vrijdag 8 januari 2016

Monument van Stedenbouw

'MONUMENT VAN STEDENBOUW' IN BOSJES VAN ZANEN


Onthulling laat een
jaar op zich wachten

door Hans Piët

DEN HAAG - Het is een bank die gekoesterd zou moeten worden. Deels omdat dit in art-decostijl uitgevoerde straatmeubel in de Bosjes van Zanen een prachtig tijdsbeeld neerzet. Tegelijkertijd onthult dit 'Monument van Stedenbouw' ook iets van de grote ambities, die de stad aan het begin van de vorige eeuw in haar greep hield.
De passant krijgt echter te maken met een zitbank in verval. Het bouwwerk, dat op zaterdag 1 juli 1933 om half vier 's middags door de Haagse wethouder van stadsontwikkeling, Machiel Vrijenhoek, werd onthuld, lijkt zijn functie als rustpunt compleet kwijt te zijn. Want, behalve dat een groot deel van de zitting ontbreekt, geven joggers en hondenbezitters de indruk het vooral een sta-in-de-weg te vinden.
Gelegen op een heuvel  aan de Van Ouwenlaan, in wat in de jaren dertig van de vorige eeuw nog Park Duinzicht heette, wachtte de bank een gouden toekomst. Helaas liep het vanaf het eerste moment anders.

Het 'Monument van Stedenbouw' in de Haagse Bosjes van Zanen is toe aan een opknapbeurt.
                                                                                                        Foto: Haags Nieuws Bureau.

Het in lichtbruin travertin uitgevoerde meubelstuk was een geschenk van de maatschappij tot exploitatie van onroerende goederen Laan van Meerdervoort aan de gemeente 's Gravenhage. Het bouwgrondbedrijf (opgericht in 1894) wilde daarmee de hechte samenwerking en de goede verstandhouding tot uitdrukking brengen. Om de onthulling van dit cadeau een extra feestelijk tintje te geven, werd in eerste instantie gekozen voor 3 april 1932, de tachtigste verjaardag van Laan van Meerdervoort-directeur en -oprichter Martinus Zanen. Hoewel die datum geruisloos passeerde, is de link wel - voor eeuwig - in de bank uitgehouwen. De officiële, in rundleer gestoken, oorkonde, die tijdens de onthulling werd overhandigd, vermeldt bovendien: "als herinnering aan zijn levensarbeid: de medewerking aan de ontwikkeling en de uitbreiding van 's Gravenhage, in samenwerking met het gemeentebestuur".
Die verstrengeling was het best zichtbaar in Stedelijk Belang, een maatschappij die zich bezighield met erfpachtkwesties, grond- en huizenexploitatie. Martinus Zanen was ook van dat gemeentelijk bedrijf, waarin maatschappij Laan van Meerdervoort voor 1/5 participeerde, de directeur.

