zaterdag 10 januari 2026

Dungelmann

Bewoners
uit de
Pijnboomstraat

Vlees met koninklijke goedkeuring

door Hans Piët

DEN HAAGDungelmann. Wie die naam noemt, krijgt bij een groot deel van de Hagenaars, met een glimlach op het gezicht, als antwoord: ‘Oh, die man van de broodjes kroket’. Het slagersbedrijf, dat zich begin november 1861 in de Hoogstraat 34 vestigt, weet in korte tijd een glanzende reputatie op te bouwen. Zo is de beter gesitueerde Hagenaar, vanaf het begin, zeer te spreken over de kwaliteit van zijn vlees en de voorlichting over het bereiden ervan door zijn als vaklui omschreven personeel. En dan zijn er aan het begin van de vorige eeuw ook nog die, zeker tegen de feestdagen, oogstrelende etalage-invullingen, zoals eind december 1939 dat bruidsboeket van spek. Het is een door Jacob Thomas Hiemstra, een leraar van de Eerste Nederlandsche Slagersvakschool in Utrecht, vervaardigd werkstuk met anjers.
Tijdens de zesde editie van de Slagersvakwedstrijd wordt deze leraar in de vleeshouwerij, het garneren en etaleren er eerste mee in de categorie sierstukken. De medaille wordt hem overhandigd door prinses Juliana. Na de aan die wedstrijd gekoppelde expositie in Utrecht siert het de etalage van Dungelmann in de Hoogstraat.
Dat de op 31 oktober 1838 in Rotterdam geboren Petrus Gregorius Dungelmann voor de Residentie kiest, heeft als simpele reden dat zijn vader Hendrikus Josephus Bernardus 
(23-02-1803) en zijn broer Jacobus Franciscus (16-05-1837) al winkels in spekslagerswaren in de havenstad hebben. Zijn jongere broer Hendricus Franciscus (04-11-1842) werkt bij zijn
P.G. Dungelmann sr.

vader in de zaak, die is gevestigd op de Visschersdijk 191. Het bedrijf van Jacob zit aan Hang 56, nabij de Grote Markt.
De oude Dungelmann, afkomstig uit de Duitse stad Kleef, is niet opgegroeid in het slagersbedrijf. Na zijn komst naar Nederland verdient de twintiger zijn brood in eerste instantie met het maken en installeren van houtconstructies. Hij heft die schrijnwerkerij, met het daaraan gekoppelde meubelmagazijn aan de Steiger (tegenover de Koornbeurs), op 16 november 1846 officieel op. Twee jaar later kiest hij ervoor winkelier in spekslagerswaren te worden en biedt zo’n kwaliteit dat hij al snel als ‘meester spekslager’ bekend staat. Henrich, vader van negen kinderen – zes zonen en drie dochters – overlijdt, 62 jaar en tien maanden oud, op 24 december 1866 aan zenuwzinkingkoorts (buiktyfus). Vijf maanden eerder is hij nog vader geworden van een zoon bij zijn derde vrouw Johanna Maria van der Werf. Hij is, zes maanden na de dood van zijn tweede echtgenote Hendrika Ticheloven op 30-jarige leeftijd, in augustus 1855 met haar getrouwd. Ook zijn eerste vrouw Alida Maria de Groot sterft jong. Bij haar overlijden op 14 november 1842 is ze 33 jaar.

Langeveld

Petrus Gregorius Dungelmann verhuist in 1861 naar de Residentie om op 1 november van dat jaar de zaak van Leonardus Langeveld in de Hoogstraat 34 over te nemen. ‘De ondergetekende heeft de eer zich aan zijne stadsgenoten aan te bevelen, zullende trachten het vertrouwen waardig te blijven dat de heer L. Langeveld zoo zeer mogt ten deel vallen’, is op 3 november 1861 te lezen in een mededeling in het Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage. Hoezeer hij daarin slaagt, mag onder meer blijken uit de koninklijke goedkeuring. Niet zelden komen leden van de koninklijke familie zoals koning Willem III, koningin-moeder Emma en koningin Wilhelmina persoonlijk langs om een keuze uit onder meer het braadvlees, de truffels, patés en de fijne vleeswaren te maken. Gevolg is dat prins Hendrik hem op 8 juni 1867 de titel hofleverancier verleend met de vergunning het koninklijk wapen te voeren.
Prent uit de reclamefolder ter viering van het
75-jarig bestaan.                Tekening: archief. 

