zondag 12 juli 2026

Vissershuisjes

 

De woonomstandigheden uitgelicht

De armoede in
Scheveningen

door Hans Piët

SCHEVENINGEN - Armoede. In het Scheveningse vissersdorp droop het er aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw aan alle kanten vanaf. Een wel heel erg pijnlijk voorbeeld vormt de bewoning in de Heemraadstraat, een naam die in 1886 werd gekozen, vermoedelijk naar de aanwezige Heemraadslag, een gebouwtje van de Heemraden van Delfland. In die straat zitten in een doodlopend slop met de nummers 78 tot en met 100 (even nummers), twaalf gezinnen met 45 kinderen, samengepakt. Ook nu laat de gemeente, onder de noemer gebrek aan woonruimte, mede dankzij een explosieve bevolkingsgroei, zich van haar beste kant zien. Er wordt helemaal niets ondernomen.
Een aanzet tot actie volgt pas in 1910 wanneer de 42-jarige reder en vishandelaar Jacobus Johannes van der Zwan aangeeft zijn bokkingrokerij, gevestigd aan de Badhuisstraat 61g, te willen uitbreiden. Om daar de ruimte voor te verkrijgen, wil hij de steeg met visserswoninkjes, het er tussen liggende pad en de drie woningen die aan de Heemraadstraat liggen (de nummers 78, 80 en 106) kopen. Met het slopen van die krotten krijgt de vader van tien kinderen, die op 15 oktober 1890 is getrouwd met Adriana Letsch, hiervoor de benodigde ruimte.

Een inkijk vanaf de straat in de doodlopende slop van de Heemraadstraat 78 t/m 100 (even nummers) in Scheveningen.                Foto: Haags Gemeente Archief.



Die mogelijke koop is voor de directeur van Bouw- en Woningtoezicht, de op 2 augustus 1860 in Amsterdam geboren Andreas Johannes Maria Stoffels, die met zijn in Warschau geboren vrouw Maria Weiler en twee kinderen aan de Statenlaan 64 woont, aanleiding aan hoofdcommies Gerrit van Meeuwen, chef van de afdeling Openbare Werken, te vragen ze te inspecteren. Mogelijk zijn de vissershuisjes, nadat een recent onderzoek duidelijk heeft gemaakt dat er op korte termijn minimaal 600 nieuwe woningen in Scheveningen nodig zijn maar de behoefte belangrijk groter is, in zo’n staat dat ze beter behouden kunnen blijven. Het rapport van de uitvoerend inspecteur, dat op 18 juli 1910 verschijnt, vertelt een ander verhaal. Hij doet het voorstel ze onmiddellijk onbewoonbaar te verklaren. Die aanbeveling volgt op wat hij aantreft bij de in het slop gelegen éénkamerwoningen met zolder. De drie panden aan de Heemraadstraat hebben behalve een woonkamer een apart keukentje. Hij constateert dat de oppervlakten van de vertrekken onvoldoende zijn en voor een behoorlijke bewoning ongeschikt. Zo zijn de afmetingen, na aftrek van de bedstede, voor het perceel nr. 80 net 10,30 m2, voor de nummers 88 tot en met 98 11 m2, 11,78 m2 en 11,40 m2. Het oppervlak van de overige woningen is 11,85 m2. De verdiepingshoogte van de percelen 78 en 80 is 2,90 meter, van perceel 106 is het 2,85 m en bij de overige woningen slechts 2,45 á 2,60 meter, gemeten vanaf de begane grondvloer tot aan de onderkant van de zoldering. Plafonds zijn in de huisjes niet aanwezig en bij de nummers 88 tot en met 98 ontbreken toegangsportalen. Het bereiken van de zolder is elke keer opnieuw levensgevaarlijk. Zo is er in de percelen 88 tot en met 98 slechts een losse trapladder aanwezig. In de andere woningen is sprake van een zeer steile vaste trapladder.
 
Vocht
 
De huisjes, die elk een waterkraan van de duinwaterleiding hebben, zijn stuk voor stuk zeer vochtig. Dit komt door doorslaande muren en onvoldoende en slecht afgewerkte trasramen. Bovendien zijn de stenen grondvloeren, die op gelijke hoogte liggen met de bestrating van het slop, zo beroerd geconstrueerd dat het vocht uit de bodem niet wordt gekeerd. Gevolg is, dat het de vochtigheid in de woningen alleen maar bevordert. De pannendaken zijn minstens zo ondeugdelijk aangelegd, waardoor ze geen volledige afsluiting bieden tegen wind, water en sneeuw. Pijnpunt is ook dat de ramen te klein zijn om voldoende licht in de woningen te bieden.

De slop aan het begin van de vorige eeuw gezien vanaf de andere kant, waarbij
 de vervallen aard van de huisjes en wc's nog beter zichtbaar is.     Foto: archief.



Voor de twaalf huisjes in het slop zijn vijf privaten beschikbaar. Het gaat hier om een tonnenstelsel. Behalve dat ze in zeer slechte staat verkeren, bij twee ontbreekt een deur, zijn ze uit het oogpunt van welvoeglijkheid en welstand zeer ongunstig geplaatst. De woningen met nummers 78, 80 en106 hebben elk een eigen privaat, welke direct vanuit de keuken wordt bereikt. Deze wc’s zijn wel op de riolering aangesloten, Probleem is echter dat die afvoer zeer slecht functioneert en er regelmatig verstopping zijn, waardoor veel stank wordt verspreid die in het slop blijft hangen.
De inspecteur concludeert, gezien de onderhoudstoestand van de woningen, dat de percelen in hoge mate in strijd zijn met de meest dringende aan een arbeiderswoning te stellen eisen. Het is onmogelijk ze door verbeteringen in een bewoonbare staat te brengen. Het zou neerkomen op nieuwbouw. Directeur Stoffels, die het rapport, met zijn handtekening, naar de gemeenteraad stuurt, voegt eraan toe dat burgemeester en wethouders, om aan de wet te voldoen en om toestemming te krijgen van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, het advies van de Gezondheidscommissie moeten inwinnen voordat tot het onbewoonbaar verklaren kan worden overgegaan.
  
Verenigen
 
Dr. Johannes Gerard Maria Mastboom, die in 1884 vanuit Roosendaal naar de Residentie is verhuisd en als arts in het rooms-katholiek ziekenhuis werkt, laat op 3 november 1910, als voorzitter van die Gezondheidscommissie van ’s-Gravenhage, aan B&W weten: “Wij hebben de eer u te berichten dat wij ons geheel kunnen verenigen met de beschrijving van de toestand der percelen, gelijk die voorkomt in het bedoelde schrijven van de directeur van Bouw- en Woningtoezicht. Ook onze commissie is van mening dat deze woningen niet door het aanbrengen van verbeteringen in de zin van de Woningwet, zoals bedoeld in artikel 18 1e lid, in bewoonbare staat zijn te brengen en mitsdien onbewoonbaar behoren te worden verklaard”.
Een dag later nemen burgemeester en wethouders deze beslissing voor de woningen, met kadasternummers AG 935, 936, 937, 940, 941, 943, 944, 945, 947 tot en met 953. Het officiële raadsbesluit volgt op 21 november 1910. Die dag gaat er naar de bewoners een schrijven dat de vermelde percelen binnen de tijd van zes maanden, gerekend vanaf het raadsbesluit, moeten zijn ontruimd ofwel voor 21 juni 1911.
Voor Jaap van der Zwan is het reden de onderhandelingen met de acht eigenaren, de familie De Niet, te starten. Het gezin heeft de percelen al lange tijd in bezit. Ze werden indertijd (begin 1800) gekocht door opa Arie de Niet. Hij liet het woonproject na aan zijn op 30 november 1835 geboren zoon, koopman en reder Arie, die met zijn twee jaar jongere vrouw Jaapje Verbaan en zijn kinderen aan de
Plattegrond van het slop met de indeling van de
huisjes in de Heemraadstraat. Tekening: archief.
 Badhuiskade 13 woonde. Dat zijn vader het aan hem naliet, zijn de omstandigheden. Hij is de enige overgebleven zoon uit een gezin van zeven kinderen. Onderhandelingen over de koop worden gevoerd door de 48-jarige zoon van Arie, dr. Daniël de Niet, die aan de Johan van Oldenbarneveldlaan 5 woont. De op 7 augustus 1864 geboren zoon, reder Gerardus Martinus de Niet, die is getrouwd met de op 18 maart 1870 geboren Jacoba Johanna Francisca Varkevisser, vertegenwoordigt de belangen van de eigenaren in de onderhandelingen met de gemeente. Zo stemt hij erin toe zich aan artikel 16 van de Woningwet te houden en verschillende verbeteringen aan te brengen zoals het weer in orde maken van de privaten en het herstellen van de gebrekkige riolering. Hij vat het samen in een brief die hij op 2 juni 1911 naar de gemeente stuurt. In datzelfde schrijven vraagt Gerard of de ontruimingsperiode met zes maanden kan worden verlengd. Het blijkt namelijk voor het merendeel van de bewoners onmogelijk woonruimte te vinden met eenzelfde huurprijs. Twaalf huisgezinnen betalen nu 1 gulden en drie huishoudens 1 gulden en vijftig cent per week. Door die verlenging wordt dat probleem even opgeschoven en dat komt vooral de gemeente goed uit. De ambtenaar, die de onderhandelingen leidt, bekent later dat hij die verlenging van de ontruimingstermijn bij Gerard heeft uitgelokt. Zo houdt hij vol dat zo’n verzoek, door alleen de bewoners gedaan, op bezwaren stuit.
Op 1 juni 1912 is de koop van de zestien onbewoonbaar verklaarde vissers-woningen aan de Heemraadstraat rond. Het kost rederij J.J. van der Zwan vervolgens weinig moeite bij de gemeente toestemming te krijgen voor de uitbreiding van de rokerij. Het bestaande plan geeft aan dat AG 943, 944 en 945 geheel en AG 946, 952 en 953 gedeeltelijk bij de rokerij worden gevoegd. Buurtbewoners hebben wel bezwaren maar die worden op 23 juli 1912 vanaf 11 uur ’s ochtends in een mondelinge ontmoeting, waarbij zes burgers aanwezig zijn, zonder veel problemen van tafel geveegd. Pieternella Baak, geboren Keus, die met haar man Dirk Heemraadstraat 60 bewoont, laat tijdens dat gesprek weten nu al veel hinder te ondervinden van de rook uit de bestaande bokkingrokerij. Ze vertelt dikwijls in haar nachtrust te worden gestoord door het geklop in de rokerij. Pieternella meent dat met de uitbreiding de hinder voor de bewoners ondraaglijk zal worden.
Geertrui van den Bergh, de weduwe van Daniël Verbaan, en Trijntje Verbaan, mede-eigenaar van Heemraadstraat 54 t/m 66 (even nummers) menen ook dat de hinder zal toenemen voor de bewoners. “Een gevolg zal zijn dat de huur aan de eigenaren zal worden opgezegd”, aldus Trijntje Verbaan.
Het document dat volgt, wordt door allen getekend, behalve door de op 26 september 1830 in Noordwijk geboren Jacoba Verbaan, weduwe van de uit Scheveningen afkomstige Cornelis Verbaan en bewoner van Heemraadstraat 62. Zij verklaart niet te kunnen schrijven.
 