Boekhouder

Dat 3 april 1932 zonder publieke festiviteiten passeerde, was te danken aan zijn zoon Hermanus Pieter Cornelis, de tweede directeur van maatschappij Laan van Meerdervoort. Als coördinator had de gewiekste boekhouder de tijd, die het in goede banen leiden van
Architectura met onder    
haar de Haagse bouw-
kunst. Foto: HNB.            
zo'n project kost, geheel onderschat. Want, ondanks dat het bedrijf de vier hectare grond van het openbare park aan de Residentie had geschonken, moest de gemeenteraad eerst beslissen of zij de zitbank wel wilde accepteren. De geschiedenis leert inmiddels dat Den Haag, ondanks haar vele groen, niet staat te springen om deze monumenten te plaatsen. Zo telt  de stad slechts vier van zulke meubelstukken. De oudste is de in september 1881 onthulde Verhuelbank. Het witmarmeren straatmeubel, in Griekse stijl, is terug te vinden in de Scheveningse Bosjes. Het ontwerp is van de heren Reinders en Looisen en beeldhouwer A. van Roon (kosten: 4000 gulden, € 1815,12). De zitbank is een ode aan jonkheer H.C.A. Ver-Hüell. Als raadslid en (meer dan 20 jaar) plantsoenbeheerder ging hij de ernstige werkloosheid van 1867 te lijf met het laten graven van de Waterpartij.
Schuin daar tegenover staat de op 24 december 1881 om drie uur 's middags aan de gemeente overgedragen Cremerbank. Dit ontwerp van architect H.P. Vogel is een herinneringsteken voor de populaire (van oorsprong Arnhemse) schrijver en dichter Jan Jacob Cremer. Het plaatsen van dit monumentale meubelstuk had heel wat voeten in de aarde. Zo wilde Den Haag de bank alleen maar in eigendom aanvaarden als de herdenkingscommissie de huur zou blijven betalen van de grond, die door de bank wordt ingenomen. In aanvang naar de voltooiing had diezelfde commissie al 1 gulden per dag stageld moeten neertellen. Gelukkig werd het geschil in der minne geschikt. Overigens zijn beide monumenten in de Tweede Wereldoorlog verplaatst en later herbouwd.
De Van Karnebeekbron, op de hoek van de Carnegielaan en de Scheveningseweg, stamt uit 1915. Ontworpen door Willem C. Brouwer werd hij in juni van dat jaar onthuld ter herinnering aan de opening van het (nabijgelegen) Vredespaleis.
De zogenoemde Zanenbank is de laatste aanwinst. Het voorstel tot aanvaarding door burgemeester en wethouders op 17 oktober 1932 werd unaniem genomen. Er was geen enkel woord van kritiek. In een toelichting staat, dat "de bank in park Duinzicht een aanwinst zal zijn en de aanbieding om die reden met erkentelijkheid wordt aanvaard".

Co Brandes

Het waren niet de minsten die zich met het tot stand komen van dit straatmeubel bezighielden. Hermanus Zanen koos voor architect Co Brandes (een van de belangrijkste architecten van de Nieuwe Haagse School) en beeldend kunstenaar Toon Dupuis (o.m. het beeld 'De Arbeider' op het Carnegieplein). Het duo ontwierp een bank met middenzuil. Het werk werd uitgevoerd door beeldhouwer Beck, terwijl het monument van zeven bij vier meter werd opgebouwd door aannemer L.P. van Brussel.
Dat Hermanus een bescheiden budget had gereserveerd voor het 'Monument van Stedenbouw', blijkt uit correspondentie. Zo schoof Zanen, wiens grootste uitdaging het was om de zitbank tot de onthulling geheim te houden voor zijn vader, een offerte van de Haagse firma Guisse en Delhalle, steenhouwerij, ter zijde omdat hij het bedrag van 3273 gulden (€ 1485,22) veel te hoog vond. Natuursteenhandelaar G. Keuzenkamp rekende voor dezelfde lichtbruine travertin 'slechts' 2515 gulden (€ 1141,26).

3 april 1932.  Een aandenken aan de tachtigste verjaardag van
directeur Martinus Zanen.           Foto: Haags Nieuws Bureau.
 
Beeldhouwer Toon Dupuis kreeg te horen dat maatschappij Laan van Meerdervoort niet meer dan 500 gulden (€ 226,89) bereid was te betalen voor zijn ontwerp. "Indien u meent met genoemd bedrag een eenvoudige plastiek te kunnen maken, wil u mij dan dit vóór maart laten weten", aldus de brief van 26 februari 1932 aan de kunstenaar.
De uitdaging was te groot om hem zomaar te laten passeren. Met behulp van Dupuis kwam Brandes tot een middenzuil waarop een geïdealiseerd, hedendaags stadsbeeld gloort. Aan de onderzijde van de zuil zijn de villa's der buitenwijken te zien. Daar achter vindt de passant de bebouwing van de woonwijken die buiten het centrum van de stad liggen. Vervolgens toont zich de hoog oprijzende bebouwing van de moderne binnenstad, die zich, in haar onbegrensde hoogte, in de wolken verliest. Boven dat stadsbeeld is aan de rechterkant uitgehouwen de goddelijke figuur van Hermes, het koopmanschap uitbeeldend. Links toont zich Architectura, de vrouwenfiguur die de bouwkunst vertegenwoordigt. Beide figuren zijn een ontwerp van Toon Dupuis.