Om nog meer kwaliteit te kunnen leveren, vraagt Dungelmann begin september 1887 vergunning aan voor het oprichten van een slachterij voor varkens en een vlees- en spekrokerij. Hij wil deze vestigen achter zijn winkel met een uitloop naar Papestraat 20. Er komt heel wat papierwerk aan te pas. Zo buigen onder anderen de adjunct-inspecteur voor het Geneeskundig Staatstoezicht Zuid-Holland, de opperbrandmeester en de inspecteur der Bouwpolitie zich over de vraag. Op 27 september laten ze weten de vergunning te verlenen. Er zijn wel voorwaarden. Zo moet de tot slachterij bestemde plaats worden voorzien van een ondoordringbare vloer. Het vuil en het afval moet dagelijks worden weggeruimd en het bloed moet behoorlijk worden opgevangen en verwijderd. Het slachten mag van de zijde van de openbare straat niet zichtbaar zijn. De rookkast dient geheel van steen te zijn. De schoorsteen van de rokerij moet zijn gemetseld, op zichzelf staan en tot een meter boven de nok van het dak van perceel Papestraat 18 zijn opgetrokken. Van de vergunning moet voor 1 februari 1888 gebruik worden gemaakt.
Hoewel geslaagd als zakenman kent hij op persoonlijk vlak minder geluk. Op 23 oktober 1861 met Johanna Zeegers getrouwd, krijgt het echtpaar in de loop der jaren tien kinderen van wie er acht overlijden. Henricus Josephus Bernardus na vier maanden op 27 mei 1865, Petrus Gregorius, waarbij in de krant wordt gesproken over een voorspoedige bevalling, na elf maanden op 12 maart 1868, Jacobus Franciscus na zes maanden op 25 juni 1870, Wilhelmus Nicolaas na vier maanden op 26 augustus 1872, Johanna Maria, vier jaar oud, op 18 november 1875, Petrus Gregorius op 7-jarige leeftijd op 1 december 1875, twee levenloze kinderen op 13 april 1877 en op 25 december 1879 en Johannes, 21 jaar oud, op 23 januari 1885. In leven blijven de op 9 februari 1866 geboren Henricus Josephus Bernardus en de op 13 mei 1876 geboren Petrus Gregorius. Harry trouwt op 19 december 1912 in Den Haag met Wilhelmina Cornelia Henneveld. Peter huwt op 5 oktober 1922 in Tilburg Johanna Geertruida Wilhelmina Schreinemacher.

Eerste bewoner

Na eerder te hebben gewoond aan het Noordeinde 93a, verhuist Peter in februari 1916 naar de Pijnboomstraat 17. Hij is de eerste bewoner van dit benedenhuis met tuin. Het pand maakt deel uit van een blok van zeven woningen, gesitueerd op de hoek met de Ieplaan.
Bouwtekening van de Pijnboomstraat 1 t/m 17. Peter Dungelmann en zijn vrouw Johanna wonen tot eind 1928 in het op de tekening linker benedenhuis.               Tekening: archief.