Nieuwste systeem
 
Ook bouwkundige Willem Chiel Kuijper jr. en Johannes Franciscus van der Zwan komen opdraven. Eerstgenoemde legt aan de bewoners uit dat de bokkingrokerij zal worden uitgebreid volgens het nieuwste systeem. “Vroeger trok de rook weg door een deur en door het dak van de rokerij. Dat zal niet meer plaats hebben. Nu wordt de rook afgevoerd door een kanaal, dat op vijf meter boven de begane grond wordt geplaatst en ongeveer een meter boven de nok van de omringende percelen zal reiken. Het roken geschiedt in drukke tijden ook ’s nachts maar nooit later dan 12 uur. In de maand februari tot 11 uur. Gewoonlijk is het echter niet later dan 9 à 10 uur in de avond. Op maandagochtend beginnen de werkzaamheden om 5 à 6 uur. Door de uitbreiding zal het nachtwerk worden verminderd”, aldus Willem Kuijper.
Jan van der Zwan laat weten de ingebrachte bezwaren zeer overdreven te vinden. “Bewoners van verschillende percelen in de omgeving hebben mij laten weten dat
In rood gemarkeerd waar de rokerij moet komen
komen te staan.                     Tekening: archief.


de rokerij bij hun geen hinder veroorzaakt”.
De gemeente heeft  gecontroleerd of er binnen een kring van 200 meter gebouwen of lokalen staan die zijn bestemd voor ziekenverpleging, het uitoefenen van openbare erediensten of scholen. Hoewel blijkt dat de Zeevaartkundige School in de Gondelstraat 45 staat, de gemeenteschool aan de Badhuiskade 27 en de Badhuisstraat 79A, de School met de Bijbel en een bijzondere bewaarschool in de Gondelstraat 31 zijn te vinden. Het kerk en catechisatie lokaal der Gereformeerde Gemeente Kerk in de Heemraadstraat 81/81A is gevestigd, de Sheveningsche Muziekschool in de Prins Willemstraat 26 staat, de bijzondere scholen van de Hulpvereeniging voor Gereformeerd Schoolonderwijs in de Heemstraat 75 en 77 zijn gehuisvest en de Gemeentelijke Cursus voor Spraakgebrekkigen in de Keizerstraat 294 is te vinden, kan de uitbreiding plaatsvinden.
De officiële toestemming tot het bouwen volgt op 9/13 augustus 1912. Wethouder van Bedrijven en locoburgemeester, de op 14 december 1840 in Den Haag geboren ingenieur Joannes Coenraad Jansen, zet zijn handtekening. Volgens de voorschriften moet de bouw zijn voltooid op 1 februari 1913. De pannendaken van de rokerij moeten luchtdicht zijn afgestreken. De rookafvoer vanuit de rokerij moet uitsluitend geschieden door op de nok geplaatste rookuitlaten. Deze rookafvoeren moeten reiken tot op één meter boven de nok van het perceel der inrichting.Tussen ’s avonds 10 en ’s morgens 6 uur mag er niet hoorbaar in de inrichting worden gewerkt.
 
Sloop
 
De uitbreiding van de rokerij is echt noodzakelijk, want de haring- en bokkinghandel van rederij J.J. van der Zwan floreert volop. Wat Jaap daarbij niet direct heeft voorzien, is het probleem dat ontstaat. Door de sloop moeten de gezinnen de kleine onderkomens verlaten. De aanwezige woningnood maakt het vinden van een alternatief echter zo goed als onmogelijk. De verplichte ontruiming na zes maanden laat, na het sluiten van de eerste termijn op 21 juni 1911, zien dat slechts twee gezinnen en een weduwe zijn vertrokken. Het gaat om de op 13 juli 1871 geboren Willemina Keus, moeder van zeven kinderen en weduwe van Bertus van Beelen. Zij verlaat nummer 88 om later, op 17 juli 1916, met haar nieuwe man, metselaar Leendert Gerardus Vogelenzang, terug te keren naar Heemraadstraat 67. De op 29 september 1880 geboren visser Simon Bal, zijn vrouw Catharina Toet en hun twee kinderen verruilen Heemraadstraat 102 voor Keizerstraat 202. De op 3 februari 1885 geboren Arie Spaans vertrekt vanuit de Heemraadstraat 104 met zijn op 26 januari 1887 geboren vrouw Neeltje Verbaan en hun twee kinderen naar de Weststraat 60. Die woningnood is voor de twaalf overgebleven gezinnen, nog voor de verkoop een feit is, reden om op 13 juni 1911 een door allen getekende brief aan burgemeester en wethouders te richten met de vraag de ontruiming met vier maanden uit te stellen tot 1 augustus 1911. Op 21 december van dat jaar volgt nog een verlenging. De op 19 september 1887 geboren Jacoba Klein heeft, in verband met haar huwelijk met visser Evert Vink, Heemraadstraat 78 dan al verlaten. Dat geldt ook voor de op 13 oktober 1879 geboren visser Nicolaas van der Kruk. Hij verlaat met zijn vrouw Johanna van Zanen en 3 kinderen nummer 80. Vervolgens laat Jaap van der Zwan op 1 juni 1912 in een brief aan burgemeester en wethouders weten dat er nog altijd zeven huisgezinnen in de slop aanwezig zijn. “Hierdoor kan er geen aanvang worden genomen met het afbreken. Ik kan vaders, moeders en hun kinderen niet op straat laten overnachten”, aldus Jaap.
De definitieve plaats van de bokkingrokerij en het pakhuis in
bruin en blauw aangegeven.                     Tekening: archief.

Wethouder Jansen meldt in de gemeenteraad dat Van der Zwan zijn bokkingrokerij wil uitbreiden door bijtrekking van de woningen in het slop. “Hiertoe schroomt hij echter over te gaan, zolang voor de gezinnen, welke thans in de woningen verblijven, geen andere verblijfplaats is gevonden. Het voorzien in tijdelijke huisvesting van deze bewoners om aan de adressant de gelegenheid te verschaffen zijn bouwplan uit te voeren, ligt evenwel niet op de weg van de gemeente. Het draagt een privaat-rechterlijk karakter. In aansluiting aan het advies van de Commissie voor de Plaatselijke Werken en Eigendommen geven burgemeester en wethouders de raad in overweging om aan adressant te antwoorden dat geen termen aanwezig zijn om aan zijn verzoek te voldoen”.
De directeur van het Gemeentelijk Bouw- en Woningtoezicht, Andreas Stoffels, meent dat hulp van gemeentewegen zeer dringend nodig is. “Daarbij komen in hoofdzaak twee belangen op de voorgrond. In de eerste plaats, met het oog op de ogenblikkelijke ernstige woningnood, aanbouw van nieuwe woningen. Verder het opruimen van slechte woningcomplexen om daarvan nieuw verkavelde terreinen te maken. Ik wil van deze gelegenheid gebruik maken de raad te wijzen op de noodzaak dat daarvoor het ruim beschikbaar stellen van financiële offers noodzakelijk is. Het verzoek van de adressant dient te worden afgewezen, maar het wijst op de zeer ernstige toestand die in Scheveningen op het gebied van woningen heerst. Daarom zal met een afwijzende beschikking alleen niet kunnen worden volstaan. Verwijzen naar de ongeveer zestig van gemeentewegen in aanbouw zijnde woningen aan het Kolenwagenslag, acht ik niet gewenst omdat daaruit een toezegging zou kunnen worden afgeleid om enige woningen beschikbaar te stellen aan hen die thans in een onbewoonbare woning in de Heemraadstraat zijn gehuisvest”.
De laatste, die om een verlenging van de ontruimingstermijn vraagt, is de in het slop overgebleven Simon Pronk. Er wordt door de gemeente geen gehoor aan gegeven. Pronk komt eind 1912 terecht in de Heemraadstraat 157.
 
Ongeluk
 
Met het verstrekken door Bouw- en Woningtoezicht van de officiële bouwvergunning in augustus 1912 lijkt het ongeluk Jaap van der Zwan toe te lachen. Als zijn in 1902 gebouwde houten logger De Twee Maria’s, de SCH 384 op 30 september uit de haven vertrekt, keert hij niet meer terug. Hoewel het in een goede en zeewaardige staat verkeert, zo wordt later vastgesteld, vergaat het schip met schipper Teun Bruin (34) en twaalf bemanningsleden (vermoedelijk) in de stormnacht van 30 september op 1 oktober 1912. Onderzoek wijst uit dat niemand wordt gedwongen uit te varen. De sinds 2 jaar in dienst zijnde schipper Bruin wilde zelf erg graag naar zee. De laatste keer, dat het schip wordt gezien, is half oktober. Het drijft op dat moment zonder mast rond.

Tekening van de voorkant van de nieuwe bokkingrokerij.                Foto: archief.



Het voltooien van de uitbreiding van de bokkingrokerij duurt tot eind 1917. Een nieuwe bouwaanvraag is noodzakelijk aangezien de rokerij op meer dan 10 meter achter de rooilijn van zowel de Badhuisstraat als de Heemraadstraat komt te staan. Burgemeester en wethouders laten op 22 maart 1917 weten geen bezwaar te hebben, ook omdat het terrein in zijn geheel voor het rederijbedrijf wordt bestemd. “Verschillende in de nabijheid staande woningen, die ook in mijn bezit zijn, worden ontruimd en zullen niet meer als zodanig dienstdoen. Zo worden de panden aan de Heemraadstraat, de nummers 78, 80 en 106, afgebroken om er een pakhuis te kunnen neerzetten”, aldus Van der Zwan. “Het terrein (sectie AG 918) is met beide straten door verschillende poorten verbonden. De rokerij wordt voorzien van stenen vloeren en stenen muren, terwijl de binnenkant van de kap in de rokerij een brandvrij plafond krijgt. Overdag komt het licht binnen door ramen van glas welke gezamenlijk bijna 13 m2 bestrijken. De kunstverlichting zal elektrisch worden aangebracht. Voor rookafvoer ten dienste van het bedrijf worden stenen potten op het dak geplaatst. In de inrichting zijn geregeld drie a vier personen werkzaam, terwijl ongeveer vijf personen slechts enkele uren zullen werken”.
Ook de commandant van de brandweer, de op 26 oktober 1865 in Leiden geboren Carel Frederik Hendrik Tückermann, die met zijn vrouw en twee zonen in de Adriaan Pauwstraat 35 woont, stemt toe. Er zijn wel voorwaarden aan verbonden, zo blijkt uit zijn schrijven van 23 mei 1917. De wanden welke de afdelingen, waarin wordt gerookt, scheiden moeten van steen, beton of een ander, naar het oordeel van burgemeester en wethouders, daarmee in doelmatigheid overeenkomend materiaal zijn. Het dak moet rookdicht zijn en de rook moet worden afgevoerd door, in overleg met Bouw- en Woningtoezicht, aan het dak van de rokerij aangebrachte rookkappen. Deze kappen moeten reiken tot tien meter boven de begane grond van de rokerij.
 
Vennootschap
 
Met het in werking treden van de bokkingrokerij, begin 1918, besluiten Jaap van der Zwan (50) en zijn twee oudste zonen, Willem (27) en Johannes Franciscus (26) een vennootschap onder firma op te richten onder de naam J.J. van der Zwan en Zonen. Doel is het drijven van een rederij met alles wat daartoe behoort, het kopen en verkopen van schepen inbegrepen en voorts het uitoefenen van goederenhandel voor eigen rekening, als tussenpersoon of als agent voor derden, alles in de ruimste zin des woords genomen. Het schrijven wordt opgesteld door de op 24 augustus 1880 in Den Haag geboren mr. dr. Jacobus Marius van der Flier, die is getrouwd met de in het Zuid-Afrikaanse Pretoria geboren Agatha Cornelia van Boeschoten. De vennootschap is in Scheveningen gehuisvest, is aangevangen op 1 mei 1918 en is een overeenkomst aangegaan voor de tijd van 25 jaar met telkens de mogelijkheid tot tien jaar verlenging. Wie nu op zoek gaat, zal geen rederij of bokkingrokerij meer aantreffen. Om enig inzicht te krijgen over hoe het moet zijn geweest, biedt de overkant van het pakhuis in de Heemraadstraat een mogelijkheid. Daar is nog altijd eenzelfde soort, maar goed onderhouden slop te vinden.
De huidige overzijde van de Heemraadstraat, de goed
 onderhouden oneven nummers.         Foto: Hans Piët.


