Posts tonen met het label Den Haag. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Den Haag. Alle posts tonen

vrijdag 5 oktober 2012

Marike Jager


Zo mooi als de nacht

Concert van Marike Jager met: Marike Jager (zang, gitaar),
Henk Jan Heuvelink (toetsen, bas, gitaar, zang), Ruben 
van Asselt (drums, percussie, zang) en Geert Jonkers (diversen).
Gehoord: 4 oktober 2012. Theater De Regentes, Den Haag. 
Nederlandse tournee 'Here comes the night' tot begin december 2012.

door Hans Piët

Er waren veel ontwapenende momenten tijdens het try-out concert van Marike Jager in Theater De Regentes in Den Haag. Zeker als de liefde onderwerp was. Hoogtepunt in de reeks vormde, tegen het einde, de glimlach op het gezicht van de Nederlandse singer-songwriter. Het uitbundige, staande  applaus van de maar matig gevulde zaal deed haar bijna letterlijk zweven. Ze genoot volop en moest constateren dat het eigenlijk te lang geleden was dat ze die blijk van waardering had ontvangen.
‘Vaker optreden’ zou de nuchtere Hagenaar opmerken. Alleen... er is zoveel meer in het leven dan de warmte van die schijnwer-pers. En gezien de Haagse belangstelling is het maar de vraag of theaters blijvend vol-stromen. Vooralsnog lijkt de keuze voor een ruim twee maanden durende 'Here comes the night'-theaterserie (ook artistiek) voldoende. Duidelijk werd wel, dat er sprake is van een gemiste kans voor wie er donderdag 4 oktober niet bij was. Marike en haar drie begeleiders (van wie er één – Geert Jonkers – alleen in instrumentarium aanwezig is) weten een publiek probleemloos te betoveren. Maar, waarschijnlijk wil de Hagenaar niet worden meegezogen in die muzikale, fantasieprikkelende verhalen. Het is immers crisis. Tenminste dat wordt steeds verteld. En voor de hippe Hagenees ontbreekt bij Marike de monotonie. Zoveel schoonheid, gevat in liefderijke luisterliedjes, kan hij gewoon niet aan. Het gevolg was, dat alleen de echte Haagse muziekliefhebber zich bij de kassa van het door sluiting nog maar even functionerende, Haagse theater meldde. Toch zo’n honderd man die, opvallend genoeg, allemaal werden geboren in een periode dat muziek en haar emotionele kracht een eenheid vormden. Jonger dan 35 jaar was afwezig.

Verhalen

Bij Marike Jager gaat het om haar muzikale verhalen.  Ze krijgen op het podium een speelse bewerking die naar meer blijft smaken.
Natuurlijk, het was een try-out, maar wat minder spraak en wat meer muzikale improvisaties zou het concert ten goede komen. Uiteindelijk zit het publiek in de zaal voor de composities en blijft het zuur dat het wegdromen steeds wordt verstoord door verhalen die weliswaar aardig zijn, maar tegelijkertijd geen wezenlijke bijdrage leveren, anders dan dat ze een inkijkje bieden in het leven van Marike. Het blijft leuker om te horen hoe materiaal van parels als ‘The beauty around’ en ‘Celia Trigger’ worden gevangen door het moment. De bewerking verlenging krijgt omdat de omgeving inspireert. Aan instrumentale vaardigheid ontbreekt het in elk geval geen moment bij zowel Marike, als Henk Jan Heuvelink en Ruben van Asselt. Het verrassingselement blijft groot.

Jonkers

Wat het uitgelaten en ingetogen optreden, met een nachtelijke sfeer mede dankzij de summiere belichting,  een bijzondere tint geeft, is de inbreng van audiomachinist Geert Jonkers. Zijn uitzonderlijke, zelf ontworpen, veelal mechanische instrumenten geven de composities nog meer kleur. Bovendien dragen ze bij aan de opmerkelijke, visuele aankleding van het concert. ‘Wat een zooitje’ is namelijk de eerste gedachte bij het aanschouwen van het podium. Totdat het water, het fietswiel en de pijpen tot leven komen en de ontdekkingstocht – wat zijn dat voor decorstukken – zijn geheimen onthult. En dan blijkt ook, dat een jerrycan een toepasselijk ritme-instrument is.
Het ruim anderhalf uur durende concert krijgt een conceptachtige opzet doordat het titelnummer van de laatste cd ‘Here comes the night’ zowel het in- als het outro van het optreden vormt. Tegelijkertijd ontstaat bij de laatste tonen van de toegiften een gevoel van heimwee. Was elke nacht maar zo mooi.

