestaat m.i. geen overwegend bezwaar het verzoek van adressant toe te staan, omdat het bezit van deze stoep aan deze ruime straat met weinig verkeer voor de Gemeente van minder belang is'.

Grootmeesteres

Dat de aanvraag met 'spoed' werd behandeld - normaal nam Bouw en Woningtoezicht drie tot vier maanden de tijd - had waarschijnlijk met de functie van de barones te maken. Catharina was namelijk grootmeesteres van het Huis van de Koningin. Dat het werk moest worden uitgevoerd in overleg en ten genoegen van de directie der gemeentewerken zat haar dwars, zo blijkt uit correspondentie. Het was toch haar pand. Wat dat betreft, kon ze haar buurman Lessur (Lange Voorhout 21), eigenaar van het gelijknamige, gerenommeerde en zeer succesvolle modehuis, een hand geven. Met de introductie van de monumentenverordening in 1921, waarbij ongeveer het hele Lange Voorhout op de Monumentenlijst kwam te staan, schreef hij naar de gemeente: 'Uit niets blijkt de historische betekenis van mijn perceel. Het enkele feit dat een zekere graaf van Limburg Stirum er heeft gewoond, kan daarvoor niet voldoende zijn. Ik zeg u bij deze dus aan, met verschuldigde eerbied, dat ik mij de volle vrijheid voorbehoud die wijzigingen en veranderingen aan te brengen die ik nodig mocht vinden'.
De Commissie tot Voorlichting van de Gemeenteraad inzake de Monumentenverordening was er als de kippen bij om te verklaren dat het bij Lange Voorhout 21 slechts ging om het behoud van de gevelsteen. In een mondelinge reactie liet Lessur vervolgens weten geen bezwaar te hebben. Hij zou tijdens zijn eigenaarschap niets aan de Lodewijk de XVI-gevel wijzigen. Hierdoor is de gedenksteen over de graaf (in 1813 een van de drie grondleggers van onze vrijheid) nog altijd voor iedere voorbijganger leesbaar.

Lange Voorhout 19, 21 en 23 (v.r.n.l.). Voor nr. 19 is de tamboer geprojecteerd. De Lodewijk de XVI-gevel van nr.21 draagt de gedenksteen van de graaf van Limburg Stirum. Tekening: Haags Nieuws Bureau.                    
Voor de barones lagen de zaken iets anders. Zo was ze echt ontstemd over de voorwaarde die Van Reenen, als secretaris van burgemeester Van Karnebeek, stelde, namelijk dat de tamboer zes maanden na dagtekening moest zijn geplaatst. Was dat niet het geval, dan zou opnieuw een vergunning moeten worden aangevraagd. De douairière vroeg zich hardop af of dit wel zou lukken. De gespannen sfeer in Europa (de Eerste Wereldoorlog stond voor de deur) zorgde er namelijk voor, dat allerlei materialen heel moeilijk of helemaal niet leverbaar waren.
Vraag is wel of Catharina zich niet voor niets zorgen maakte. Zou die nieuwe vergunning daadwerkelijk nodig zijn geweest? Met het opvolgen op 1 december 1912 van baronesse Van Hardenbroek en van Bergambacht, geboren gravin van Limburg Stirum, als grootmeesteres van het Huis van de Koningin, had ze (nog) meer aanzien verworven. Deze (niet betaalde) topfunctie, gericht op representatie en het begeleiden van koningin Wilhelmina tijdens buitenlandse reizen, was haar op het lijf geschreven. De barones sprak haar talen en wist als geen ander wat netwerken was. Dat bleek na het vertrek van haar man, mr. Robert Melvil, baron van Lynden, als minister van Buitenlandse Zaken (begin 1905), vlak voor de val van het kabinet Kuyper. Dankzij onervarenheid had de antirevolutionair (lid van de ARP) zich te veel laten overvleugelen door dr. Kuyper. Zich uit het openbare leven terugtrekken, was voor het echtpaar echter geen optie. Vooral Catharina genoot er volop van. Dat wordt duidelijk als na het overlijden van de baron - op 27 april 1910 - zijn vriend en studiegenoot Willem Hendrik de Beaufort zijn hart lucht tegenover een journalist en ietwat verbolgen verhaalt hoe ze zich "blijft bewegen in de Haagsche groote wereld. Ze is op alle feesten en houdt den omgang met diplomaten zeer sterk aan".
Tegelijkertijd mag worden opgemerkt, dat Robert Melvil, die wordt omschreven als een aristocraat in den beste zin des woords, niet minder ambitieus was. Na zijn promotie, aan de universiteit van Utrecht, tot doctor in de rechten, maakte hij snel naam bij de arrondissementsrechtbank in Utrecht (1877 - 1900). Tegelijkertijd echter was hij lid van de gemeenteraad en secretaris van het Provinciaal Genootschap van Kunst en Wetenschappen. Dankzij zijn talenkennis, innemende persoonlijkheid en goede omgangsvormen werd de inmiddels ook als Eerste Kamerlid functionerende baron gevraagd secretaris-generaal te worden van het Internationaal Bureau van het Hof van Arbitrage. De eerste vergadering van dit bureau in 1899, na een internationale vredesconferentie in het leven geroepen om internationale geschillen op te lossen, vond plaats op 20 september 1900 aan de Prinsegracht in Den Haag. Een jaar later werd Robert voorzitter van de permanente Raad van Beheer.