                                                                          © Haags Nieuwsbureau 2026

maandag 8 juni 2026

Sigaar

Hoe sport tot leven komt dankzij het sigarenmagazijn

De strijd om een
fraaie lichtbak

door Hans Piët

DEN HAAG –In het begin van de vorige eeuw is het als heer van stand gebruikelijk om bij gelegenheid een sigaar te roken. Hoewel statistieken aangeven dat er met het vervaardigen van die rookwaar geen florissant bestaan wacht, telt ’s-Gravenhage tussen 1890 en 1930 vijfenveertig tabak- en sigarendrogerijen. Die panden zijn te vinden in onder meer de Hofwijckstraat 43/45, Stationsweg 38, Papestraat 7, Hobbemastraat 129, Boekhorststraat 37 en Balistraat 67. De Residentie heeft in die periode ook vijf sigarenfabrieken met onderkomens in onder meer de Prins Hendrikstraat 46, Noordwest-Binnensingel 46 en de Retiefstraat 5. Opmerkelijk, ook omdat het verkrijgen van een vergunning veelal op zich laat wachten en buurtbewoners vaak protesteren tegen de komst. Ze menen dat aan de waarde van hun woning “aanzienlijke schade zal worden toegebracht”.
Het ontwerp van de 'Elwawi'-lichtbak voor Daniël Smeltzer.         Tekening: HGA



Daniël Martinus Smeltzer is chef-beheerder van het filiaal van de N.V. A. Hillen’s Sigaren- & Tabaksfabrieken, het magazijn ‘Prinsenhof’ aan de Oude Delft 82 in Delft. Hij zit ook in de directie van N.V. Tabaks- en Sigarenfabriek v/h G. van der Spek. Aannemelijk is te veronderstelling dat de op 29 juni 1884 in Herwen & Aerdt (bij Lobith) geboren Daniël bij zijn verhuizing in april 1923 naar ’s-Gravenhage voor een soortgelijke functie heeft gekozen. Niets is minder waar.

Scherpe achteruitgang

Dat hij bij Hillen’s sigarenfabrieken vertrekt, heeft te maken met de scherpe achteruitgang van het bedrijf, dat in 1770 door Gerrit Hillen is opgericht en na zijn dood door zijn zoon Albertus is voortgezet. Het is daarmee de oudste fabriek van ons land. In maart 1921 is er bij de fabriek ontslag voor 25 sigarenmakers ‘wegens slapte’. Een aantal jaren wordt er ook geen dividend uitgekeerd. In 1929, Daniël werkt er niet meer, wordt op de jaarvergadering van aandeelhouders opgemerkt ‘dat de zaak door en door ziek is’. In september van dat jaar vraagt directeur Cornelis Nicolaas Johannes Hioolen zijn ontslag aan. Op 18 februari 1937 is het eindpunt van de firma daadwerkelijk bereikt. Even later, op 17 juli van dat jaar, worden de fabrieken, naar een ontwerp van Hioolen en in 1910 neergezet, voor 51.300 gulden (€ 23.279) doorverkocht aan N.V. Koninklijke Fabriek F.W. Braat uit Delft.
Daniël staat dan al een aantal jaren op eigen benen als eigenaar van een tabakswinkel. Samen met zijn vrouw Elisabeth Jacoba van Hest (geboren op 5 juli 1886 in Leiden) en dochters Elisabeth Jacoba Henriette (1909) en Jenneke Johanna (1911) heeft hij voor de Javastraat 112 gekozen. De huurwoning ligt op de hoek met de Frederikstraat. Daar verkoopt hij onder de naam sigarenmagazijn Elwawi, geïmporteerde sigaren, sigaretten en pijptabak met als specialisme de verkoop van zandblad-sigaren van 3 cent per stuk. Het is een tijd dat er anders dan tegenwoordig, naar die rookwaar wordt gekeken. Het roken van een sigaar of 
Prijscourant van sigarenfabriek
A. Hillen uit Delft. Foto: archief.
pijp wordt in die periode over het algemeen ervaren als opwekkend terwijl het tegelijkertijd rust brengt en ontspannend is en daardoor een weldaad voor de mens.
Die sigarenwinkel is niet het enige dat Smeltzer bezighoudt. Zo staat hij op 30 juli 1924 met initiatiefnemer Matthijs Willem Spoor, van beroep behanger, kapper Andries Hollinga en pianostemmer en -handelaar François Herman Joseph Philip Keislair aan de wieg van de Vereeniging van Winkeliers in den Archipel. De eerste winkelweek wordt gehouden van 22 tot en met 30 november 1924. Hij gaat van start met een wandeling door de wijk van het Archipel-muziekkorps. Voor de kinderen is er een letterraadsel uitgestippeld. De prijzen zijn beschikbaar gesteld door verscheidende winkeliers. Honderdzeventig nemen deel en doen zo automatisch mee aan de etalagewedstrijd, waarbij door de bewoners de meest aansprekende etalage wordt gekozen. Na een aantal van die winkelweken, is de conclusie van de bewoners dat Daniëls sigarenmagazijn Elwawi een van de Archipelzaken is, die altijd een goede etalage heeft. ‘Het is een parel in de wijk’.

Voorzittershamer

Een aantal jaren later neemt Daniël de voorzittershamer over van Matthijs Spoor. De oud-voorzitter van de Algemeene Nederlandsche Bond van Behangers, Meubelmakers en Patroons kwakkelt met zijn gezondheid. Hij overlijdt op 14 maart 1930, 52 jaar oud. Daniël heeft dan al laten zien een bezig baasje te zijn. Zo is hij in 1921 penningmeester van het Eijken Comité, dat geld inzamelt om werktuigkundig ingenieur Frits Evert Eijken te huldigen. De amateur-roeier heeft in het Britse Henley de Diamonds-sculls gewonnen.
Dat Daniël een groot voetballiefhebber is, blijkt nog eens in 1923 wanneer hij als secretaris plaatsneemt in het comité dat de Delftse voetbalvereniging D.H.C. huldigt. Daarbij krijgen de spelers een gouden dasspeld als aandenken uitgereikt. In 1925 is de sigarenboer aanwezig in een sub-comité van het Haagsch Olympisch Comité. Om steunverlening ten bate van de Olympische Spelen te voeren, wordt een sportoptocht in de Archipelwijk georganiseerd.
Wat opvalt aan zijn winkel in de Javastraat 112 is niet alleen de kleurrijke lichtbak met de naam van de zaak en de stijlvol ingerichte etalages, maar ook het bord en het kastje die aan de muur zijn bevestigd. De eerste voor het tonen van de voetbaluitslagen van de 1e klasse wedstrijden over geheel Nederland. Tijdens het sportseizoen van zaterdagavond 8 uur tot maandagmorgen 12 uur. “Dus tot na het verspreiden van de ochtendkranten”, aldus Smeltzer.
Het zogenoemde standenkastje, door het publiek aangeduid als Standenbord, is 172 centimeter hoog, 46 centimeter breed en 8 centimeter diep. In dit kastje zijn 22 miniatuur voetballers in de kleuren van de voetbalclubs geplaatst. De achtergrond is een ladder. Boven de hoogste trede staat geschreven ‘Naar het kampioenschap van Nederland’. Als een club wint krijgt hij van de K.N.V.B. twee punten, bij gelijk spel 1 punt. Het ‘standenbord’ geeft de hele week aan hoeveel punten de clubs hebben. “De praktijk wijst uit dat het bijhouden hiervan door jong en oud, arm en rijk met belangstelling wordt gevolgd”, aldus Daniël. “Ik ontvang regelmatig complimenten”.  
Werktekening van de Laan van Meerdervoort 37 t/m 43.
Smeltzer gebruikt de linker winkel. Tekening: Hans Piët.
Tijdens het voetbalseizoen maakt hij op zondag ook gebruik van vier vlaggen- stokken. Daarmee geeft hij aan of de 1e klasse Haagse voetbalclubs H.V.V. (een geel-zwart-gele vlag), H.B.S. (de kleuren zwart-rood-wit-zwart), V.U.C. (zwart-wit-zwart) en A.D.O (rood-groen-rood) spelen. Ze worden uitgestoken van ’s ochtends 9 uur tot ’s avonds 9 uur maar alleen als de clubs spelen. Dat levert geen problemen op totdat hij per 1 juni 1930 noodgedwongen moet verhuizen. De eigenaar heeft nieuwe huurders voor zijn pand gevonden. Het gaat om de muziekwinkel van Hoeks & Hemsing, die een ruime sortering aan klassieke en moderne muziek aanbiedt. Heel succesvol is die onderneming niet. Reden waarom het bedrijf in november 1933 plaats maakt voor Reformwinkel van Os. De firma, waar onder meer Forma Natura-schoenen, ‘gemaakt volgens de natuurlijke vorm van de voet’, te koop zijn, verhuist wegens uitbreiding van de Mezenlaan 50 naar de Javastraat 112.

Erelid

Daniël Smeltzer kiest bij zijn verhuizing voor de Laan van Meerdervoort 39. Bij zijn afscheid wordt de sigarenhandelaar benoemd tot erelid van de Vereeniging van Winkeliers van den Archipel. Hij geeft de voorzittershamer over aan François Keislair. Om geen problemen te krijgen, vraagt hij begin mei een vergunning aan voor het plaatsen van de oude lichtbak op de nieuwe winkelpui. De bedoeling is hem direct boven de winkelruit te bevestigen. “Hem plaatsen tussen de 2e en 3e etage heeft geen zin, aangezien deze reclame het wel en wee van mijn zaak uitmaakt”, laat hij Jacobus Willem Leijh, hoofdinspecteur bij Bouw- en Woningtoezicht, weten. “Indien u de lichtbak een dezer dagen laat controleren, gelieve er rekening mee te houden dat het derde deel dat aangeeft: ‘zending door de geheele wereld, speciaal voor de koloniën’ wat verkleurd is. Met de plaatsing zal hij weer op kleur worden gebracht. Ook de lijst wordt opnieuw geschilderd. Tenslotte heb ik nog één verzoek. Door het wat laat tot overeenstemming komen met de (nieuwe) huisbaas (de N.V. Maatschappij tot Exploitatie van Onroerende Goederen ‘Carnegielaan’) en in de veronderstelling dat het overplaatsen van de lichtbak geen moeilijkheden zou opleveren, slechts twee jaar geleden heb ik een keurige tekening in kleur overlegd, is de tijd wat beperkt geworden. Ik verzoek u beleefd deze aanvraag zodanig te behandelen dat ik in de week van 25 t/m 31 mei de bak kan laten plaatsen. De bedoeling is op 2 juni te heropenen”.
Beeld dat aangeeft hoe de lichtbak
op de gevel komt.     Foto: archief.
Helaas. Op 5 augustus 1930 krijgt het college van burgemeester en wethouders van architect Rudolf Carl Mauve, secretaris van de Schoonheidscommissie voor de gemeente ’s-Gravenhage, de mededeling ‘dat vanuit welstandsoogpunt bezien deze lichtbak niet ter goedkeuring is aan te bevelen’. Eerder, op 30 juni, heeft er al een discussie over het voorwerp plaatsgevonden met onder anderen Gijsbertus Anthonius Meijer, directeur van het Gemeentelijk Bouw- en Woningtoezicht. Daarbij werd vastgesteld dat de verplaatsing weliswaar is goedgekeurd, maar dat het plaatsen problemen oplevert. De bak is te groot om boven de winkelruit te hangen. Op 29 juli laat Smeltzer weten dat met wat welwillendheid de reclame is aan te passen. “Het beschilderde glas heeft zowel boven als onder de figuur (de sigaar) en de aanwezige tekst genoeg ruimte die kan vervallen. Van ontsiering zal geen sprake zijn noch van enige misvorming. Daar tevens de lijst wordt verkleind zal hij nu wel op de gevel passen. Bovendien zal de lichtbak zijn diepte van 11 centimeter verliezen daar de verlichting kan worden aangebracht in de vrijkomende ruimte onder het kozijn. Het geheel zal daardoor aanmerkelijk beter bij de pui passen”.
De sigarenboer geeft aan dat er twee manieren zijn om de lichtbak op de gevel aan te brengen. Manier A is volgens hem het beste omdat dan de bijzondere architectuur van raam 3 geheel ongemoeid blijft. Bij keuze B houdt de bak het midden van de gevel, maar neemt het raam in zich op. “Voor mij is B met het oog op de ligging van de winkel ten opzichte van de aan de overzijde gesitueerde Van der Spiegelstraat beter, maar ik laat de plaatsing geheel aan uw inzicht over”, aldus Smeltzer.
De Roode Anker sigaar
van 15 cent. Foto: pr.