Vergunning voor de bouw onder kadasternummer AN 337 wordt op 14 augustus 1914 verleend aan George Theodorus Meijer, eigenaar van N.V. Bouwbureau G. Th. Meijer & Zn uit de Weimarstraat 278. De bedoeling is om, in samenwerking met timmerman Gerardus Vermeulen, de panden op te trekken maar deze haakt begin april 1915 af. Aardig detail is dat hij eind 1929 bij terugkeer uit Groot-Brittannië met vrouw en zoon in Pijnboomstraat 4b gaat wonen. Voor de eerste steen van de nieuwbouw kan worden gelegd, moet hij eerst worden getest bij het proefstation Koning & Bienfait in Amsterdam. Op 15 mei 1915 volgt de toestemming. De kalkzandsteen voldoet aan de drukvastheid van 271 kg en 251 kg per vierkante cm. Vastgelegd wordt dat de bouwkundige geen gebruik hoeft te maken van kalkzandsteen voor de fundering, de bouw- en binnenmuren, kolken en kelders. Dat geldt ook voor de achterwerkers (baksteen van zachtere kwaliteit die veelal achter de gevel wordt ingezet). Voorwaarden is wel dat voor de trasramen (harde steen om te voorkomen dat vocht vanuit de grond in het metselwerk trekt), sterke cementspecie wordt toegepast welke drooggemeten moet bestaan uit twee delen cement, vier delen scherpzand en ten hoogste een half deel schelpkalk. In juni 1915 vraagt Meijer aan directeur Andreas Johannes Maria Stoffels, directeur van het Gemeentelijk Bouw- en Woningtoezicht, te mogen afwijken van het oorspronkelijke plan. Het betreft het wijzigen van de indeling van de gevels van de drie meest oostelijk ontworpen percelen. De bouwer wil namelijk vier erkers aanbrengen, twee in de Pijnboomstraat, een erker aan het schuine gedeelte van het hoekpand 
P.G. Dungelmann jr.
en een erker aan de zijde van de Ieplaan. Stoffels ziet geen bezwaren. Er zijn wel voorwaarden. Zo mag de uiterste voorsprong van het grondvlak niet meer zijn dan 85 centimeter in verband met de lichttoetreding van de vertrekken onder de uitbouwsels. Ze mogen niet lager komen dan 3,35 meter boven het trottoir en de ramen van de erkers mogen niet buitenwaarts opendraaien. Bij het voltooien van de werkzaamheden doet Meyer een laatste aanvraag voor het oprichten van bergplaatsen voor brandstoffen achter de woningen. Toestemming volgt al wordt bepaald dat ze niet groter mogen worden dan vijf vierkante meter en niet hoger dan 2,25 meter.
Peter en zijn vrouw Johanna blijven er wonen tot eind 1928. Vervolgens gaat de huur over op de op 21 april 1871 in Almelo geboren Anton Jacob Hoogenkamp. De boekhouder en procuratiehouder, getrouwd met Sijtje Wortel uit Ursem, is vader van twee dochters. Het gezin, afkomstig uit Amsterdam, woonde sinds mei 1925 al aan de overkant van de Pijnboomstraat, op nummer 6a. Het echtpaar Dungelmann neemt op 11 april 1929 zijn intrek in het herenhuis aan de Mauvestraat 27, een zijstraat van de Benoordenhoutseweg. De nieuwbouw tegenover het Haagse Bos, onder kadasternummer P8607, is een ontwerp van architect Michiel de Mos jr. en wordt in augustus 1928 neergezet door Gerrit de Bas. De bouwkosten van deze ruime woning van 148 vierkante meter op een perceel van 199 vierkante meter schommelen rond de 8500 gulden (€ 3857). Behalve een voortuin met tuinmuur en hek heeft het pand ook een achtertuin waar een bergplaats is gevestigd. De huur bedraagt 1200 gulden (€ 544,54) per jaar.

Gedegen opleiding

De verhuizing geeft de status aan die beide broers inmiddels in Den Haag hebben verworven. Al op jonge leeftijd actief in het vak hebben ze, dankzij hun vader, een gedegen opleiding achter de rug. Als pa in 1899 op 61-jarige leeftijd van zijn pensioen wil gaan genieten, is het dan ook geen probleem aan de klant kwaliteit te blijven leveren. Wat niet wegneemt dat Peter sr. zijn zoons van advies blijft dienen tot zijn overlijden op 15 oktober
Mauvestraat 27.

1919 op 81-jarige leeftijd. Tegelijkertijd betekent het niet dat ze in een gespreid bedje 
terecht komen. Met de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog, waarbij de vleesprijzen rare sprongen maken, en de daaropvolgende crisis is het hard werken. Dat levert in 1918, het jaar dat de minister een slachtverbod uit-schrijft en drie maanden later de adviezen over de distributie van rundvlees negeert, het gerucht op dat het pand in de Hoogstraat verkocht gaat worden. Harry ontzenuwt het praatje met de mededeling ‘de zaak voort te zetten zolang de omstandigheden dit maar enigszins mogelijk maken’.
Om eenheid te scheppen in de slagerswereld is Dungelmann sr. in april 1891 nauw betrokken bij het oprichten van de Neder-landsche Slagersbond. Onder voorzitterschap van spekslager Eliza Marinus Susannus van Santen fungeert hij als penningmeester. Het is een rol die zijn zoon Harry in 1911 overneemt. Een van de eerste commissies die – met succes - door de Slagersbond wordt gestart is die ‘tot verbetering van het varkensras in Noord- en Zuid-Holland en Utrecht’. Harry is in augustus 1912 nauw betrokken bij het in het leven roepen van een commissie die het gebruik van haring als varkensvoer moet bestrijden. Vastgesteld is, dat duizenden vaten haring, welke vroeger als mest werden gebruikt, op dat moment als varkensvoer dienen. Gevolg is dat het vlees onsmakelijk wordt en daardoor onbruikbaar. Zelfs wanneer jonge varkens ermee worden gevoed, wreekt zich dat op de gemeste varkens. Er komt het verzoek aan de regering tegen dit euvel maatregelen te nemen. Uitvoer naar het buitenland komt namelijk in gevaar. In 1919 staat Harry vooraan om opnieuw bij de regering aan te dringen op de invoering van een algemene rijks keuring voor alle vee en vleeswaren in de meest uitgebreide zin. Hoezeer hij betrokken is bij die organiserende kant blijkt ook uit
H.J.B Dungelmann.