© Haags Nieuws Bureau 2012

 


woensdag 23 juni 2010

Betaald parkeren

DEN HAAG KWAM IN 1935 ALS EERSTE GEMEENTE MET PARKEERGELDHEFFING

Wethouder van verkeer
ontwricht sociaal leven

door Hans Piët

DEN HAAG – Met het invoeren van betaald parkeren in heel Den Haag hervat Peter Smit, wethouder van verkeer (VVD), een oude traditie. Vijfenzeventig jaar geleden, om precies te zijn op maandag 20 mei 1935, nam de Haagse gemeenteraad een verordening aan die inhield dat iedere automobilist jaarlijks 12 gulden (ofwel € 5,45) moest betalen voor het stallen van zijn voertuig voor huis of bedrijf. Wie 20 gulden (€ 9,08) afdroeg mocht ook gratis gebruik maken van de in de stad gelegen parkeerterreinen.
Den Haag was daarmee de eerste gemeente in Nederland die een parkeergeldheffing instelde. Wat opvalt, is dat ook in die periode sprake is van een economische crisis. Een verschil is, dat enige protesten van betekenis tegen dit zogenoemde slaapparkeren nu uitblijven. In de twee jaar voor de invoering waren het vooral de K.N.A.C. (Koninklijke Nederland Automobiel Club) en de ANWB die steeds opnieuw juridische stappen ondernamen om de rechtsgeldigheid te toetsen. Zo bleek de maatregel in strijd met artikel 41 der motorrijtuigenbelasting, mede doordat Den Haag er een belastingverordening van wilde maken. Naleving ervan zou gecontroleerd gaan worden door belastinginspecteurs. Wettelijk was echter vastgelegd dat ‘buiten de motorrijtuigenbelasting geen andere belasting ter zake van het rijden door automobilisten mocht worden geheven’. Den Haag kreeg echter (tijdelijk) toestemming van de Kroon. Tijdens die strijd omschreef de K.N.A.C. de belasting als “een groot gevaar voor een gezonde ontwikkeling van het automobilisme”. Een rekensom had namelijk geleerd, dat de verschillende overheden bijna 500 gulden (€ 226,89) per auto aan belastingen ontvingen.

Ontwricht

Anders dan 75 jaar geleden, zo wijst onderzoek uit, is dat de (belasting)maatregel, die op 1 juli 2010 in de Bomenbuurt, als een van de laatste Haagse wijken, wordt ingevoerd, het sociaal leven in de stad enigszins ontwricht. Hoewel een dwarsdoorsnede van de Haagse inwoners werd ondervraagd, kan de analyse niet als representatief gelden omdat niet meer dan 30 Hagenaars waren betrokken. Een van de opvallende kenmerken is echter, dat ongeveer de helft van de ondervraagde autobezittende inwoners aangaf veel minder de deur uit te gaan dan voorheen. Zo worden bezoeken tijdens verjaardagen en feestdagen steeds vaker overgeslagen. Het spontaan even langsrijden, lijkt helemaal afgelopen. Parkeergeld en –druk dienen daarbij, bij zowel het bezoek aan familie als vrienden, die niet op loopafstand wonen, als argument. Uiteindelijk kan de bezoekerspas maar een keer worden ingezet. En de bewonersvergunning geldt, anders dan in de jaren dertig, alleen in de eigen buurt. Dit blijkt vooral een probleem in wijken waar de parkeerdruk met het invoeren van het slaapparkeren niet is afgenomen. “Wie zijn auto niet in de eigen buurt kwijt kan en daarom uitwijkt naar een nabijgelegen rayon, krijgt een bekeuring als bij controle blijkt, dat een kaartje uit de automaat ontbreekt ”, bevestigt persvoorlichter Lia Bos.
“Een moderne techniek als skype, waarbij je via de webcam kunt praten, is een alternatief voor de (sociale) armoede die is ontstaan, maar haalt het niet bij een avondje gezellig met elkaar doorzakken”, is een van de reacties op het teruggelopen familiebezoek. Maar bijvoorbeeld ook restaurants, die in hun buurt het betaald parkeren zagen komen, hebben, door de bank genomen, minder gasten.

Kleingeld

Wat de meeste mensen steekt, is de contradictie met het veiligheidsbeleid van de gemeente. “Je moet altijd kleingeld op zak hebben, en niet weinig, want bij de automaat met je pas betalen is in veel gevallen onmogelijk. Hoe bedoel je, dat dit de 21e eeuw is”, laat een van de ondervraagden geërgerd weten.
Waar veel mensen tevens verbolgen over zijn, is het exuberante bedrag (€ 420), dat voor de tweede auto binnen een gezin, moet worden neergeteld. “Als man en vrouw beiden een baan hebben, kan dat bedrag mogelijk worden gedeclareerd, maar waar haalt een bij zijn ouders wonende zoon of dochter, met een baantje in het weekeinde, dat geld vandaan? Bovendien, als dat de derde auto binnen het gezin is, valt deze buiten de verkrijgbare vergunningen”, luidt een van de reacties. “Daar moet dus zeven dagen per week, gedurende de parkeertijd (veelal tussen 18.00 en 24.00 uur), voor worden betaald”.
Een rondgang langs Haagse makelaars leert, dat het invoeren van betaald parkeren - in de afgelopen twee jaar - slechts zelden reden is om het koophuis van de hand te doen. “Het komt voor, maar een trend is het zeker niet”. Ook blijkt het nauwelijks van invloed op het kopen van een pand. “Betaald parkeren wordt niet altijd als negatief ervaren, mede doordat de vergunning, in vergelijking met bijvoorbeeld Amsterdam, erg laag is. Vooral mensen die beiden werken en pas ’s avonds thuis komen ervaren de invoer als een zegening, zeker als het huis aan een gebied grenst waar betaald parkeren al van kracht is. Ze merken dat ze niet meer vier keer door de wijk hoeven te crossen om hun auto kwijt te raken”, aldus de makelaars.