Des Indes

Hoezeer het tweetal zijn welgesteldheid gebruikt voor een aangenaam leven, wordt op een prachtige manier geïllustreerd met de verblijfplaats die wordt gekozen, voor de definitieve verhuizing van Utrecht naar Den Haag een feit is. Ze nemen - negen maanden lang - hun intrek in Hotel Des Indes.
Die eerste periode aan het Lange Voorhout wakkert een nimmer gedoofde liefde aan voor de laan. Het tweetal besluit dat ze nergens anders in 's Gravenhage wil wonen. Dat daarbij voor nummer 19 wordt gekozen, herbergt een saillant detail. Het huis werd namelijk al eerder door een Van Lynden bewoond. Rond 1830 was het de verblijfplaats van Isabella Catherina Anna Jacoba, baronesse van Lynden. Ze was getrouwd met luitenant-kolonel Jean Victor, baron de Constant Rebecque.   
Vijf jaar na zijn ministerschap en tien jaar na zijn komst naar de Residentie, overlijdt de baron (67 jaar), inmiddels Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, na een lang ziekbed in Den Haag. Dat ook koningin Wilhelmina de kist bekleedt met een krans, zegt iets over zijn status. Deze wordt nog eens onderstreept met het feit, dat een extra trein wordt ingezet, enkel om het stoffelijk overschot te vervoeren van Den Haag naar Driebergen. De baron, met zijn kenmerkende blonde, gekrulde haar en jeugdige uiterlijk, ligt begraven in Neerlangbroek.                                                          
De tamboer zoals hij werd ontworpen door
 de Haagse bouwkundige Aart van Lith.      
 Tekening: Haags Nieuws Bureau.                
Catharina Melvil, baronesse van Lynden (inmiddels 67 jaar) omarmt haar functie als grootmeesteres met liefde. Ze geniet vooral van de buitenlandse reizen, die ze met koningin Wilhelmina maakt. Het gevoel, dat het soms om twee vriendinnen lijkt te gaan, krijgt een extra impuls bij een verslag uit mei 1916. Het tweetal besluit spontaan om de Haagse deelnemers aan de Nederlandse Winkelweek te verrassen. Tijdens de rijtoer worden etalages bekeken en worden bezoeken gebracht aan zaken van verschillende firma's.
Na haar overlijden, op 27 augustus 1923, laat het Koninklijk Huis weten, dat de barones 'in hoogste aanzien stond bij de koningin en de gehele hofhouding'. Spijtig genoeg gaat een van haar grootste wensen niet in vervulling. Catharina had graag het 25-jarig regeringsjubileum van koningin Wilhelmina, in september 1923, bijgewoond. Helaas moet de barones zich wegens ziekte al vroeg tijdens de voorbereidingen van de festiviteiten terugtrekken op kasteel Ter Horst in Loenen. Haar functie wordt overgenomen door H.M.S. van Tets van Goudriaan, geboren baronesse Schimmelpenninck van der Oye.
De positie van grootmeesteres is overigens niet de enige functie die Catharina Melvil van Lynden uitvoert. In 1893 is het christelijke naastenliefde en een feministische inborst, die haar doet besluiten, met een aantal andere adellijke dames, de vereniging Salem (Vrede) op te richten. Het doel: tegen een matige vergoeding, een tehuis bieden aan onbemiddelde dames en een tijdelijk onderkomen verschaffen aan jonge onderwijzeressen zonder betrekking, die enige tijd in Den Haag willen doorbrengen. Koningin Wilhelmina schenkt 500 gulden. In 1913 neemt Catharina zitting in het erecomité voor de (niet echt geslaagde) tentoonstelling 'De Vrouw 1813 - 1913'. In 1920 wordt zij presidente van het damescomité voor het hospitaalkerkschip 'De Hoop'. Bij haar overlijden laat ze de vereniging 5000 gulden na.