de vooraanstaande rol die hij – uiteindelijk 25 jaar - speelt in de ‘s-Gravenhaagsche Slagerspatroon Vereeniging, een organisatie met 120 leden. Verder heeft hij zitting in de Commissie van Beheer en van Redactie van de Slagerscourant en zet de kinderloos gebleven Harry zich volop in als secretaris-penningmeester bij de J.A. Schönthaler-stichting. Het is een organisatie die hulp biedt aan het zwakke dan wel noodlijdende slagerskind. Met inzamelingen, fancy fairs en acties wordt steeds weer gepoogd het geld bij elkaar te krijgen voor bijvoorbeeld een dagje uit, maar ook voor het op peil houden van de gezondheid van die kinderen. Hij kan zo goed met het merendeel opschieten dat ze hem liefkozend ‘Oom Harry’ noemen. Dungelmann, die na zijn penningmeesterschap in 1915 eerst ondervoorzitter van de Nederlandschen Slagersbond wordt, neemt twee jaar later het voorzitterschap op zich. Zijn kennis en betrokkenheid resulteren bij zijn aftreden tot de benoeming van erevoorzitter. Hij is de eerste die deze titel krijgt toegewezen. Harry, die met zijn vrouw Wilhelmina op Alexanderplein 22 woont, overlijdt, nadat hij ziek is teruggekomen van een reis naar Spanje, op 2 mei 1931 op 65-jarige leeftijd. Zijn vrouw laat op 18 april 1936, op 61-jarige leeftijd, het leven achter zich. 
  