Koningin Wilhelmina

Hij vraagt wel of er haast gemaakt kan worden met de beslissing. "Ik heb veel tijd nodig gehad om alle gegevens bijeen te krijgen. Na uw eventuele goedkeuring is er nog het nodige werk, over verschillende schijven, door de veranderingen die tot stand moeten komen. Tegelijkertijd zag ik de lichtbak gaarne nog voor de feesten van H.M. koningin Wilhelmina geplaatst" - 1930 is een kroonjaar met de viering van haar vijftigste verjaardag, in Den Haag op 30 augustus ingekleurd met een lichtfeest.
Op 26 augustus 1930 verleent de gemeente Daniël Smeltzer officieel zijn vergunning voor het aanbrengen van de lichtbak. Dat is mede te danken aan Mauve. De architect en zijn schoonheidscommissie zijn blijkbaar van gedachten veranderd en hebben op 13 augustus laten weten dat “tegen het aanbrengen van bedoelde lichtbak geen overwegend bezwaar bestaat”.
Er zijn uiteraard wel voorwaarden aan verbonden. Zo mag de voorsprong buiten de gevel niet groter zijn dan 30 cm en de onderkant moet 2,75 meter boven het trottoir komen. De elektrische verlichting mag niet zodanig opeenvolgend in- en uitgeschakeld worden dat daardoor flikkerlicht ontstaat.

Economische terugslag

Smeltzer constateert dat hij op een verkeerd moment heeft moeten verhuizen. Zo heeft de handel en daarmee de winkelier te kampen met een forse economische terugslag (de crisis van de jaren dertig). Die wordt extra gevoed door de regering, die in 1929 het besluit neemt, dat na het sluitingsuur der winkels, tabaksartikelen mogen worden verkocht in hotels, cafés, restaurants, theaters, bioscopen en lunchrooms. Een firma als A.W. Zimmerman (gevestigd aan de Stationsweg 64 in Den Haag) speelt daar handig op in door sigarenautomaten te ontwikkelen. Zo’n apparaat moet vanaf begin1932 door bijvoorbeeld cafés en hotels worden aangeschaft. In dat jaar wordt de verordening van kracht, dat ook daar geen losse sigaren meer mogen worden verkocht. Reden voor Zimmerman om een handzame automaat te ontwikkelen die weinig ruimte inneemt op het buffet en makkelijk is te bedienen. Dubbeltje in de gleuf en de sigaar komt er onmiddellijk uitrollen.
Sigarenzakje van Elwawi.         Foto: pr.
In die jaren is er geen gebrek aan sigarenmerken, smaken, diktes en lengtes. Zo is het Blazertje, die iets dikker en vierkanter is dan een sigaret, in twee maten verkrijgbaar. Klein en iets groter. Ze worden verkocht per blik (30 stuks) voor 45 cent en de iets langere versie voor 60 cent voor dezelfde hoeveelheid. Er zijn sigaren met en zonder punt en in lengte variëren ze van 70 mm (de La Esquisita) tot 145 mm (de Espedicion). In prijs is er voor ieder wat wils. De goedkoopste is 2 cent de duurste 15 cent. Een Tip Top kost 2 cent en kan volgens de maker "door iedereen ongestraft worden gerookt", wie liever een Roode Anker Alvas Especiales neemt, moet 15 cent neertellen, maar heeft dan ook een sigaar in handen die uit bijzonder fijne tabakken is vervaardigd. De melange is licht en geurig. Wie voor een oud-Hollandsmodel wil kiezen, kan de India de la Habana van 3 cent nemen. Het is een sigaar zonder het eigenaardige prikkelende van tabak in neus en keel. In de loop der jaren past de verkoop zich aan. De losse verkoop van de sigaar verdwijnt en maakt plaats voor houten kistjes en blik. In die periode worden er jaarlijks zo’n 64.000 tabaksvergunningen, á raison van 5 gulden, uitgegeven terwijl de cijfers aangeven dat weinig meer dan 20.000 personen een behoorlijk bestaan in het vak kunnen opbouwen.
Een goede sigaar voor
vader.    Tekening: pr.
Smeltzer constateert dat de moeilijkheden veroorzaakt door het overplaatsen van de lichtbak, zijn zaak veel kwaad heeft gedaan. “Mijn reclamecampagne, die was bedoeld om het nieuwe adres te promoten, is hierdoor volledig mislukt”, laat hij aan de gemeente weten. “Ik heb de laatste maanden een geweldig werk gehad om een faillissement dan wel surseance van betaling te voorkomen”.
In al zijn onschuld, in de Javastraat 112 heeft het nooit problemen opgeleverd, hangt Smeltzer, na de opening van zijn winkel aan de Laan van Meerdervoort 39, het bord en het kastje weer op. Ook monteert hij de vier vlaggenstokhouders aan de gevel. Nog geen week later, begin september, ligt er een proces-verbaal in de brievenbus wegens het overtreden van de artikelen 1 en 11b der Algemene Politieverordening. Daniël reageert niet. Reden voor Jacob Leijh (op 16 maart 1878 geboren in Kampen) om een brief te schrijven waarin hij duidelijk maakt dat bedoelde reclamevoorwerpen ‘uit het oogpunt van welstand in verband met de omgeving, niet toelaatbaar zijn te achten’.
Smeltzer dient er zorg voor te dragen, 'dat de voorwerpen uiterlijk twee dagen na ontvangst van deze aanschrijving, zijn verwijderd'. Hij krijgt de waarschuwing, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 180 der gemeentewet. Zijn de reclamevoorwerpen niet weggenomen, dan worden ze door medewerkers van Gemeentewerken verwijderd. Daarna zal hij, tegelijk met het overhandigen van het materiaal, een opgave van de kosten krijgen, die hij direct zal moeten voldoen.

Sportpropaganda

Daniël verwijdert het bord, het kastje en de vlaggenstokhouders en besluit aan de gemeente een vlammend betoog te schrijven over hoe sigarenmagazijnen vanaf de start van de eeuw de sportpropaganda hebben gestimuleerd door initiatieven voor publicatie op zich te nemen. “Eerst veel later kwam de pers ook tot dat besluit, hoewel nog maar gedeeltelijk. Kranten en tijdschriften publiceren namelijk nog niet op een manier zoals het publiek dat wenst. Daar ik persoonlijk steeds van het standpunt ben uitgegaan dat het beter is door middel van sportberichten mensen aan te moedigen om naar de sportvelden te gaan in plaats van naar het café en ik bovendien een van de eerste en oudste winkeliers ben die met sportpublicatie is begonnen, heb ik bedoelde berichten ook steeds naar de tijd en eis gemoderniseerd. Ik ben dus met mijn tijd meegegaan. Ik heb er, zowel in Delft als in de Javastraat, steeds een grootse sportpublicatie op nagehouden. Daarbij hebben de verschillende autoriteiten het mij nooit lastig gemaakt. Op geen enkele manier. Sterker, ik ben steeds opnieuw gecomplimenteerd en aangemoedigd het werk voort te zetten. Ik bedoel hier, uit alle klasse van de maatschappij”.
Daniël beschrijft dat met zo’n verleden, het proces-verbaal rauw op zijn dak kwam vallen. “Ik was onwetend, dat ik in overtreding was”.
Hij richt zich bij zijn aanvraag om alsnog toestemming te krijgen in het voetbalseizoen gebruik te mogen maken van het ‘berichtenbord’ en het ‘standenbord’ direct tot burgemeester Patijn. Hij stuurt daarbij foto’s mee om de plaats op de gevel aan te geven en verzekert de stadsbestuurder dat het bord en het kastje niemand zal hinderen.
Op 5 december 1930 krijgt Daniël Smeltzer toestemming om gedurende het voetbalseizoen het berichtenbord en het standenkastje op te hangen. Voor de vlaggenstokken zijn geen termen gevonden vergunning te verlenen.

Korlvinke

Echt lang houdt de sigarenboer het niet uit aan de Laan van Meedervoort. Na drie jaar kan hij, zoals veel anderen, de economische depressie niet langer het hoofd bieden. Hij wordt filiaalhouder bij de N.V. P.H. Korlvinke & Co aan de Frederik Hendriklaan 265. De op 1 mei 1882 in Hoorn geboren Petrus Hendrikus Korlvinke,
Sigarenzakje van de firma Korlvinke & Co met
25 zaken in Den Haag en omgeving. Foto: pr.
die zich in 1904 met zijn eerste sigarenzaak in de Kazernestraat 19 in de stad ‘van luxe en verfijning’ vestigt, groeit in korte tijd uit tot een succesvolle sigarenhandelaar met 25 winkels in Den Haag, Scheveningen, Voorburg en Rijswijk. Die voortvarendheid in het zaken doen – hij komt uit een oud koopmansgeslacht - tekent zich ook af in het aantal gedwongen verhuizingen. Zo biedt de 56 m2 in de Kazernestraat niet genoeg ruimte voor de groei. Hierdoor kiest hij in 1925 een onderkomen van 144 m2 voor zijn opslag aan de Rijswijkseweg 31/33 om vervolgens in 1934 aan de Lange Beestenmarkt 111 een kantoor- en magazijngebouw te laten neerzetten van 700m2. Het is het jaar van het 30-jarig bestaan. Dat jubileum wordt onder meer ingekleurd door het op 10 januari 1934 door zijn vrouw Antonia Korlvinke van Spronsen plaatsen van een gedenksteen in de gevel. Korlvinke krijgt nog de tijd om op 18 mei 1954 te herdenken hoe hij vijftig jaar eerder als sigarenwinkelier in ’s-Gravenhage is begonnen. Hij overlijdt, 73 jaar oud, op 3 november 1955.
Daniël Smeltzer werkt twee jaar voor Korlvinke en besluit in september 1935 om, samen met zijn vrouw, naar Delft terug te keren. Daar overlijdt hij op 23 februari 1940 op 55 jarige leeftijd.

                                                                                       © Haags Nieuwsbureau 2026

maandag 2 maart 2026

Schoolpantoffels

UITPUTTENDE STRIJD TEGEN SCHOOLVERZUIM      

De korte opmars van
van de schoolpantoffel         

door Hans Piët

DEN HAAG - Schoolpantoffel. Het is een uit de mode geraakt woord. De reacties bij het noemen spreken boekdelen. Er is verbazing, verwondering en soms een wat ongemakkelijk lachje. Waar heeft ie het over! Je zou kunnen zeggen: over een ‘bejaard’ woord. Uiteindelijk gaat het om schoeisel dat vooral in de eerste helft van de vorige eeuw een prominente rol speelde. Vraag een hoogbejaarde ernaar en hij of zij zal, gevoed door nostalgie, verhalen over hoe aangenaam het was om, na een fikse regenbui, dankzij die schoolpantoffels, niet met natte kousen en dus voeten de lessen op de openbare of bijzondere lagere school te hoeven volgen.