Poëtische kracht

Het plaatsen van de tamboer verloopt, na nog wat heen en weer geschrijf, uiteindelijk probleemloos. Echt tevreden over deze toevoeging is het gemeentebestuur echter niet. Burgemeester en wethouders van Den Haag blijken niet ongevoelig voor de poëtische kracht (en daarmee de toeristische aantrekkelijkheid) die de laan, volgens verschillende schrijvers, bezit. ''Het is een stuk stadsarchitectuur van grote waarde waarin slechts met de grootste omzichtigheid verandering mag worden aangebracht", aldus een van die scribenten.
"Het voornaamste kenmerk van het Lange Voorhout is haar schilderachtigheid. Daarnaast echter is er een breedheid en grootheid van allure", aldus een andere schrijver.
"Mooi is hoe de gebouwen op deze laan het achtergronddecor vormen. De bomen zijn het die hier de verhoudingen aangeven. Het Lange Voorhout is een typisch voorbeeld van een weg  waar de bomen de taak van de architectuur hebben overgenomen. Zij geven een vast karakter aan het straatbeeld".                                                             
Zijkant van de tamboer.
Tekening: HNB.             
De nieuwe eigenaar Leo Roozen, directeur van hotel Wittebrug, die een jaar na de dood van de barones het huis verwerft voor 50.600 gulden, is blij met de tamboer. Hij gebruikt het pand - met de naam Huize Voorhout - dat in de tijd van de barones is voorzien van een danszaal, voor besloten feesten, partijen en lezingen. Een gemêleerd gezelschap maakt gebruik van de grote kamers. Zo is er de Vereeniging voor Volkenbond en Vrede, maar ook de Nationale Landstormcommissie en het propagandacomité van Pro Juventute. De Joodse damesbridgeclub Winst Met Liefdadige Bestemming houdt er haar avonden, zoals de Vereeniging Tesselschade er onderdak vindt voor de jaarlijkse bazar. De Christina Stichting voor Verwaarloosde Meisjes zamelt er geld in en ook de Nederlandse Vereniging voor Huisvrouwen maakt graag gebruik van de kamers. En al die gasten kan de directeur een (bijna) droge entree garanderen.
Met de komst van de Gemeentelijke Monumentencommissie, in het najaar van 1921, lijkt de tamboer zijn langste tijd te hebben gehad. Monumentenzorg meent dat plaatsing de historische en architectonische waarde van het perceel heeft aangetast. Als beschermer van de schoonheid van het stadsbeeld ziet ze verwijderen dan ook als enige optie. Burgemeester en wethouders onderschrijven die visie maar kunnen, gezien de eerdere toestemming, niets doen. Dat het pand toch op de Monumentenlijst wordt geplaatst, komt omdat, volgens de commissie, 'het Lange Voorhout een laan is waar geen enkel huis kan worden gemist'. Bovendien vertelt de geschiedenis dat Lange Voorhout 19, 21 en 23 als een perceel is opgetrokken en pas later is gesplitst.
Het is de tand des tijds die voor de ondergang van de tamboer zorgt. Zelfs passanten beginnen zich op een gegeven moment te ergeren. Zij zien hoe het ijzer wegroest. Bovendien staat de bezoeker niet meer helemaal droog voor de deur doordat het draadglas is gekraakt en ook de zijruiten scheuren vertonen. Met de komst van het Bureau van de Rijksdienst voor het Nationale Plan, eind 1941, wordt de overkapping geruisloos verwijderd. Iedereen is het er al snel over eens, dat het terugbrengen van de oorspronkelijke Lodewijk XVI-gevel de schoonheid van dit zo geliefde stadsbeeld ten goede komt. Het blijkt meer waard dan droog voor de deur staan.

© Haags Nieuws Bureau 2015