Groei

Zijn broer Peter houdt zich tijdens zijn werkzame leven vooral bezig met het slagersvak. Het is, vanaf zijn dertiende jaar, zijn lust en zijn leven. Hoezeer hij heeft bijgedragen aan de groei van het bedrijf is mogelijk af te lezen aan het aantal geslachte varkens. Op het moment dat zijn vader van zijn oude dag ging genieten, waren dat er vier per week. Bij de uitvaardiging van het slachtverbod op 15 juli 1940, in eerste instantie in de provincies Noord- en Zuid-Holland en Utrecht, was dit aantal gegroeid tot ongeveer vijftig per week. 
Reclamekaart uit 1932.              Foto: archief.
In 1912 neemt hij, met instemming van zijn broer Harry, het initiatief achter de winkel een zouterij van spek en vlees op te richten. Echt eenvoudig is dat niet. Zo moet zo’n beetje de hele buurt toestemming 
geven. Ook postzegelhandelaar Willem Houtzamer uit de Papestraat 12. Hij laat schriftelijk weten geen bezwaar te hebben. Nadat de aankondiging veertien dagen ter visie is gelegd in kamer 7 van de gemeente-secretarie wordt er op 28 mei om elf uur in het raadhuis gelegenheid geboden mondeling en schriftelijk bezwaren in te brengen en toe te lichten. Geen buurtbewoner reageert. Ook dr. Johannes Gerard Maria Mastboom, voorzitter van de Gezondheids-commissie, en Willem van Boven, inspecteur volksgezondheid, hebben geen bezwaar. ‘De inrichting voldoet aan de eisen welke uit het oogpunt van hygiëne en reinheid daaraan kunnen worden gesteld’, meldt het rapport. Wat niet wegneemt dat er strenge eisen zijn. Zo moet de pekelbak waterdicht worden gehouden. De voor de afvoer van pekel bestemde riolering en kolk moeten in goede staat blijven en de meest mogelijke reinheid moet worden betracht. Goedkeuring volgt op 13 augustus 1912. Een afschrift van de kennisneming wordt verstuurd naar de directeur Gemeentelijk Bouw- en Woningtoezicht, de commandant van de brandweer, de hoofdcommissaris van politie, hoofdinspecteur Volksgezondheid voor Zuid-Holland en Zeeland en het hoofd van het 7e district voor het Stoomwezen. De waterdichte, van betonijzer vervaardigde zouterij is al sinds maart 1912 aan het werk.
De nieuwe indeling van de werkruimte met een door
elektromotoren gedreven vleesbewerkingsinrichting
en koelinstallatie.                       Tekening: Hans Piët
In maart 1930 neemt de firma vanuit hygiënisch oogpunt een betaalmachine in gebruik. Voordeel hiervan is dat het wisselgeld niet meer door de handen van het personeel gaat. Het glijdt namelijk uit de machine in het schepje dat ter linkerzijde is bevestigd. Om de beste kwaliteit te kunnen blijven leveren, wordt in juni 1931 in het deel van het pand waar de rokerij en zouterij van vlees en spek is gevestigd, een door elektromotoren gedreven vleesbewerkingsinrichting en koelinstallatie opgericht. Deze inrichting dient voor het afkoelen van vleeswaren in diverse koelcellen en het roken, zouten enzovoort van vleeswaren. In de koelcel is een pekelkoelerbuizensysteem te vinden waar de koude pekel door wordt gepompt door de centrifugaalpomp. Verder zijn er een worststopmachine, een gaskookfornuis, een gasbraadoven en een dampvanger te vinden. In de winkel wordt dat jaar een koelkast geplaatst. Een primeur voor Nederland is in december 1938 het geïnstalleerde systeem waardoor de afgesloten etalage in zijn geheel automatisch wordt gekoeld. Hierdoor is het dus niet langer nodig een koelkast met glazen voorwand te plaatsen.

Jubilea

Hoezeer het personeel het naar zijn zin heeft bij de firma Dungelmann, blijkt door de jaren heen uit de grote hoeveelheid jubilea. Zo viert Jacobus de Vette op 28 oktober 1921 zijn 25-jarig dienstverband. Behalve de gebruikelijke enveloppe is er de zilveren bondsmedaille van het bestuur van de Nederlandsche Slagersbond. Vijftien jaar later maakt de als ‘het grijze heertje’ bekendstaande De Vette veertig jaar vol. Inmiddels 72 jaar is de altijd even opgewekte als ijverige winkelbediende op drukke dagen nog altijd op zijn post achter de toonbank te vinden. Gevolg is, dat er klanten zijn die alleen door deze vader van vijf kinderen willen worden bediend. Als eerbetoon is er voor deze oudste werknemer van de firma een eremedaille in brons verbonden aan de Orde van Oranje-Nassau. Peter Dungelmann biedt hem een reisje aan. De in Wassenaar geboren Jacob neemt op 15 februari 1940, hij wordt die dag 75 jaar, definitief afscheid om van een welverdiende rust te genieten. Vijf jaar later, op 1 september 1945 overlijdt hij.
Op 10 augustus 1928 jubileert de uit het Duitse Niederreindorf afkomstige Albin Eduard Pfeifer. De vader van tien kinderen, inmiddels 67 jaar, is dan 25 jaar in dienst als vleeshouwer. Geprezen om zijn plichtbesef zijn er geschenken en de medaille van de Nederlandsche Slagersbond. Albin, getrouwd met de eveneens uit Duitsland afkomstige Maria Drost, genaamd Helling, met wie hij in 1887 in Den Haag is getrouwd, overlijdt op 91-jarige leeftijd op 26 december 1952. Wilhelmus Marinus Mesker is op 1 mei 1931 vijftig jaar in dienst bij het slagersbedrijf en ontvangt diezelfde maand de eremedaille verbonden aan de Orde van Oranje-Nassau voor zijn trouwe dienst. Hij is een bekende figuur in het
Haagse straatbeeld met zijn onafscheidelijke mandje. De vrijgezel, op 26 april 1866 geboren in 's-Gravenhage, overlijdt op 6 december 1940 op 74-jarige leeftijd. Op 1 februari 1934 is de bescheiden Johan Adolph Janusch 30 jaar in dienst. De eerste vijftien jaar als chef, vervolgens als bedrijfsleider. Op zijn verzoek blijft elke huldiging achterwege. De uit Kampen afkomstige spekslager overlijdt, 79 jaar oud, op 27 september 1952.
Ook in 1932 wilden de winkeliers de
bestelling op tijd weten. Foto: archief.
Op 10 november 1936 bestaat slagerij Dungelmann 75 jaar. Van een 
geruisloos passeren van deze mijlpaal is geen sprake. Peter heeft door middel van een advertentie laten weten die dinsdag gewoon open te zijn. Gevolg is een enorme toeloop van klanten. Binnen de kortste keren is de hele zaak gevuld met bloemstukken. Ook zijn er de nodige telegrammen. Een deputatie van de ’s-Gravenhaagsche Winkeliersvereeniging komt ’s middags langs. Toeval of niet, eerder dat jaar in april wint Dungelmann de eerste prijs tijdens de slagersetalage-wedstrijd voor Den Haag en omgeving. Wilhelm Klerx, de op 20 juni 1878 in Rheijdt, Duitsland geboren worstenmaker is op 14 februari 1938 vijfentwintig jaar in dienst bij de firma Dungelmann. Volgens zijn collega’s bezit hij een energie en werklust die bewondering afdwingt. Als chef worstenmaker krijgt hij tijdens de feestelijkheden een gouden horloge met ketting, een enveloppe en ook de onderscheiding van de Slagersbond uitgereikt. Hij overlijdt 68 jaar oud op 4 april 1947.  Simon Petrus Dekker, afkomstig uit een gezin met acht kinderen, is op 1 augustus 1950 dertig jaar verbonden aan de firma. De in Gouda geboren spekslager, wiens vader Cornelis Gerardus vleeshouwer was, viert op diezelfde dag zijn vierenvijftigste verjaardag. Bij klanten staat hij vooral bekend als artiest dankzij het op
Het aanbod voor een vrolijk kerstfeest
in 1938.                          Foto: archief.
kunstige wijze garneren en opmaken van diverse schotels. Aardig detail is, dat hij in dezelfde Van Lunterenstraat woont als Klerx. Hij op nummer 223, Wilhelm op nummer 163. Simon overlijdt op 19 januari 1969. Hij is dan 72 jaar.

