dinsdag 10 mei 2016

Eeuwfeest van een portiek

Eeuwfeest van een portiek

Romantiek in stenen

door Hans Piët

DEN HAAG - Er is één pand in de Pijnboomstraat waar de romantiek aan alle kanten vanaf druipt. De bouw in 1916 moest voor de geliefden vooral het opnieuw gevonden levensgeluk markeren. Om dat ook aan volgende generaties duidelijk te maken, besloot opdrachtgever Cor Fransdonk om een gedenksteen in de gevel van de nummers 43 t/m 53 te plaatsen. Het is de enige, die in deze Haagse straat is te vinden.
Wie het (verweerde) graniet bekijkt, ziet de tekst: 'De eerste steen gelegd door F.P.M. Fransdonk-Gisolf. Den Haag 2/2 1916'. Die datum is de dag, dat Cornelis Wilhelmus Fransdonk (50 jaar) en zijn tweede vrouw Francina Petronella Maria Gisolf (26 j.) in het huwelijk traden. Bouwkundige Goossen Reijnders is begin januari van dat jaar met het leggen van de fundering begonnen. Het personeel bestaat uit een uitvoerder, grondwerker en timmerman. Niet veel later is het een acht man tellende ploeg.
Aan die start gaat veel papier vooraf. Probleem in het bureaucratische 's Gravenhage van begin vorige eeuw is, dat ondanks woningnood en een stagnerende economie, er zeer veel handtekeningen (toestemmingen) nodig zijn, voordat met het neerzetten van een pand mag worden begonnen. De officiële bouwvergunning dateert van 31 december 1915/4 januari 1916 (nr. 27602/51). Documenten maken duidelijk, dat op 23 november 1915 de eerste bouwtekeningen van de twee percelen (met elk drie woningen) en andere aanvragen naar Gemeentelijk Bouw- en Woningtoezicht zijn verstuurd. Zo is er bijvoorbeeld de aanvraag voor een aansluiting op het gemeenteriool. De kosten bedragen 26 gulden (€ 11,80). Het bedrag, zo valt te lezen, mag bij de administrateur-boekhouder der Gemeentewerken aan de Bierkade 5 worden afgerekend nadat er bewijs is, dat de riolering binnenshuis door Bouw- en Woningtoezicht is goedgekeurd. Voor de twee aansluitingen voor huishoudwater en de uitwerpselen moet jaarlijks 1 gulden (€ 0,45) worden neergeteld. De vergunning arriveert op 25 mei 1916.
Het plaatsen van een bouwkeet, maar ook het aanbrengen van een erker aan een woning, vraagt om aparte goedkeuringen. Een maand nadat de tekeningen van de erker zijn ingeleverd, op 24 december 1915, komt de vergunning. Er zijn voorwaarden aan verbonden. Zo mogen de erkers van de eerste en de tweede etage, 'met inbegrip der versieringen', niet verder uit de gevel steken dan 90 centimeter en niet breder zijn dan 3,35 meter. Het is verboden om de ramen buitenwaarts te laten opendraaien en de ruimte tussen de onderkant van de erker en het trottoir moet ten minste 3,30 meter zijn. Ook het oprichten van een bergplaats in de tuin van elk der twee percelen

Plattegrond van de gevel met geprojecteerde erker.        
                                       Tekening: Haags Nieuws Bureau
(geregistreerd onder kadasternummer AN 489, dat was AN 602) blijkt mogelijk. Opnieuw zijn er beperkende bepalingen. Zo staan de afmetingen vast: niet groter dan 5 m2 en niet hoger dan 2,25 meter. De afdekking van het getimmerde moet bestaan uit onbrandbaar materiaal. Bovendien mag in het hok geen stookplaats worden ingericht. En bij een eerste aanzegging door Burgemeester en Wethouders moet de bergplaats binnen een maand zijn opgeruimd. Als extra maatregel krijgt de 30-jarige bouwer Reijnders mee dat, ter voorkoming van vochtigheid (op deze voormalige waterplas), het te bebouwen perceelgedeelte tot een hoogte van ten minste een meter onder de onderkant van de begane grondvloer moet worden opgehoogd met zuiver zand.