De onderwijzeres van de lagere schoolklas neemt de schoenen van de leerlingen aan om ze te verruilen voor schoolpantoffels.                                                                                                            Foto: archief.
 



Wanneer de schoolpantoffel precies zijn intrede deed, is historisch niet vast te stellen. Belangrijke reden is, dat er altijd al handige moeders zijn geweest, die na klachten van hun klompen dragende kinderen over natte voeten na een regen- of sneeuwbui of het bij hun kroost vaststellen van lichamelijke problemen als griep of een infectie, bedachten dat het breien van een paar warme, korte sokken uitkomst zou kunnen bieden. Om de slijtage tijdens het er onbeschermd mee rondlopen enigszins te temperen, werd de zool bedekt met een stukje oud tapijt of overgebleven leer. Andere, minder financieel daadkrachtige moeders gebruikten een oude lap van een versleten broek of de overblijfselen van bijvoorbeeld een jas. Die huis- of schoolpantoffels kregen vorm dankzij wat handig knip- en naaiwerk dat soms werd afgekeken uit de krant. Daarin was dan een werktekening te vinden met vorm en maat.

Hugo Poot

De eerste winkelier die ze door middel van een advertentie in de Vlaardingsche Courant aanbiedt, is in 1885 Hugo Poot. De op 1 oktober 1936 op 82-jarige leeftijd overleden eigenaar van een zeer succesvol schoenenmagazijn aan Daijer 22 – later nummer 4 – in Vlaardingen biedt de kinder-schoolpantoffels aan voor 30 cent. De uitvoering met leren zool kost 55 cent per paar. Aardig detail is, dat de komst van die pantoffels in zijn winkel niet zo vrijblijvend is als het misschien lijkt. In de familie Poot is in die jaren namelijk een aantal onderwijzers aanwezig. Zij zullen hem ongetwijfeld op de voordelen van, dan wel de behoefte aan het hebben van droge voetbedekking in de klas hebben gewezen. In grote steden als Amsterdam, Rotterdam en ’s-Gravenhage begint het collectief verstrekken van het schoeisel rond 1894. Een vraag die de gemoederen dan al bezig heeft gehouden is: wie moet er zorg voor dragen. Het is immers geen leermiddel. Tegelijkertijd is vastgesteld dat er een nauw verband bestaat tussen de voetbekleding en het schoolverzuim. In arme gezinnen, en dat zijn er nogal wat, hebben kinderen veelal slechts één paar klompen of schoenen. Gevolg is, dat bij een reparatie van het schoeisel die leerling noodgedwongen thuis moet blijven. En dat duurt al snel een week.
De komst van de schoolpantoffel wordt, zeker door het onderwijzend personeel, juichend ontvangen. Klompen zorgen nu eenmaal voor veel kabaal in de klas. Bij elke beweging van de benen, maar zeker als de klomp van de voet schiet, is er lawaai. Bijkomend nadeel is dat klompen bij regenachtig weer grote hoeveelheden vuil binnenbrengen. Na het uitdrogen ervan veroorzaakt het stof, wat soms een negatief effect heeft op de gezondheid. Vanuit hygiënisch oogpunt gezien, betreuren onderwijzers van scholen waar de pantoffels alleen worden uitgedeeld aan kinderen met klompen het dan ook niet, dat het aantal klompendragers veelal belangrijk toeneemt. Het boekje ‘Hygiënische Eischen enz.… voor scholen’ , meldt in verband met die reinheid in haar uitgave uit 1900 ‘een breed rooster achter de ingang van de school noodzakelijk evenals een kokosmat voor elke klaslokaal deur'.
De aanwezigheid van schoolpantoffels is om die reden gewenst, zoals het ook de negatieve effecten wegneemt bij scholieren, die anders de hele dag met natte of zeer koude voeten op de houten vloer moeten doorbrengen. Vragen die bij de burgemeesters en wethouders in de verschillende steden en dorpen spelen zijn, behalve de financiering, wie verantwoordelijk wordt voor de uitvoering. In Amsterdam moet het college daar erg lang over nadenken. Gevolg is dat hoofden van scholen, met hun onderwijzers middels fondsen, geld bij elkaar gaan sprokkelen om zo niet alleen de schoolpantoffel maar bijvoorbeeld ook kinderkleding voor onvermogende ouders te kunnen financieren. Wat later ontstaat er een Commissie van Hoofden van Lagere Scholen (openbare en bijzondere) voor dat doel. Cijfers uit 1895 geven aan dat er per school 80 á 120 paar pantoffels aanwezig moeten zijn om kinderen, die met natte voeten of klompen binnenkomen, te helpen. In de hoofdstad werpt de Commissie voor Werkverschaffing zich op om sterke schoolpantoffels op flinke schaal ter hand te nemen. Eenvoudig is dat niet. Vooral de vraag om zoolleer, onder meer gericht aan schoenmakers en leerfabrikanten, vindt, op één uitzondering na, geen respons. Vervolgens blijkt als snel dat, door het hard groeiende aantal aanvragen, ook het overige materiaal ontbreekt. Er volgen oproepen in diverse dagbladen om waardeloze stukken karpet ter beschikking te stellen. Het helpt, al blijft het aantal paren, dat een school kan aanvragen, noodgedwongen beperkt tot 30. Ook wordt bepaald dat de pantoffels alleen tijdens de lessen gedragen mogen worden. Niet onlogisch daarbij is, dat ze uitsluitend zijn bedoeld voor klompendragers en leerlingen die door slecht voetwerk met natte voeten naar school komen. Statistieken geven aan dat er tussen 1894 en 1898 in de hoofdstad 4841 paren worden afgeleverd. Van de 96 openbare lagere scholen 1e klas zijn er nog slechts 22 die geen aanvraag voor schoolpantoffels hebben ingediend. Verder blijkt dat, na enige aarzeling, er ook verzoeken van bijzondere scholen binnenkomen. 

Professioneel

Wat jaren later blijkt hoe professioneel de schoenmakers, die zijn aangesteld door de Commissie voor Werkverschaffing, bezig zijn geweest. Onderzoek wijst uit dat die schoolpantoffels beter van vorm zijn, nauwkeuriger in elkaar zijn gezet en, mede dankzij het stiksel, langer meegaan dan de door de schoenmagazijnen geleverde exemplaren. In kleinere gemeenten zetten onderwijzeressen handarbeid zich regelmatig in. Daar leeft het idee de meisjes van de zesde klas tijdens de lessen handarbeid de pantoffels te laten vervaardigen. Dat is twee vliegen in een klap: praktisch en leerzaam. Veel onderwijzeressen zien het bovendien als een manier om de lust tot handwerken aan te kweken. Het hoofd van de school vraagt in zo’n geval aan moeders hun kinderen voor dat doel niet langer gebruikte kledingstukken mee te geven. Probleem is echter een schaarste aan oude lappen in arme gezinnen. Om dat gebrek te bestrijden verschijnen er soms oproepen in de lokale krant.
Een werktekening van een schoolpantoffel. 
                                       Tekening: archief.
Dat er tijdens raadsvergaderingen af en toe heftige discussies over het verschaffen van de pantoffels plaatsvinden, ligt voor de hand. Daarbij speelt de leermiddelenvraag een rol totdat de raadslieden uit verschillende steden en dorpen het er over eens zijn dat je op klompen geen gymnastiekles kan volgen. Schoolpantoffels zijn dus noodzakelijk en vallen hierdoor onder de rubriek leermiddelen. Vraag blijft of die gratis moeten worden verstrekt. Dat uitdelen wekt immers de begeerlijkheid bij ouders op. Die politici hebben deels gelijk. Uit een onderzoek dat een aantal jaren na de komst van het collectief verstrekken van de schoolpantoffel wordt gehouden, blijkt dat er twee hoofdgroepen zijn. De eerste zijn vaste klanten die bijna elke week met hun aanvragen komen. De tweede categorie zijn mensen die niet eerder een verlangen uitspreken dan wanneer het water tot de lippen komt doch die, zodra de vader weer werk heeft of van zijn ziekte is hersteld, geen aanvragen meer doen. In tegenstelling tot de eerste groep, die haalt wat er te halen valt, zijn de kinderen van de tweede categorie, bijna zonder uitzondering, zeer zindelijk en net gekleed. De kleren, hoewel dikwijls tamelijk oud, zijn heel proper. Die ouders uitten, in tegenstelling tot de eerste groep, ook vrijwel altijd hun dankbaarheid over de geboden hulp.

Leerplichtwet

Dat het verstrekken van de schoolpantoffel geen vrijblijvende zaak blijft, heeft te maken met de leerplichtwet. Deze wordt in maart 1900, met een meerderheid van slechts één stem, aangenomen en treedt, na het koninklijk besluit van 19 november 1900, op 1 januari 1901 in werking. Reden voor die ‘overwinning’ is de afwezigheid van Francis David graaf Schimmelpenninck, een tegenstander van de wet. Hij is van zijn paard gevallen en kan om die reden niet in de Tweede Kamer aanwezig zijn om te stemmen. De wet, mede bedacht om kinderarbeid te stoppen, stuurt jongens en meisjes van 6 tot en met 12 jaar verplicht naar de lagere school. Daarbij staat in artikel 35 vermeld dat aan de gemeentebesturen de bevoegdheid is toegekend om, waar dit nodig blijkt, aan schoolgaande kinderen, ter bevordering van het schoolbezoek, voeding en kleding en dus ook schoolpantoffels, te verstrekken of wel voor dat doel subsidie te verlenen. De wet legt de ouders de verplichting op hun kinderen geregeld naar school te zenden.
In de Amsterdamse gemeenteraad wordt een behoorlijk robbertje woordelijk gevochten voordat er begin 1904 een regeling tot stand komt. Hierin is terug te lezen dat de verstrekking van kleding zich zal bepalen tot de uitreiking van: 1) klompen, 2) leren pantoffels, 3) schoolpantoffels. De verstrekking van voedsel omvat 1) een middagmaal gedurende de wintermaanden. 2) een ontbijt gedurende de zomermaanden. Al deze toewijzingen zullen zo mogelijk geschieden door particulieren verenigingen dan wel schoolbesturen. Voor dit doel zal een gemeentelijke subsidie worden verleend. Onderzoek naar de toestand van de gezinnen geschiedt door de verenigingen of de schoolbesturen.
Voordat de gemeenteraad van Amsterdam eruit is, hebben twee verenigingen zich al opgeworpen om het arme schoolkind ter zijde te staan. Het gaat om de Vereeniging voor Kinderkleeding en de Amsterdamsche Commissie voor Schoolpantoffels. Laatstgenoemde wordt in december 1901 gevormd. Op 1 december 1903 gaat een proef van start ‘omdat het verschaffen van schoolpantoffels van het grootste belang is’. Ze denkt het eerste jaar 12.000 paren nodig te hebben, die samen met de onderhoudskosten een bedrag vragen van 125.000 gulden (€ 56.723). Aangezien er ook buiten de school schoeisel nodig is, denkt de commissie aan de aanschaf van 40.000 paar klompen. Dat vraagt een bedrag van 12.000 gulden (€ 5.445) Voor het in reparatie zijn van schoenen is een post uitgetrokken voor leren pantoffels. Deze kunnen dan naar het verzuimende kind worden gezonden, waardoor hij alsnog naar school kan komen. Het vergt een uitgave van 1600 gulden (€ 726).