Ergernis

Dat het betaald parkeren niet altijd ontlast, mag als grootste ergernis gelden. Woede is er dan ook over de nogal kromme redenering van Hoofd Parkeren, Anita Vos-Tijdhof. Zij laat in een schrijven aan bewoners weten: “Er zijn nog altijd meer auto’s dan parkeerplekken in de stad. Betaald parkeren zorgt ervoor dat er meer plekken beschikbaar zijn voor u als bewoner”.
Dan lijken de motieven van de wethouder van Verkeer edelmoediger. Net als het gemeentebestuur in de jaren dertig van de vorige eeuw, vindt Peter Smit, dat “het blik op straat te veel domineert”. Hij wil vooral toezien op het behoud van de kwaliteit van de openbare ruimte. In zijn visie zouden Hagenaars hun auto moeten wegdoen en gebruik moeten maken van fiets of openbaar vervoer. Een inzicht waarvoor ook in de jaren dertig (een achteraf heilloze) strijd is gevoerd.
Smits toekomstvisie op het faciliteren van de parkeerbehoefte is vastgelegd in 'Parkeerkader Den Haag 2010 – 2020'. De strekking van die nota lijkt al in de jaren dertig van de vorige eeuw geformuleerd. Wie boze opzet vermoedt, zou zelfs kunnen concluderen dat de verslagen van de gemeenteraad uit 1935 als leidraad hebben gediend. Uitgangspunt dit keer is, dat 's Gravenhage een aantrekkelijke internationale stad blijft om te wonen, te werken, te winkelen en te recreëren.

Parkeerdruk

Den Haag (waar 46 procent van haar inwoners geen auto heeft en onderzoek uitwijst dat het voertuig 80 procent van haar tijd stilstaat) wil, anders dan in de jaren dertig, de inkomsten ook daadwerkelijk voor het verminderen van de parkeerdruk gebruiken. In 'Parkeerkader Den Haag 2010 – 2020' valt (gestaafd met statistieken) te lezen welke plannen er zijn met het geld. Zo is er € 120 miljoen nodig, onder meer om de groei in parkeerplaatsen (zo'n 4000 in de komende periode) te kunnen oplossen. De gemeente denkt met het invoeren van betaald parkeren burger en reiziger te prikkelen bewuster te kiezen voor de auto of een ander vervoermiddel. Bovendien biedt het huishoudens met een eigen terrein een impuls de auto niet op straat te zetten. Hierdoor vermindert de parkeerdruk, is het idee (al merken ze daar in bijvoorbeeld het Belgisch Park weinig van). Wat de economische gevolgen zijn, moet nog blijken. Het invoeren van betaald parkeren in de badplaatsen langs de kust zorgde in de tweede helft van de jaren dertig voor een schrikbarende daling van het aantal bezoekers. Dit was dan ook een belangrijke reden om begin jaren veertig in te stemmen met het besluit van de minister van Binnenlandse Zaken nog slechts parkeergeld te heffen bij parkeerterreinen. Spelbreker dit keer in Scheveningen zou de opknapbeurt kunnen zijn die de badplaats de komende drie jaar ondergaat.
De motieven voor het invoeren van parkeergeld lagen aan het begin van de vorige eeuw anders. Den Haag zag het vooral als een welkome, extra bron van inkomsten of, zoals wethouder Quant het verwoordde: “het zijn niet te versmaden baten”. Het gemeentebestuur zag het in eerste instantie als een compensatie voor de gedwongen vermindering van de vermakelijkheidsbelasting met 35000 gulden (bijna 16000 euro) per jaar. “Mensen die er een gewoonte van maken het voertuig voor of in de omgeving van hun woning, kantoor, fabriek, winkel, magazijn, werkplaats of garage te zetten, moeten hiervoor betalen”, zo werd tijdens de gemeenteraadsvergadering, begin mei 1935, geopperd. Tegengas werd gegeven met een opmerking, die eigenlijk niets aan actualiteit heeft ingeboet: “als eenmaal het principe ervan is aangenomen, vormt het geen beletsel meer het geld steeds te verhogen”. Of dat gebeurt, moet de toekomst uitwijzen.

© Haags Nieuws Bureau 2010