Vrijstelling

Ook tijdens de bouw volgen er nog goedkeuringen. Zo duurt het tot 31 maart 1916 voordat er vrijstelling wordt verleend voor het gebruik van kalkzandsteen voor de halfsteens-binnenmuren. Die partij (± 5000 stenen) is afkomstig van Teunis Keuzenkamp en Johan Wijnekus. Zij werken op dat moment, met een ploeg van 30 man, aan negen percelen in de Pijnboomstraat (nr. 62 t/m 94) en de Wilgstraat. Hoewel de partij is goedgekeurd, acht inspecteur De Bruyne van afdeling K (Duinrust en omgeving) ze niet geschikt voor de klus die deze bouwkundigen ermee willen uitvoeren. Goossen Reijnders moet de partij opnieuw laten keuren. Dat gebeurt bij Koning en Bienfait in Amsterdam (inkomsten voor de gemeente: 20 gulden/€ 9). Het proefstation concludeert, dat 'met een gemiddelde drukvastheid van 210 kg per kubieke centimeter, het resultaat voldoende is te achten om het materiaal, ook voor het gebruik aan den ten adresse bedoelden bouw, toe te laten'.
Wie niet echt blij zal zijn geweest met deze toestemming is de Vereeniging van Nederlandsche Baksteenfabrikanten. Zij had liever nieuwe stenen verkocht. Sinds 1914 (het begin van de Eerste Wereldoorlog) is er namelijk behoorlijk de klad gekomen in de jaarlijkse productie van zo'n 500 miljoen bakstenen. De afzet is zozeer verminderd, dat de vereniging de verkoop van metselstenen in een hand wil brengen middels de oprichting van één verkoopbureau. Tegelijkertijd kijkt de Haagse gemeenteraad met een brede glimlach de wereld in. "De invloed van de crisis is hier ter stede in het algemeen belangrijk geringer dan in Amsterdam en Rotterdam", meldt een woordvoerder van de gemeenteraad eind 1916. "Er is, ondanks de oorlog, sprake van een opmerkelijke verbetering".
Cijfers onderstrepen dat. Zo worden er in 1916 in Den Haag meer huizen neergezet dan in 1915 namelijk 1519 tegen 951. Het recordjaar 1912, met 1727 nieuwe woningen, begint weer in zicht te komen. En die stijging is vooral te danken aan particulier initiatief.