Werkloze schoenmakers

In ‘s-Gravenhage worden de eerste schoolpantoffels collectief uitgereikt in 1896. Verantwoordelijk daarvoor is de Commissie van Werkverschaffing van de Christelijke Volksbond. Deze organisatie, met een hoofdkantoor aan de Zuid-Oost-Buitensingel 179, ziet het als een manier om werkloze en beginnende schoenmakers aan werk te helpen.
Hoewel dr. Johannes Theodorus Mouton, wethouder van onderwijs, het aanbod krijgt voor alle armenscholen pantoffels te vervaardigen, wordt het niet direct een succes. Een groot aantal hoofden van scholen ziet in eerste instantie het organiseren van de pantoffels niet zitten. De grote voordelen voor de gezondheid en zindelijkheid der kinderen worden weliswaar onder ogen gezien, maar waar laat je al die klompen en doorweekte schoenen.
Maar ook, hoeveel schoolpantoffels zijn er nodig, wie komt ervoor in aanmerking en hoe moet het uitdelen ervan worden georganiseerd. Bij de Commissie van Werkverschaffing, onder voorzitterschap van Adolph Charles baron Bentinck, kamerheer van de koningin,
De strijd tegen koude voeten.
  Illustratie: Algemeen Handelsblad.
speelt een ander probleem. Daar moet elk jaar opnieuw een strijd worden geleverd om voldoende geld binnen te krijgen. De organisatie moet het namelijk volledig hebben van giften en de inkomsten uit de verkoop van opgeknapte goederen, die door middel van inzamelingen binnenkomen. Hoewel ook koningin Wilhelmina en koningin-regentes Emma jaarlijks een flink bedrag schenken - ieder 500 gulden (€ 226,89) - is het nauwelijks genoeg.
Met de komst van de Vereeniging Kinderkleeding, een initiatief van vijf onderwijzers, lijkt de toekomst van de schoolpantoffel gegarandeerd. Opgericht in 1896, met een koninklijke goedkeuring in eerste instantie op 24 augustus 1900 en vervolgens op 23 juli 1902 via een koninklijk besluit, vertellen de statuten om, ter voorkoming van schoolverzuim, leerlingen van openbare lagere scholen die daar behoefte aan hebben, te voorzien van kleding en schoeisel. Eugenius Sieburgh, oud assistent-resident in Nederlands-Indië en voorzitter van zowel de Commissie tot wering van Schoolverzuim als de Vereeniging Kinderkleeding, moet al snel constateren dat het geld niet binnenstroomt. De op 11 juli 1914 op 77-jarige leeftijd overleden bewoner van de Obrechtstraat 88, getrouwd met Alida Kepper, constateert in december 1902 dat ze weliswaar schoeisel heeft kunnen verschaffen, meestal klompen (dat jaar in Den Haag: 2912, in Scheveningen: 246), ‘dankzij donateurs, leden en de offervaardigheid van andere liefdadige stadsgenoten’, maar dat die giften niet genoeg zijn om de werkkracht van de vereniging te versterken. Hoe groot de nood is, tonen in 1903 de statistieken: ’s-Gravenhage telt dat jaar zo’n 20.000 kinderen wiens ouders niet behoorlijk voor hun kleding en schoeisel kunnen zorgen. Om die reden vraagt hij aan de gemeenteraad om een subsidie van 5000 gulden (€ 2268,90). Het wordt, na veel praten en de steun van andere organisaties als de afdeling ’s-Gravenhage II van het Volksonderwijs en het Nederlandsch Onderwijs Genootschap, een jaarlijkse ondersteuning maar alleen als ook bijzondere scholen, die onder dezelfde leerplichtwet vallen, profiteren. De vereniging kan hierdoor in het jaar 1903 – 1904 f 979,25 (€ 444,36) aan klompen uitgeven. Een jaar later (1904 – 1905) is dat f 667,04 (€ 302,69), ofwel 3032 paar klompen. Ze zijn afkomstig van de gebroeders Hulscher uit Alphen aan de Rijn. Deze eigenaren van de eerste stoomklompenfabriek in Nederland kunnen binnen acht dagen 2000 paren leveren. Kosten: 22 cent per set. In 1905 wordt de subsidie, dankzij de opstelling van een aantal bijzondere scholen, teruggebracht tot 600 gulden. Sieburgh constateert dat de schatkist haar bodem laat zien en plaatst op 5 januari 1905, als oproep voor giften, een gedicht in de Haagsche Courant die door De Avondpost wordt overgenomen. Een van de strofe luidt:
                                            ‘Als ’t schoeisel aan de voetjes faalt.
                                             Geen warmte ’t koude lijfje omstraalt.
                                             Als ’t huiverend loopt te beven.
                                             En ’t daardoor niet naar school toegaat.
                                             Wilt ’t kind uw hulp dan geven’.

Beter leven

De Vereeniging Kinderkleeding blijft in Den Haag niet de enige strever naar een beter leven voor het arme kind. Op 8 november 1905 wordt de Vereeniging Verstrekking van School-pantoffels in ’s-Gravenhage en Scheveningen opgericht. Het koninklijk besluit volgt op 12 september 1908. In de elf artikelen tellende statuten en het 20 artikelen omvattende reglement is terug te lezen ‘die kinderen van schoolpantoffels te voorzien die na nauwkeurig ingesteld onderzoek daaraan behoefte hebben’. De vereniging bestaat uit gewone leden (1 
   Originele omslag van de statuten en het reglement van
de Vereeniging Verstrekking van schoolpantoffels.   
                                                                     Foto: archief.
gulden per jaar), donateurs (minimaal 5 gulden per jaar) en werkende leden. Dat zijn hoofden van scholen en onderwijzers die zich als zodanig aan het bestuur opgeven. De vereniging, bestaande uit vijf bestuursleden en gevestigd in Den Haag, is de overeenkomst aangegaan voor 29 jaar en 11 maanden aanvangend op de dag van oprichting. Als eerste voorzitter wordt Frederik Eterman gekozen. Hij is hoofd van een openbare lagere school, getrouwd met Alida Dina Antonetta Huijsse en vader van twee kinderen. Op 17 maart 1865 geboren in Delft heeft hij zijn akte van hoofdonderwijzer gehaald op 2 februari 1886. In zijn geboorteplaats kiest Frederik in april 1883 voor het onderwijs en functioneert hij tot oktober 1902 als secretaris bij de Commissie tot Wering van Schoolverzuim. In Den Haag wordt hij dat jaar hoofdonderwijzer in Kortenbosch. Drie jaar later is hij ook 2e secretaris bij de Vereeniging Kinderkleding. Na acht jaar, op 1 september 1910, wordt Eterman, hoewel hij liever was verplaatst naar een school aan de Noordwal, hoofd van de openbare lagere school aan de Bakkerstraat 59. Vanaf december 1909 maakt Frederik deel uit van het in Utrecht opgerichte bestuur van de Vereeniging van Onderwijzers en Onderwijzeressen tot Opleiding van Onderwijzeressen bij het Voorbereidend Onderwijs. Hij is lid van schietvereniging Het Vaderland. Dat levert hem in augustus 1894 een eremedaille op voor de meest geschoten punten (53). In februari 1906 verschijnen er bij de firma Joh. Ykema ‘Historische Portretten’, die door Frederik Eterman en Jan Willem de Jongh zijn vervaardigd. De twee hoofden van scholen hebben zes portretten getekend. Het gaat om Julius Caesar, Karel de Grote, Karel V, Filips II, Lodewijk XIV en Napoleon. Ze zijn gedrukt in 8 á 10 kleuren op chromoplaten. De prijs is 6 gulden (€ 2,72). Een tweede serie verschijnt in 1911 met onder andere koning Willem I, Rutger Jan Schimmelpenninck, Frederik Hendrik en Amalia van Solms. Critici menen dat dit werk beter uit de verf is gekomen. De eerste serie portretten is wat stijf. De tweede reeks bestaat uit ‘mooie figuren, mooi van stand, omgeving en kleur’. Het duo heeft er reizen voor gemaakt. Zo dient een Engels kasteel, dat zijn poorten en zalen heeft geopend, als decor. Frederik Eterman wordt in 1928 opgevolgd door Adrianus Sneep, geboren op 6 februari 1879 in Mijnsheerenland, een dorp in de Hoeksche Waard. De onderwijzer is in 1913 van Rotterdam naar Den Haag verhuisd voor een functie in de Pretoriusstraat 95. In 1922 vervolgt hij zijn loopbaan in de Hemsterhuisstraat 154.
De rest van het bestuur van de vereniging tot Verstrekking van Schoolpantoffels bestaat uit secretaris Jacobus Lucas van Schie. Hij is geboren op 15 juli 1871 in Delft, sinds 1891 onderwijzer en sinds 1903 hoofd van de openbare school voor uitgebreid lager onderwijs aan de Badhuisstraat. Penningmeester Johannes Kuijk, geboren op 17 december 1870 in Den Haag, is onderwijzer in de Achterraamstaat 10 en actief bij de Vereeniging Kinderkleding. Hij wordt in 1910 opgevolgd door hoofdonderwijzer Johan Adriaan Notenboom, op 14 april 1862 geboren in Delfgauw, een dorp in de gemeente Pijnacker-Nootdorp, en op 19 juli 1920 op 58-jarige leeftijd overleden. Zijn taak wordt in 1918 overgenomen door Grietje Plaatsman. Zij is op 24 juli 1887 geboren in Harenkarspel. De onderwijzeres komt in 1912 vanuit Enschede naar Den Haag om les te gaan geven op de lagere school in de Fischerstraat 15. Daarna volgen scholen in de Majubastraat 2, de Sneeuwbalstraat 137 en de Abeelstraat 30. Ondertussen slaagt ze in juli 1916 voor het examen in Handtekenen voor het Lager Onderwijs. In 1923 geeft ze haar functie als penningmeesteres over aan de uit Vlissingen afkomstige Johannes Jacobus van Tongeren. Geboren op 25 augustus 1878 is hij als onderwijzer onder meer werkzaam op de openbare lagere school aan de Hoefkade 101 en in de Stortenbeekstraat 10. Hij wordt als tijdelijke leraar wiskunde ingezet op de Hogere Burgerschool aan de 3e Van den Boschstraat en functioneert als directeur bij de Gemeentelijke Handelscursus aan het Westeinde 47. De op 17 juni 1884 geboren Pieter van der Burgh is de volgende. Hij vervult de functies van secretaris en penningmeester en is in zijn werkzame leven hoofd van de openbare lagere school in De Gheijnstraat 51. Vervolgens verhuist hij naar de Boylestraat 20 om in 1941 als hoofd van de school terecht te komen op de Zuidwal 47. Het eerste lid van de vereniging is Jakob Laban, geboren 30 november 1868 in Oud-Beijerland. Na de Rijkskweekschool in Haarlem is hij hoofd van de openbare lagere school in de Stortenbekerstraat 10 geworden. Sinds februari 1904 functioneert hij als hoofd van de Haagse afdeling van het Nederlandsch Onderwijzers Genootschap. Jakob overlijdt, 39 jaar oud, op 10 november 1908. Het tweede lid, Jacobus Hendrik Struijs, geboren 19 februari 1871 in Vlaardingen, is onderwijzer op de openbare lagere school in de Duinstraat 55. Een van de volgende leden is Willemijntje Johanna Siliakus. Op 28 augustus 1878 geboren in Den Haag is de vrijgezelle dame tijdens haar carrière als onderwijzeres handarbeid onder meer te vinden op het Rijswijkse Plein en in De Gheijnstraat.