Declaratie

Zanen bleek niet snel tevreden. Pas het tweede ontwerp van Co Brandes kon zijn goedkeuring wegdragen. Dat neemt niet weg, dat de architect al zijn werkzaamheden in rekening bracht. Het werd een gepeperde declaratie. Voor zijn eerste ontwerp rekende hij 710 gulden (€ 322,18). Voor het tweede 846 gulden (€ 383,90). Aan het ontwerpen en het controleren van de uitvoering van het reliëf op de zuil hangt het prijskaartje van 300 gulden (€ 136,13). Het bedenken van een bronzen papierbak kostte 30 gulden (€ 13,61). Ook waren er drie oorkonden van zijn hand. Samen met het kalligraferen was dat een rekening van 120 gulden (€ 54,45). Voor algemene bemoeienis in zake de onthulling van het monument, het schrijven van de persberichten en het overleg met o.m. het gemeentebestuur en de politie rekende hij 40 gulden (€ 18,15). Het totaal: 2046 gulden (€ 928,34).


Rustig zitten in het monumentale meubelstuk is een stuk lastiger geworden.            Foto: HNB

Om de bezoeker van het 'Monument van Stedenbouw', ook na een regenbui, een prettig verpozen te bieden, werden de zitbanken aan weerszijde opgebouwd uit zilveren staven ''zodat het regenwater direct wordt doorgelaten". De zittingen werden geleverd door Van Gelder en Van Ginkel. Kosten: 520 gulden (€ 235,97). Deze fabriek van koper- en bronswerken leverde ook de papierbak (145 gulden, € 65,80) en de dekstukken voor de poten (30 gulden, € 13,61). De rekening van steenhouwer Keuzenkamp viel uiteindelijk hoger uit. Het met travertin opgetrokken monument werd voor het afgesproken bedrag van 2515 gulden geleverd. Daarbij kwam de prijs van de uit flagstones bestaande vloer van 304,30 gulden (€ 138,09) maar ook het werk van de op het laatst ingehuurde steenhouwer voor het hakken van sponningen. Hij was nodig, omdat de betonplaat per abuis was doorgestort. Samen met een hulpje had hij negenenzestig-en-een-half uur nodig om het werk te klaren. Kosten: 170,95 gulden (€ 77,57). Zo werd de totaalprijs: 3023,11 gulden (€ 1371,83).

Versmelten

Jammer blijft, dat van het oorspronkelijke bouwplan in het Benoordenhout, al snel weinig overbleef. Zowel de keuze van de heuvel als de zeer zorgvuldig uitgedachte plaatsing waren bedoeld om gebruikers van de bank optimaal te laten genieten van de vergezichten en de bospartijen. Om het straatmeubel te versmelten met die omgeving liep het bospad niet langs, maar door het monument. "Dat de open zijde noordwest ligt, maakt het gebruik van deze bank in de zomer tot een genot", vermeldt het originele persbericht. "De boomgroepen welke de bank aan de achterzijde omgeven, zorgen namelijk voor schaduw".
Al in 1937 strooiden bouwactiviteiten roet in het eten. Zo bleef er niets over van de trotse bewering van de Haagse gemeenteraad uit 1933, dat van het in totaal 78 hectare tellende gebied slechts 52 procent zou worden bebouwd. 
Martinus Zanen, die na de onthulling, ondanks zijn leeftijd en kwakkelende gezondheid onvermoeibaar als directeur doorging met het bouwen aan Den Haag, heeft nog zes jaar van het monument kunnen genieten. De 87-jarige overleed op 22 april 1939. Zijn uit het goede hout gesneden zoon Hermanus Pieter Cornelis wachtte vier jaar later een minder plezierig lot. Als lid van de zogenoemde Stijkelgroep, een spionagedienst die in de Tweede Wereldoorlog zeer voortvarend te werk ging met het verzamelen van militaire gegevens, werd hij in maart 1942 opgepakt. Op 4 juni 1943, 's morgens heel vroeg, werd Hermanus, samen met 31 kameraden, gefusilleerd in Tegel (nabij Berlijn). Hij werd 50 jaar. Een Duitse bewaker zou later opmerken, eerbied te hebben voor zijn waardige houding. "Het moet een groot volk zijn, dat zulke mensen voorbrengt".


© Haags Nieuws Bureau 2016