Frisse start

Voor Cor Fransdonk is liefde de drijfveer, al zal met de sterk gestegen huurprijs - met verhogingen van 75 tot 150 gulden per jaar (€ 34 tot € 68) - ook het financieel gewin, bij het neerzetten van deze portiek, een rol hebben gespeeld. Hij ziet de bouw als een frisse start, na alle ellende rond de ziekte van zijn vrouw Elisa, in de jaren daarvoor.
Cor is geen vreemde in de bouwwereld. Hij heeft, op eigen initiatief of samen met zijn vader Willem en zijn 3 jaar jongere broer Willem jr., al heel wat huizen in Den Haag gekocht en verkocht. Een voorbeeld is het pand aan de Visschersdijk 34 (later een onderdeel van de Torenstraat). Het als Fransdonk en Consorten opererende trio besluit in 1906 om de 4.50 m2 grond voor het perceel aan de gemeente af te staan voor de aanleg van een trottoir.
De uiting, rechts naast het trappenhuis, van het nieuw
gevonden levensgeluk.   Foto: Haags Nieuws Bureau
Aanstichter van deze handelsgeest is hun vader, want Cor is gelukkig met zijn koffiehuis, later café, in de Annastraat 9/9A, terwijl Willem jr. (net als zijn vader eerder) de kost verdient als vleeshouwer. Hij is werkzaam bij de firma P. van der Gugten in de Trompstraat 72. Cor en zijn eerste vrouw Elisabeth Sophia Lantrok (de jongste van zes kinderen) betrekken direct na hun huwelijk, op 10 april 1889, het pand in de Annastraat, nabij Paleis Noordeinde. Het is sinds maart 1870 eigendom van zijn ouders, die in gemeenschap van goederen zijn getrouwd. Als zijn moeder, Bernardina Herfkens, op 1 april 1905, op 67-jarige leeftijd overlijdt, krijgt Cor het pand (kadasternr: D1155, groot 50 centiaren, waarde f 5000,-/€ 2269,-) toegewezen. Hij is er zielsgelukkig met Elisa. Ze krijgen een zoon Willem Johannes (geboren op 23 februari 1890) die, zo blijkt later, ook graag in huizen handelt.
Bij de koop en verkoop van panden, maar ook bij het uitbaten van het koffiehuis/café, is duidelijk geworden, dat Cor erg goed met geld kan omgaan. Het is voor de Koninklijke Nationale Zangschool (opgericht op 17 september 1857 en in februari 1878 voorzien van het predicaat koninklijk) reden hem te vragen penningmeester te worden. Ook zijn broer neemt plaats in het bestuur. Het koor is erbij als op 17 november 1863 de eerste steenlegging plaatsvindt van het monument op Plein 1813. 'Op uitdrukkelijk verlangen des konings brengen de zangers en zangeressen het volkslied ten gehore', aldus een van de dagbladen. En bij het 40-jarig bestaan van het koor in december 1897 is bij de uitvoering in het gebouw Kunst en Wetenschappen niet alleen koningin Wilhelmina aanwezig, maar ook koningin-regentes Emma (als beschermvrouwe van deze zangschool) en prinses Elisabeth Waldeck. De sociaal en maatschappelijk bewogen Cor is 27 jaar als penningmeester aan de school verbonden. Bij zijn overlijden wordt gememoreerd hoe nauwgezet hij zijn functie vervulde. ''Alle jaarverslagen werden goedgekeurd".