Zestig jaar

Peter Dungelmann herdenkt op 13 mei 1949 dat hij zestig jaar tussen de fijnste paté’s verblijft. De slager jubileert in stilte ‘omdat de tijd er niet naar is om uitbundig te zijn’, zo meent hij. Bijna zeven maanden later, op 1 december van dat jaar, trekt hij zich terug uit de zaak. Een rustige oude dag is hem niet gegeven, want op 11 februari 1950 overlijdt hij onverwachts. Hij wordt 73 jaar. Dungelmann, die op 11 januari 1934 zijn eerste vrouw Johanna Schreinemacher heeft verloren, ze was vijftig jaar, is op 23 april 1940 met de 21 jaar jongere Wilhelmina Paulina Uriot getrouwd. Ook voor haar is het een tweede huwelijk na het verlies van de oorspronkelijk uit Tilburg afkomstige, maar in Den Haag wonende handelsreiziger Marinus Joannes Franciscus Schreinemacher. Aan deze ex-kapster de taak het pand en de firma van de hand te doen. Hoogstraat 34 wordt aangeboden als ‘een pand ter breedte van twee vensterassen, bestaande uit een parterre en twee verdiepingen. Een gesausde lijstgevel. Achttiende eeuw. Geprofileerde vensteromlijstingen. In de bovenste vensters vierruitschuiframen. Harmonieuze winkelpui uit het begin van de 20e eeuw. Gebouw van algemeen belang voor de gemeente ’s-Gravenhage wegens zijn architectuurhistorische waarde’. Dat laatste wordt op 20 februari 1984 door de gemeente bevestigd. Vanaf dat moment is het te vinden op de monumentenlijst van de stad. De man die interesse heeft in P.G. Dungelmann is vleeshouwer Stephanus Petrus van der Laan op 8 oktober 1906 geboren in Loosduinen. De vader van drie kinderen en getrouwd met Arnolda Maria Wilhelmina Josefina Douw, neemt het bedrijf in juli 1950 over en besluit niet veel later het voort te zetten onder de firmanaam P.G. Dungelmann.