Touwpantoffels

Het verstrekken van de schoolpantoffels verloopt de eerste dertien jaar zonder veel problemen. In 1909-1910 ontvangt de vereniging 914 gulden (€ 414,75) aan giften en jaarlijkse bijdragen. Het betekent de aanschaf van 1524 paar touw-pantoffels, gemaakt van zeildoek met een zool van gevlochten touw. Kosten 533 gulden (€ 241,86). Voor het herstel wordt 161 gulden (€ 73,05) betaald. Besloten wordt ook kinderen met lekke schoenen van 
Touwpantoffels. 
Tekening: archief.
pantoffels te voorzien. Gebleken is namelijk dat de zeildoek-pantoffels zeer sterk zijn. Dit is voor het bestuur reden aan te nemen, dat de kinderen er langer dan een jaar mee kunnen doen. ‘Hierdoor wordt de kans vergroot dat in het komend jaar aan alle aanvragen kan worden voldaan’, aldus de voorzitter in het jaarverslag. Dat lukt helaas niet, want in het boekjaar 1911-1912 komt er f 804,40 (€ 365,02) binnen dankzij de contributie van de donateurs (f 180,-), de leden (f 582,65) en giften (f 41,75). Het is genoeg om 953 touw-pantoffels (f 333,55) en 108 leren-pantoffels (f 151,20) te kopen en de reparaties te betalen (f 91,02). Volgens Eterman kwamen er van ruim veertig scholen aanvragen binnen. Tevreden stelt hij vast dat de vereniging op zowel de Haagse als Scheveningse scholen samen, inmiddels vierduizend paren heeft ondergebracht.
Dat ook in andere plaatsen de behoefte wordt gevoeld om leerlingen, die anders op hun (vaak versleten) kousen in de schoolbanken moeten plaatsnemen, aan warm droog schoeisel gedurende de lesuren te helpen, bewijst een verzoek uit Middelharnis, een dorp aan het Haringvliet. Er wordt aan de vereniging Verstrekking van Schoolpantoffels om inlichtingen gevraagd over de beste wijze van aankoop van de in Den Haag in gebruik zijnde pantoffels. ‘Om ze te helpen hebben wij bij onze leverancier 250 paar meer besteld. Wij hebben die tegen kostprijs afgestaan. Het bedrag werd direct voldaan’, aldus voorzitter Eterman.
Het zijn de jaren dat ’s-Gravenhage mooie sier maakt met haar verstrekking van gratis kleding en voeding. Zo prijkt de stad in 1911 bovenaan de landelijke lijst met een totale uitgave van f 39.204,58 (€ 17.790,25). Amsterdam besteedt f 29.597,02 (€ 13.430,53) en Rotterdam f 6.986,44 (€ 3.170,31). In dat jaar worden 280.000 porties voeding uitgedeeld. Gemiddelde prijs per portie 9 cent. In de winter gaat de voedselverstrekking naar 1975 Haagse en 412 Scheveningse kinderen. In de zomer zijn dat 370 Haagse en 53 Scheveningse kinderen.  

Nadelig saldo

In 1918 laten de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog zich voelen. Door prijsstijgingen is er bij de vereniging een nadelig saldo ontstaan van f 456,50 (€ 207,15). De subsidie van 600 gulden (€ 272,27) per jaar blijkt niet genoeg. In 1920, maar ook in 1921, 1922 en 1923 is er een extra bedrag nodig van 500 gulden (€ 226,89). Een simpele rekensom laat zien waarom: in 1919 worden zevenhonderd paar touwpantoffels aangevraagd. Dat is een kostenpost van 1500 gulden (€ 680,67). Als de inkomsten door middel van contributie en giften plus minus 500 gulden bedragen en er dankzij de subsidie 600 gulden binnenkomt, dan is er een tekort van 400 gulden (€ 181,51). Wat daarbij in 1923 extra op de begroting drukt, is de aanhoudende regen. Het maakt de vraag naar pantoffels zeer groot omdat het schoeisel van
Het vignet van de Vereeniging Verstrekking
van Schoolpantoffels.      Tekening: archief. 
heel veel leerlingen in zeer slechte staat verkeert. Twee jaar later vraagt de vereniging de subsidie opnieuw te verhogen. Nu naar 1100 gulden (€ 499,16). Ze heeft haar inkomsten zien dalen dankzij een forse afnamen van leden terwijl er, ondanks propaganda, geen nieuwe toetreden. Ondertussen stijgt het aantal scholen dat een verzoek indient – inmiddels 47 lagere scholen, 7 buitengewoon lagere scholen en 6 bijzondere scholen. Bovendien neemt de vraag naar leren pantoffels, om schoolverzuim te voorkomen, flink toe en is de post ‘reparatie’ gegroeid. Om het in dat laatste jaar (1923) financieel niet te veel uit de hand te laten lopen, zijn er veel minder reparaties uitgevoerd. Bovendien heeft de vereniging niet volledig kunnen voldoen aan de aanvragen van scholen. Zo heeft ze van de 304 paar aangevraagde leren pantoffels er maar 128 kunnen uitdelen. Dat gemis is voor het bestuur van de vereniging Verstrekking van Schoolpantoffels aanleiding om aan burgemeester en wethouders voor te stellen, het leveren van die leren pantoffels door de gemeente te laten uitvoeren. De afdeling Den Haag van de Bond van Nederlandsche Onderwijzers reageert in december 1924 met de opmerking dat de gemeente dan net zo goed de hele taak van de vereniging kan overnemen. Dat gebeurt niet.
Het idee komt opnieuw bovendrijven als de koninklijke goedkeuring van de vereniging vervalt. Vanaf die datum - 8 oktober 1935 – is ze geen rechtspersoonlijkheid meer, wat moeilijkheden kan opleveren bij het verstrekken van de subsidie. Voorzitter Adrianus Sneep laat dat op 5 augustus 1936 aan burgemeester en wethouders weten. Op dat moment telt de vereniging nog 50 à 60 leden, die samen met de donateurs, een jaarlijkse contributie betalen van ongeveer 70 gulden (€ 31,76). Zo’n 40 openbare scholen dragen 60 gulden (€ 27,23) bij en oudercommissies, die zo hun waardering voor de geboden hulp willen uitspreken, 20 gulden (€ 9,08). De subsidie van de gemeente is 1000 gulden. De leden en donateurs verminderen onder meer door vertrek en overlijden nog altijd in aantal terwijl er geen nieuwe leden bijkomen. Aanvragen voor schoolpantoffels worden ingediend door ongeveer 60 hoofden van openbare en bijzondere lagere scholen. Er zijn er die zelden aanvragen, anderen, als de Zuidwal en Sloepstraat bijvoorbeeld, zeer vaak.

Opheffing

Op 9 juni 1937 wordt, tijdens de jaarvergadering van de vereniging Verstrekking van Schoolpantoffels, besloten tot opheffing als de gemeente de voorziening van noodschoeisel zelf ter hand neemt. Aanleiding zijn de financiën. Het bestuur concludeert dat de gemeente in feite al een paar jaar het verstrekken van de schoolpantoffels met haar jaarlijkse subsidie betaalt. De opbrengst uit contributie en giften stelt namelijk helemaal niets meer voor. In het boekjaar 1935-1936 is het f 149,05 (€ 67,64). Bovendien moet op dat moment opnieuw koninklijke goedkeuring op de statuten worden verzocht, een kostenpost van 25 gulden.
Formulier voor het werven van nieuwe leden voor de vereniging.
                                                                                   Foto: archief. 
Vier maanden later, op 6 oktober 1937, komt het voortbestaan opnieuw ter sprake. Tijdens die bijeenkomst speelt de vraag op welke wijze de voorziening van het noodschoeisel na opheffing zou moeten plaatsvinden. Er is zo weinig belangstelling voor die vergadering dat er geen beslissing kan worden genomen. B&W krijgt wel een brief waarin twee suggesties zijn te vinden: 1) de gehele noodvoorziening beëindigen en de vereniging opheffen, 2) het handhaven als gemeentelijke dienst. Daarbij zou het bestuur van de niet langer koninklijk erkende vereniging zich met de verstrekking kunnen blijven bemoeien.
Burgemeester en wethouders concluderen dat de voorziening onder de huidige tijdsomstandigheden (crisisjaren), niet kan worden gemist. Nu evenwel de belangstelling van de leden der vereniging voor deze arbeid der mate is gedaald, dat praktisch alle werkzaamheden door enkele bestuursleden moeten worden verricht, terwijl de vrijwillige bijdragen een onbelangrijk bedrag laten zien, zijn B&W en de Commissie voor het Onderwijs van oordeel dat er aanleiding bestaat de verstrekking van schoolpantoffels voortaan via gemeentewege te laten uitvoeren. Het Bureau Kinderkleding van de afdeling onderwijs kan die taak op zich nemen. Voordeel is dat alle voorzieningen betreffende kinderkleding en -schoeisel in één hand komen. Er wordt een ontwerpregeling samengesteld. Daarin is onder meer te lezen dat elke daarvoor in aanmerking komende school de beschikking krijgt over een aantal paren pantoffels. De niet door de aangegeven instanties aangewezen scholen welke nog pantoffels bezitten – de totale reserve op Haagse en Scheveningse scholen bedraagt op dat moment 589 - behoren hun voorraad ter beschikking te stellen aan de gemeente. Het hoofd van de school verricht alle uit de pantoffelverstrekking voortvloeiende werkzaamheden. Zo beoordeelt hij/zij of de verstrekking nodig is. Als richtlijn dient daarbij, dat de pantoffels slechts mogen worden verstrekt aan die leerlingen die schoolkleding ontvangen en/of deelnemen aan de schoolvoeding. Indien aanvulling van de voorraad nodig is, maakt het hoofd van de school gebruik van ontwerpbon A. Deze dient te worden ingeleverd bij het Bureau Kinderkleding. Te herstellen pantoffels worden door het bureau, vergezeld van ontwerpbon B, aan een nader aan te wijzen schoenhersteller in reparatie gegeven.
Die keuze zou dan, ook in verband met een zo billijk mogelijk tarief, moeten gebeuren in overleg met de op 17 januari 1887 in Beverwijk geboren Hendrik Hoek, directeur van de op 2 mei 1913 opgerichte Haagsche Vakschool voor Schoenmakers. 
Dat het uiteindelijk niet zover komt en de vereniging Verstrekking van Schoolpantoffels haar werk vanaf 12 december 1938 (volgens de originele documenten tot en met 7 oktober 1965) met koninklijke goedkeuring kan voorzetten, heeft met de standpunten van burgemeester en wethouders te maken. Zo stelt professor Cornelis Lodewijk van der Bilt, wethouder van onderwijs, op 20 april 1875 geboren in Kapelle bij Goes, dat de gemeentelijke voorziening niet meer mag gaan kosten dan de 1000 gulden per jaar, die aan de vereniging als subsidie wordt verstrekt. Bovendien zou ze het leveren beperkt willen zien tot die openbare en bijzondere scholen welke een overwegend arme bevolking hebben. Voor het aanwijzen ervan zou, voor wat betreft de openbare scholen, het advies van de Gemeentelijke Inspectie van het Onderwijs moeten worden ingewonnen. Ten aanzien van de bijzondere scholen komen daar de Haagsche Scholenraad en de Rooms-katholieke Schoolraad voor in aanmerking. Probleem is echter, dat het 2e lid van artikel 36 van de leerplichtwet zegt, dat kinderen die openbare en kinderen die bijzondere scholen bezoeken, op gelijke voet moeten worden behandeld. Dat roept de vraag op of de verstrekking van pantoffels wel beperkt mag worden tot enkele bepaalde scholen. Uiteindelijk zullen er, ook op scholen welke geen overwegend arme bevolking hebben, kinderen zijn die af en toe behoefte hebben aan pantoffels.