Echt lang mogen Cor en Elisa niet van hun liefde genieten. Een zeer ernstige aandoening zorgt bij haar voor een langdurig ziekbed met veel ziekenhuisopnames. Ze overlijdt op 8 april 1908 in het Gemeente Ziekenhuis aan de Zuidwal in Den Haag. Elisa is dan 45 jaar.
Na haar dood heeft Cor het gevoel, dat ook zijn leven voorbij is. In een poging de draad weer op te pakken, besluit hij in juni 1908 te verhuizen. Aan de Annastraat kleven te veel herinneringen. H.C. Smits wordt de huurder. Hij voert een restauratie uit en heropent het café-biljart en proeflokaal voor Punch Uit Beertje in augustus 1908. Vier jaar later (in 1912) vestigt restaurateur Andreas Heinrich Friedrich Worch zich in de zaak. In 1915, wanneer de bouwplannen voor de Pijnboomstraat klaar liggen, verkoopt Fransdonk het pand aan deze kastelein, die er tot 1944 zaken doet. Hij deelt de opbrengst met zijn 25-jarige zoon (die inmiddels werkzaam is als gasfitter). De ex-koffiehuiseigenaar en caféhouder woont eerst op de Loosduinsekade 14. In 1911 trekt hij in bij zijn broer aan het Westeinde 203. Twee jaar later, wanneer hij Sien Gisolf heeft ontmoet, verhuist Cor naar de Loosduinsekade 104. Op hetzelfde adres woont, sinds 1911, Goossen Reijnders, die kort daarvoor is getrouwd met Maria van der Meent. Net als zijn vader Dirk, die in oktober 1900 met zijn gezin van 5 kinderen van Tiel naar het werk brengende Den Haag is verhuisd, is hij vast van plan het te maken als bouwkundige (en dat is nog een hele klus, want Den Haag telt in 1915, 146 officieel geregistreerde bouwkundigen). Goossen en Cor (beiden Nederlands Hervormd) kunnen goed met elkaar opschieten. Het ligt dan ook voor de hand, dat Fransdonk aan Reijnders vraagt om zijn bouwterrein aan de Pijnboomstraat van 4 are en 56 centiaren
Gevel van 1 portiek a/d Pijnboomstraat. Sectie: AN 489. Jaar: 1916. Tekening: Haags Nieuws Bureau
(kostprijs: f 7068,-/€ 3207,32) van huizen te voorzien. Als die klus op 1 augustus 1916 is geklaard (kosten: f 12083,-/€ 5483,-), ontwikkelen Cor en Sien plannen om op nummer 43 te gaan wonen. Het verhuren van de andere nummers blijkt geen enkel probleem. De eerste bewoners zijn David Berntrop (nr. 45), ingenieur bij de Octrooiraad, Leendert van Rhijn (nr. 47), Frans van der Laan (nr. 49), leraar M.O. boekhouden, Melchior Engelen (nr. 51), fabrikant en P. F. de Bordes (nr. 53). Waar Cor Fransdonk niet aan denkt, is dat ook in Den Haag de huizenbouw kan stagneren. De oorlog laat zich - zeker in 1917 - gelden. Zo wordt materiaal steeds duurder of is helemaal niet te krijgen.

Vocht

Als er door de bewoners van de nummers 49, 51 en 53 wordt geklaagd over de vocht doorlatende eensteensmuren aan de zuidwestkant, probeert Cor Fransdonk de gemoederen nog te sussen met de mededeling dat er binnenkort zal worden aangebouwd. De Bordes wacht daar niet op en vertrekt naar Parijs. De huur van 400 gulden per jaar wordt overgenomen door Gerard de Jongh, net als zijn vader, ambtenaar bij de hoofdadministratie van het Kroondomein. Als regen voor de zoveelste keer voor plekken op de muren zorgt, schrijft Frans van der Laan namens de bewoners van Pijnboomstraat 49, 51 en 53 in november 1918 een brief naar de gemeente. Wat hij echter heeft opgemerkt, is dat er eerder die week bouwmateriaal op het terrein naast zijn huis is neergelegd. "Mocht dit het begin zijn van den bouw van een belendend perceel, dan trek ik mijn klacht in", aldus Van der Laan.
Het materiaal heeft echter een heel ander doel. De Y.M.C.A. wil het terrein gebruiken voor het oprichten van een tijdelijk recreatiegebouw ten behoeve van Engelse krijgsgevangenen. Het van oorsprong Belgische bedrijf van Liebaert uit de Zeestraat 50 in Scheveningen krijgt toestemming om de houten barak neer te zetten. De bouwer ziet er uiteindelijk vanaf, waardoor de vrijstelling op 21/24 februari 1919 wordt ingetrokken.
De bewoners, die al snel begrijpen wat er naast hun deur gebeurt, blijven klagen. Reden voor Gemeentelijk Bouw- en Woningtoezicht om Cor Fransdonk op 10 december 1918 een brief te sturen (nr. 10035). Daarin stelt de dienst "dat tot nu toe geen voorzieningen zijn getroffen tegen den hinder van den invloed van vochtige weersgesteldheden. In het vertrouwen dat alsnog - binnen een maand - afdoende voorzieningen aan den zuidwest-buitenmuur worden getroffen, schort ik officiële behandeling in de vorm van een voorstel aan het College van Burgemeester en wethouders op'', aldus directeur Andreas Stoffels. Die brief helpt. Op 27 februari 1919 maakt een rapport duidelijk dat de zaak is afgehandeld.
Het trappenhuis. Door plaatsing trappen tweede
etage wordt ruimte gewonnen. Tekening: HNB. 
Cor Fransdonk en zijn vrouw verhuizen niet naar de Pijnboomstraat - te veel gezeur - en verhuren nummer 43 aan mevrouw Ch. Rapaport (een weduwe). Als Fransdonk in 1920 ernstig ziek blijkt te zijn - hij overlijdt op 26 oktober 1922 in het Gemeente Ziekenhuis aan de Zuidwal - verkoopt hij Pijnboomstraat 43 t/m 53 aan Anne Muntinga (zich noemend en schrijvend Jan Muntinga) en consorten (bouwkundige) en notaris Cornelis Kasteleyn. Het duo, dat ook panden bezit in onder meer de Beukstraat, Wilgstraat, Populierstraat en het Thomsonplein, ziet het als een geldbelegging en verkoopt het, bij het kadaster inmiddels tot AN 717 en AN 718 omgedoopte pand begin 1921 aan Pieter Cornelis Dirk Niekerk. Deze cuisinier heeft grootse plannen en maakt van nummer 43 deels een bedrijfspand. Dat doet hij door de voorzijkamer te verbouwen tot keuken omdat, zo verklaart hij later, "de gewone keuken te klein was". In het pand vestigt hij, onder de noemer Maison Niekerk, een 'koks affaire' ofwel een cateringbedrijf.
Die verbouwing gebeurt zonder toestemming van Bouw- en Woningtoezicht. Als vrienden hem vertellen over zijn illegaal handelen, schrijft hij, tweeënhalf jaar na dato, in november 1923, een brief naar de gemeente en stelt dat er ondanks de nieuwe indeling "nog genoeg woning over is. Het is een zeer ruim benedenhuis. Had ik geweten, dat ik er een vergunning voor had moeten aanvragen, dan had ik dat beslist gedaan. De personen die er nu wonen, een man, een vrouw en twee zeer kleine kinderen, hebben genoeg woonruimte. Er is een woonkamer, een zitkamer en dan wat vroeger de keuken was. En als het moet noch een groote tuinkamer. U mag ten alle tijden komen bezichtigen".
Wie er, na Niekerks verhuizing naar de Bezuidenhoutseweg 331, woont, is J.P.C. de Kriek en zijn gezin. Het is een van zijn koks. Nog geen maand later hoort Pieter dat er van gemeentewegen geen bezwaren zijn: 'want de woning blijft aan de betrekkelijke bepalingen der bouw- en woonverordening voldoen'.
Ondertussen zit er behoorlijk de klad in de groei aan Haagse woningen. Bouwkundige Albertus van der Zwan (hij woont op de Ieplaan 93) heeft op 9 januari 1923 toestemming gekregen om 17 percelen aan AN 717 aan te bouwen, maar ziet daar - vanwege het winstperspectief - vanaf. Zijn vergunning wordt op 5 oktober 1923 ingetrokken. Het duurt dan tot september 1925 voordat er nieuwe plannen ontstaan. Architect Hermanus Jan de Haas (35 j.) uit de Lijsterbesstraat 177 ontwerpt een huizen- en winkelblok voor AN 601 en AN 825 (hoek Ahornstraat). De bouw ervan is in handen van timmerman en aannemer Hendricus van Gent uit de Antonie Heinsiusstraat 84 in Den Haag. Het aanbouwen aan AN 718 gaat iets vlotter. In mei 1917 staan er vier benedenwoningen en acht etagewoningen.
Cuisinier Niekerk verkoopt AN 717 en AN 718 in 1936 aan Sibbeltje van der Meulen. Zij is de weduwe van Dirk Stronck Dzn, die als directeur van de NV Machinefabriek Katendrecht - hij neemt die rol over als zijn vader Dirk Stronck op 2 september 1920 op 77-jarige leeftijd overlijdt - geen slechte zaken heeft gedaan. De vrouw, die inmiddels in Zeist woont, kiest er in 1965 op 85-jarige leeftijd voor om de twee panden te splitsen in zes appartementen. Kadasternummer AN 717 wordt dan AN 4936 A1/A2/A3 en AN 718 wordt AN 4937 A1/A2/A3. In 1967 wordt besloten de appartementen van de hand te doen.