Handhaven

Na overleg meent het gemeentebestuur, dat in het belang van het leerplichtige kind, de vereniging moet blijven bestaan om zo de verstrekking van de schoolpantoffel op de bestaande voet te handhaven. Hoewel de vereniging heeft geprobeerd om tijdens de discussie over het al dan niet voortbestaan van de vereniging het werk zo goed mogelijk voort te zetten, heeft ze wel de helft van haar subsidie misgelopen. De vangst in 1936 en 1937 is 500 gulden per jaar. Desondanks heeft ze aan plusminus 70 scholen nog 378 paar lederen en 60 paar tapijtpantoffels kunnen verstrekken. Voor het herstel van het noodschoeisel is een bedrag van f 463,10 (€ 210,15) uitgegeven. Die reparaties gebeuren al sinds jaar en dag door de op 29 maart 1903 geboren Johannes Andries van Kruijssen. Hij heeft een zaak op de Loosduinseweg 821 en hanteert een tarief van 15 cent voor stiksel, 60 cent voor zolen en 35 cent voor haken voor alle maten. Het formulier voor die schoenherstelling kunnen ouders verkrijgen bij het gemeentelijk leermiddelenmagazijn aan de Kerkstraat 13. Het nieuwe noodschoeisel wordt al in tijden aangeleverd door Leender Martinus Platteeuw. De op 13 juni 1884 geboren directeur van schoenmagazijn
Advertentie van Leender Martinus Platteeuw.
                                                    Foto: archief. 
De Kaplaars komt uit een schoenmakers familie, want ook zijn vader Cornelis hield zich met het vak bezig. In november 1924 maakt hij er, samen met zijn broer, elektrotechnisch ingenieur Wilhelm Nicolaas Cornelis (4 februari1893), een naamloze vennootschap van. Het startkapitaal bedraagt 25.000 gulden. Hij is dan al een tijdje schoenwinkelier. Zo bevindt zijn eerste winkel zich in 1911 in de Torenstraat 18-18a. In december 1922 verhuist hij naar de Vleerstraat 42-42a om in 1930 te eindigen in het Westeinde 45, op de hoek met de Vleerstraat. Platteeuw, getrouwd met Johanna Holt van Dijkerhof en vader van dochter Judith, is secretaris van de ’s-Gravenhaagsche Schoenwinkeliers Vereniging, die is opgericht in april 1924. Hij overlijdt, 72 jaar oud, op 3 april 1957. Klompen worden in die periode aangeleverd door Arie Verbaan Jzn. Zijn winkel, sinds 1789 in het bezit van de familie op de hoek van de Schuitenweg en de Wassenaarsestraat, kenmerkt zich door een grote klomp als gevelversiering.

Economische crisis

Hoewel de vereniging, na zo’n anderhalf jaar stilstand, de draad weer volledig kan oppakken, lijkt de schoolpantoffel zijn langste tijd te hebben gehad. Schuldig daaraan is behalve de economische crisis, de vooruitgang. Zo doet begin jaren dertig de rubberen zool zijn intrede waardoor schoenen langer meegaan. In 1933 kost een paar schoolpantoffels met rubberen zool tussen de 49 en 69 cent. De prijs voor schoollaarzen is dat jaar f 2,75. In september 1936 brengt een voorgestelde bezuiniging van zo’n 22.500 gulden (€ 10.210,05) de Haagse gemeenteraad op het idee de kinderschoenreparaties van werklozen af te schaffen. Ter compensatie wordt gedacht aan het uitreiken van een extra paar schoenen per jaar aan die schoolgaande kinderen, die daar behoefte aan hebben. Vanaf dat moment bestaat er niet langer die dwingende noodzaak schoolpantoffels te verstrekken. Bij reparatie van het ene paar kan de leerling gebruik maken van het andere paar en hoeft er dus niet te worden verzuimd.
Directeur Hendrik Hoek van de Vakschool voor Schoenmakers, die aan zijn collega’s denkt, laat weten dat die bezuiniging ook bereikt kan worden zonder het afschaffen van de reparaties. Zo zou het aantal herstellingen beperkt kunnen worden tot zes keer per jaar. Om ouders aan te sporen hun kinderen te leren zuiniger met het schoeisel om te gaan, zou een eigen bijdrage van 25 cent kunnen worden gevraagd. Dat bedrag zou bij de aanbieding van het schoeisel moeten worden voldaan. Schoenmakers zouden in plaats van een normaal loon een ‘werkverschaffingsloon’ betaald moeten krijgen. Volgens de directeur bedraagt de bezuiniging door het beperken van het aantal reparaties zo’n 7000 gulden (€ 3176,46). Dankzij de te betalen vergoeding (50.000 keer 25 cent) komt er 12.500 gulden (€ 5672,25) binnen. De schoenen die worden verstrekt, zijn normaal gesproken, molières (lage schoenen met veters), tenzij de huisarts anders beslist. Zo zijn er voor kinderen met moeilijke voeten rijglaarzen beschikbaar. De reparatie van die laarzen bij kinderen van werklozen wordt door de Vakschool voor Schoenmakers uitgevoerd. Dat het in Nederland economisch slecht gaat, is ook af te lezen aan de schoenprijzen. Betaalde ouders in 1932-1933 nog f 2,10 voor maat 28/31, in het boekjaar 1934-1935 is die gezakt tot f 1,80. Dat ook bij de vereniging Verstrekking van Schoolpantoffels minder hoeft te worden uitgegeven, is te danken aan het aanwenden van rubber voor zoolbedekking. Dat neemt niet weg dat de gemeentesubsidie in 1939 stijgt naar 1350 gulden (€ 612,60). In schril contrast staat het saldo van de giften: 130 gulden (€ 59). Van die bedragen worden leren- en tapijtpantoffels gekocht.
Schoolformulier voor het storten van een bijdrage.
                                                           Foto: archief.
Bij het begin van de Tweede Wereld-oorlog blijkt hoe belangrijk het is dat de vereniging Verstrekking van Schoolpantoffels doorgaat met haar werk. Het schoeisel in gezinnen wordt merkbaar schaarser. Er is een forse vermeerdering van aanvragen. Dat komt omdat kinderen, die daarvoor nooit gebruik van de voorziening maakten, nu wel geholpen willen worden. Het aantal klompendragers neemt ook fors toe. Aan de financiële draagkracht worden hoge eisen gesteld. De totale uitgave in 1940 is f 1466,33 (€ 655,39). Schoenwinkelier Platteeuw ontvangt f 687,53 (€ 311,99). Het 
reparatieloon aan Van Kruijssen bedraagt f 514,20 (€ 233,33). De uitgaven in 1942 stijgen naar f 1969,61 (€ 893,77). Inmiddels heeft de schoenenbon zijn intrede gedaan. Een uitzondering wordt gemaakt voor schoolkinderen die voor van gemeentewege te verstrekken schoenen in aanmerking komen. Gevolg is dat het een vlotte verwerking van de goederen in de hand werkt.

Bevroren toestand

Secretaris Pieter van der Burgh concludeert in zijn jaarverslag van 1945 dat de vereniging ‘in een bevroren toestand verkeert’. Volgens hem is het werk totaal onmogelijk geworden. Reden is dat de voorraden noodschoeisel, als ze nog op scholen aanwezig waren, zijn opgebruikt door kinderen die geen schoeisel meer bezaten. Hij heeft ook meermalen het bericht gekregen, dat de nog op school aanwezige voorraad, was gestolen. ‘En reparaties, hoe nodig ook, blijken door gebrek aan materiaal onmogelijk’. Van der Burgh stelt, dat de vereniging, die haar taak zo lang mogelijk heeft volgehouden, haar heeft volbracht. Hij vraagt nog wel een subsidie van f 167,50 (€ 76) om laatste, vooral administratieve zaken te kunnen afhandelen. Die wordt door de gemeente verstrekt. Burgemeester en wethouders, die vaststellen dat de werkzaamheden van de vereniging ernstig zijn ingekrompen, nemen het besluit de taak onder te brengen bij de gemeentelijke dienst voor Schoolkinderzorg. Een steekproef uit 1945 van Adrienne Françoise Houba, schoolopziener van het lager onderwijs bij de inspectie ’s-Gravenhage, wijst uit dat nog altijd vijfentwintig procent van de leerplichtigen ongeoorloofd verzuimd. Ook op de zogenoemde gegoede scholen. De oorzaak moet, in een groot aantal gevallen, gezocht worden bij sociale nood, zoals gebrek aan kleding en schoeisel. Het is reden voor Jacobus (Co) van Zwijndregt (19-01-1894), de Haagse wethouder van onderwijs en kunstzaken, begin 1948 te onderzoeken in hoeverre er nog behoefte is aan schoolpantoffels en klompen. Uit het rapport, dat verschijnt, komt naar voren dat 43 van de 62 ingeschreven scholen het verstrekken van het noodschoeisel wenselijk achten. Zestien scholen antwoorden ontkennend, terwijl 3 scholen geen antwoord inzenden. Mocht de dienst voor Schoolkinderzorg de taak op zich nemen, dan zijn er 450 paar sandalen (2925 gulden/€ 1327,31) en 900 paar klompen (1400 gulden/€ 635,29) nodig. Dat de voorziening vervolgens volledig verdwijnt, komt omdat na het onderzoek, geen enkele school en geen enkele particulier, een aanvraag indient voor het verkrijgen van het noodschoeisel. ‘Het lijkt mij beter de belangstelling niet kunstmatig op te wekken doch af te wachten of, en in hoeverre, in de toekomst de voorziening nog noodzakelijk blijkt te zijn’, aldus mr. Johannes Velders (28-05-1913), sinds 1 januari 1945 hoofd van de afdeling onderwijs.
In Rotterdam is de voorziening, om bezuinigingsredenen, al eerder gestopt. Tot 15 februari 1933 zijn alleen schoenen verstrekt aan kinderen, die volgens de verklaring van de dokter, een voeteuvel hebben, waardoor ze niet goed op klompen kunnen lopen. Na die datum worden alleen klompen uitgegeven. Slechts in zeer bijzondere gevallen worden er door de Vereeniging voor het Verstrekken van Voeding en Kleeding aan Schoolgaande Kinderen nog schoenen verstrekt. Vóór februari 1933 is die reparatie van de schoenen voor rekening van de vereniging. Daarna wordt in geen geval meer voor dat herstel betaald. Nimmer worden in Rotterdam klompen of pantoffels verstrekt voor de tijd dat de reparatie geschiedt. Ook in Amsterdam is het verstrekken van schoolpantoffels en schoenen na de Tweede Wereldoorlog afgelopen. Sinds 1935 werden er geen schoenen meer uitgedeeld. Voor schoolpantoffels was een aanvraag nodig, maar die werd niet veel meer gedaan. Ook daar nam het klompgebruik weer toe. Zo ontvingen 3000 kinderen klompen en 128 kinderen een paar schoolpantoffels. Die voetbekleding werd verstrekt nadat onderzoek naar de gezinsinkomsten was ingesteld. Wanneer bij reparatie van de schoenen, klompen werden aangevraagd, werd dezelfde maatstaaf gehanteerd.
Niet verwonderlijk is, dat het de landelijke gebieden zijn waar schoolpantoffels tot in de eerste helft van de jaren vijftig van de vorige eeuw nog worden gebruikt. In steden en dorpen als Zutphen, Deventer, Ruurlo, Hengelo, Heerlen en Kerkrade wordt tijdens raadsvergaderingen gewezen op het nut van de schoolpantoffel. ‘Zolang door kinderen, die naar school gaan, klompen worden gedragen, is die pantoffel zeer gewenst’. Om dat op een ordelijke manier te laten verlopen, staan er in de ontvangsthal van de school onder de kapstokken klompenrekken, waar het schoeisel kan worden verwisseld. Dat het in Den Haag uiteindelijk in 1945 definitief is afgelopen, heeft één simpele reden: een gebrek aan schoolpantoffels.


                                                                                                   © Haags Nieuwsbureau 2026