© Haags Nieuws Bureau 2016

vrijdag 8 januari 2016

Monument van Stedenbouw

'MONUMENT VAN STEDENBOUW' IN BOSJES VAN ZANEN


Onthulling laat een
jaar op zich wachten

door Hans Piët

DEN HAAG - Het is een bank die gekoesterd zou moeten worden. Deels omdat dit in art-decostijl uitgevoerde straatmeubel in de Bosjes van Zanen een prachtig tijdsbeeld neerzet. Tegelijkertijd onthult dit 'Monument van Stedenbouw' ook iets van de grote ambities, die de stad aan het begin van de vorige eeuw in haar greep hield.
De passant krijgt echter te maken met een zitbank in verval. Het bouwwerk, dat op zaterdag 1 juli 1933 om half vier 's middags door de Haagse wethouder van stadsontwikkeling, Machiel Vrijenhoek, werd onthuld, lijkt zijn functie als rustpunt compleet kwijt te zijn. Want, behalve dat een groot deel van de zitting ontbreekt, geven joggers en hondenbezitters de indruk het vooral een sta-in-de-weg te vinden.
Gelegen op een heuvel  aan de Van Ouwenlaan, in wat in de jaren dertig van de vorige eeuw nog Park Duinzicht heette, wachtte de bank een gouden toekomst. Helaas liep het vanaf het eerste moment anders.

Het 'Monument van Stedenbouw' in de Haagse Bosjes van Zanen is toe aan een opknapbeurt.
                                                                                                        Foto: Haags Nieuws Bureau.

Het in lichtbruin travertin uitgevoerde meubelstuk was een geschenk van de maatschappij tot exploitatie van onroerende goederen Laan van Meerdervoort aan de gemeente 's Gravenhage. Het bouwgrondbedrijf (opgericht in 1894) wilde daarmee de hechte samenwerking en de goede verstandhouding tot uitdrukking brengen. Om de onthulling van dit cadeau een extra feestelijk tintje te geven, werd in eerste instantie gekozen voor 3 april 1932, de tachtigste verjaardag van Laan van Meerdervoort-directeur en -oprichter Martinus Zanen. Hoewel die datum geruisloos passeerde, is de link wel - voor eeuwig - in de bank uitgehouwen. De officiële, in rundleer gestoken, oorkonde, die tijdens de onthulling werd overhandigd, vermeldt bovendien: "als herinnering aan zijn levensarbeid: de medewerking aan de ontwikkeling en de uitbreiding van 's Gravenhage, in samenwerking met het gemeentebestuur".
Die verstrengeling was het best zichtbaar in Stedelijk Belang, een maatschappij die zich bezighield met erfpachtkwesties, grond- en huizenexploitatie. Martinus Zanen was ook van dat gemeentelijk bedrijf, waarin maatschappij Laan van Meerdervoort voor 1/5 participeerde, de directeur.

Boekhouder

Dat 3 april 1932 zonder publieke festiviteiten passeerde, was te danken aan zijn zoon Hermanus Pieter Cornelis, de tweede directeur van maatschappij Laan van Meerdervoort. Als coördinator had de gewiekste boekhouder de tijd, die het in goede banen leiden van
Architectura met onder    
haar de Haagse bouw-    
 kunst. Foto: HNB.            
zo'n project kost, geheel onderschat. Want, ondanks dat het bedrijf de vier hectare grond van het openbare park aan de Residentie had geschonken, moest de gemeenteraad eerst beslissen of zij de zitbank wel wilde accepteren. De geschiedenis leert inmiddels dat Den Haag, ondanks haar vele groen, niet staat te springen om deze monumenten te plaatsen. Zo telt  de stad slechts vier van zulke meubelstukken. De oudste is de in september 1881 onthulde Verhuelbank. Het witmarmeren straatmeubel, in Griekse stijl, is terug te vinden in de Scheveningse Bosjes. Het ontwerp is van de heren Reinders en Looisen en beeldhouwer A. van Roon (kosten: 4000 gulden, € 1815,12). De zitbank is een ode aan jonkheer H.C.A. Ver-Hüell. Als raadslid en (meer dan 20 jaar) plantsoenbeheerder ging hij de ernstige werkloosheid van 1867 te lijf met het laten graven van de Waterpartij.
Schuin daar tegenover staat de op 24 december 1881 om drie uur 's middags aan de gemeente overgedragen Cremerbank. Dit ontwerp van architect H.P. Vogel is een herinneringsteken voor de populaire (van oorsprong Arnhemse) schrijver en dichter Jan Jacob Cremer. Het plaatsen van dit monumentale meubelstuk had heel wat voeten in de aarde. Zo wilde Den Haag de bank alleen maar in eigendom aanvaarden als de herdenkingscommissie de huur zou blijven betalen van de grond, die door de bank wordt ingenomen. In aanvang naar de voltooiing had diezelfde commissie al 1 gulden per dag stageld moeten neertellen. Gelukkig werd het geschil in der minne geschikt. Overigens zijn beide monumenten in de Tweede Wereldoorlog verplaatst en later herbouwd.
De Van Karnebeekbron, op de hoek van de Carnegielaan en de Scheveningseweg, stamt uit 1915. Ontworpen door Willem C. Brouwer werd hij in juni van dat jaar onthuld ter herinnering aan de opening van het (nabijgelegen) Vredespaleis.
De zogenoemde Zanenbank is de laatste aanwinst. Het voorstel tot aanvaarding door burgemeester en wethouders op 17 oktober 1932 werd unaniem genomen. Er was geen enkel woord van kritiek. In een toelichting staat, dat "de bank in park Duinzicht een aanwinst zal zijn en de aanbieding om die reden met erkentelijkheid wordt aanvaard".

Co Brandes

Het waren niet de minsten die zich met het tot stand komen van dit straatmeubel bezighielden. Hermanus Zanen koos voor architect Co Brandes (een van de belangrijkste architecten van de Nieuwe Haagse School) en beeldend kunstenaar Toon Dupuis (o.m. het beeld 'De Arbeider' op het Carnegieplein). Het duo ontwierp een bank met middenzuil. Het werk werd uitgevoerd door beeldhouwer Beck, terwijl het monument van zeven bij vier meter werd opgebouwd door aannemer L.P. van Brussel.
Dat Hermanus een bescheiden budget had gereserveerd voor het 'Monument van Stedenbouw', blijkt uit correspondentie. Zo schoof Zanen, wiens grootste uitdaging het was om de zitbank tot de onthulling geheim te houden voor zijn vader, een offerte van de Haagse firma Guisse en Delhalle, steenhouwerij, ter zijde omdat hij het bedrag van 3273 gulden (€ 1485,22) veel te hoog vond. Natuursteenhandelaar G. Keuzenkamp rekende voor dezelfde lichtbruine travertin 'slechts' 2515 gulden (€ 1141,26).

3 april 1932.  Een aandenken aan de tachtigste verjaardag van
directeur Martinus Zanen.           Foto: Haags Nieuws Bureau. 
Beeldhouwer Toon Dupuis kreeg te horen dat maatschappij Laan van Meerdervoort niet meer dan 500 gulden (€ 226,89) bereid was te betalen voor zijn ontwerp. "Indien u meent met genoemd bedrag een eenvoudige plastiek te kunnen maken, wil u mij dan dit vóór maart laten weten", aldus de brief van 26 februari 1932 aan de kunstenaar.
De uitdaging was te groot om hem zomaar te laten passeren. Met behulp van Dupuis kwam Brandes tot een middenzuil waarop een geïdealiseerd, hedendaags stadsbeeld gloort. Aan de onderzijde van de zuil zijn de villa's der buitenwijken te zien. Daar achter vindt de passant de bebouwing van de woonwijken die buiten het centrum van de stad liggen. Vervolgens toont zich de hoog oprijzende bebouwing van de moderne binnenstad, die zich, in haar onbegrensde hoogte, in de wolken verliest. Boven dat stadsbeeld is aan de rechterkant uitgehouwen de goddelijke figuur van Hermes, het koopmanschap uitbeeldend. Links toont zich Architectura, de vrouwenfiguur die de bouwkunst vertegenwoordigt. Beide figuren zijn een ontwerp van Toon Dupuis.

Declaratie

Zanen bleek niet snel tevreden. Pas het tweede ontwerp van Co Brandes kon zijn goedkeuring wegdragen. Dat neemt niet weg, dat de architect al zijn werkzaamheden in rekening bracht. Het werd een gepeperde declaratie. Voor zijn eerste ontwerp rekende hij 710 gulden (€ 322,18). Voor het tweede 846 gulden (€ 383,90). Aan het ontwerpen en het controleren van de uitvoering van het reliëf op de zuil hangt het prijskaartje van 300 gulden (€ 136,13). Het bedenken van een bronzen papierbak kostte 30 gulden (€ 13,61). Ook waren er drie oorkonden van zijn hand. Samen met het kalligraferen was dat een rekening van 120 gulden (€ 54,45). Voor algemene bemoeienis in zake de onthulling van het monument, het schrijven van de persberichten en het overleg met o.m. het gemeentebestuur en de politie rekende hij 40 gulden (€ 18,15). Het totaal: 2046 gulden (€ 928,34).


Rustig zitten in het monumentale meubelstuk is een stuk lastiger geworden.            Foto: HNB
Om de bezoeker van het 'Monument van Stedenbouw', ook na een regenbui, een prettig verpozen te bieden, werden de zitbanken aan weerszijde opgebouwd uit zilveren staven ''zodat het regenwater direct wordt doorgelaten". De zittingen werden geleverd door Van Gelder en Van Ginkel. Kosten: 520 gulden (€ 235,97). Deze fabriek van koper- en bronswerken leverde ook de papierbak (145 gulden, € 65,80) en de dekstukken voor de poten (30 gulden, € 13,61). De rekening van steenhouwer Keuzenkamp viel uiteindelijk hoger uit. Het met travertin opgetrokken monument werd voor het afgesproken bedrag van 2515 gulden geleverd. Daarbij kwam de prijs van de uit flagstones bestaande vloer van 304,30 gulden (€ 138,09) maar ook het werk van de op het laatst ingehuurde steenhouwer voor het hakken van sponningen. Hij was nodig, omdat de betonplaat per abuis was doorgestort. Samen met een hulpje had hij negenenzestig-en-een-half uur nodig om het werk te klaren. Kosten: 170,95 gulden (€ 77,57). Zo werd de totaalprijs: 3023,11 gulden (€ 1371,83).

Versmelten

Jammer blijft, dat van het oorspronkelijke bouwplan in het Benoordenhout, al snel weinig overbleef. Zowel de keuze van de heuvel als de zeer zorgvuldig uitgedachte plaatsing waren bedoeld om gebruikers van de bank optimaal te laten genieten van de vergezichten en de bospartijen. Om het straatmeubel te versmelten met die omgeving liep het bospad niet langs, maar door het monument. "Dat de open zijde noordwest ligt, maakt het gebruik van deze bank in de zomer tot een genot", vermeldt het originele persbericht. "De boomgroepen welke de bank aan de achterzijde omgeven, zorgen namelijk voor schaduw".
Al in 1937 strooiden bouwactiviteiten roet in het eten. Zo bleef er niets over van de trotse bewering van de Haagse gemeenteraad uit 1933, dat van het in totaal 78 hectare tellende gebied slechts 52 procent zou worden bebouwd. 
Martinus Zanen, die na de onthulling, ondanks zijn leeftijd en kwakkelende gezondheid onvermoeibaar als directeur doorging met het bouwen aan Den Haag, heeft nog zes jaar van het monument kunnen genieten. De 87-jarige overleed op 22 april 1939. Zijn uit het goede hout gesneden zoon Hermanus Pieter Cornelis wachtte vier jaar later een minder plezierig lot. Als lid van de zogenoemde Stijkelgroep, een spionagedienst die in de Tweede Wereldoorlog zeer voortvarend te werk ging met het verzamelen van militaire gegevens, werd hij in maart 1942 opgepakt. Op 4 juni 1943, 's morgens heel vroeg, werd Hermanus, samen met 31 kameraden, gefusilleerd in Tegel (nabij Berlijn). Hij werd 50 jaar. Een Duitse bewaker zou later opmerken, eerbied te hebben voor zijn waardige houding. "Het moet een groot volk zijn, dat zulke mensen voorbrengt".


© Haags Nieuws Bureau 2016