zondag 12 juli 2026

Vissershuisjes

 

De woonomstandigheden uitgelicht

De armoede in
Scheveningen

door Hans Piët

SCHEVENINGEN - Armoede. In het Scheveningse vissersdorp droop het er aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw aan alle kanten vanaf. Een wel heel erg pijnlijk voorbeeld vormt de bewoning in de Heemraadstraat, een naam die in 1886 werd gekozen, vermoedelijk naar de aanwezige Heemraadslag, een gebouwtje van de Heemraden van Delfland. In die straat zitten in een doodlopend slop met de nummers 78 tot en met 100 (even nummers), twaalf gezinnen met 45 kinderen, samengepakt. Ook nu laat de gemeente, onder de noemer gebrek aan woonruimte, mede dankzij een explosieve bevolkingsgroei, zich van haar beste kant zien. Er wordt helemaal niets ondernomen.
Een aanzet tot actie volgt pas in 1910 wanneer de 42-jarige reder en vishandelaar Jacobus Johannes van der Zwan aangeeft zijn bokkingrokerij, gevestigd aan de Badhuisstraat 61g, te willen uitbreiden. Om daar de ruimte voor te verkrijgen, wil hij de steeg met visserswoninkjes, het er tussen liggende pad en de drie woningen die aan de Heemraadstraat liggen (de nummers 78, 80 en 106) kopen. Met het slopen van die krotten krijgt de vader van tien kinderen, die op 15 oktober 1890 is getrouwd met Adriana Letsch, hiervoor de benodigde ruimte.

Een inkijk vanaf de straat in de doodlopende slop van de Heemraadstraat 78 t/m 100 (even nummers) in Scheveningen.                Foto: Haags Gemeente Archief.



Die mogelijke koop is voor de directeur van Bouw- en Woningtoezicht, de op 2 augustus 1860 in Amsterdam geboren Andreas Johannes Maria Stoffels, die met zijn in Warschau geboren vrouw Maria Weiler en twee kinderen aan de Statenlaan 64 woont, aanleiding aan hoofdcommies Gerrit van Meeuwen, chef van de afdeling Openbare Werken, te vragen ze te inspecteren. Mogelijk zijn de vissershuisjes, nadat een recent onderzoek duidelijk heeft gemaakt dat er op korte termijn minimaal 600 nieuwe woningen in Scheveningen nodig zijn maar de behoefte belangrijk groter is, in zo’n staat dat ze beter behouden kunnen blijven. Het rapport van de uitvoerend inspecteur, dat op 18 juli 1910 verschijnt, vertelt een ander verhaal. Hij doet het voorstel ze onmiddellijk onbewoonbaar te verklaren. Die aanbeveling volgt op wat hij aantreft bij de in het slop gelegen éénkamerwoningen met zolder. De drie panden aan de Heemraadstraat hebben behalve een woonkamer een apart keukentje. Hij constateert dat de oppervlakten van de vertrekken onvoldoende zijn en voor een behoorlijke bewoning ongeschikt. Zo zijn de afmetingen, na aftrek van de bedstede, voor het perceel nr. 80 net 10,30 m2, voor de nummers 88 tot en met 98 11 m2, 11,78 m2 en 11,40 m2. Het oppervlak van de overige woningen is 11,85 m2. De verdiepingshoogte van de percelen 78 en 80 is 2,90 meter, van perceel 106 is het 2,85 m en bij de overige woningen slechts 2,45 á 2,60 meter, gemeten vanaf de begane grondvloer tot aan de onderkant van de zoldering. Plafonds zijn in de huisjes niet aanwezig en bij de nummers 88 tot en met 98 ontbreken toegangsportalen. Het bereiken van de zolder is elke keer opnieuw levensgevaarlijk. Zo is er in de percelen 88 tot en met 98 slechts een losse trapladder aanwezig. In de andere woningen is sprake van een zeer steile vaste trapladder.
 
Vocht
 
De huisjes, die elk een waterkraan van de duinwaterleiding hebben, zijn stuk voor stuk zeer vochtig. Dit komt door doorslaande muren en onvoldoende en slecht afgewerkte trasramen. Bovendien zijn de stenen grondvloeren, die op gelijke hoogte liggen met de bestrating van het slop, zo beroerd geconstrueerd dat het vocht uit de bodem niet wordt gekeerd. Gevolg is, dat het de vochtigheid in de woningen alleen maar bevordert. De pannendaken zijn minstens zo ondeugdelijk aangelegd, waardoor ze geen volledige afsluiting bieden tegen wind, water en sneeuw. Pijnpunt is ook dat de ramen te klein zijn om voldoende licht in de woningen te bieden.

De slop aan het begin van de vorige eeuw gezien vanaf de andere kant, waarbij
 de vervallen aard van de huisjes en wc's nog beter zichtbaar is.     Foto: archief.



Voor de twaalf huisjes in het slop zijn vijf privaten beschikbaar. Het gaat hier om een tonnenstelsel. Behalve dat ze in zeer slechte staat verkeren, bij twee ontbreekt een deur, zijn ze uit het oogpunt van welvoeglijkheid en welstand zeer ongunstig geplaatst. De woningen met nummers 78, 80 en106 hebben elk een eigen privaat, welke direct vanuit de keuken wordt bereikt. Deze wc’s zijn wel op de riolering aangesloten, Probleem is echter dat die afvoer zeer slecht functioneert en er regelmatig verstopping zijn, waardoor veel stank wordt verspreid die in het slop blijft hangen.
De inspecteur concludeert, gezien de onderhoudstoestand van de woningen, dat de percelen in hoge mate in strijd zijn met de meest dringende aan een arbeiderswoning te stellen eisen. Het is onmogelijk ze door verbeteringen in een bewoonbare staat te brengen. Het zou neerkomen op nieuwbouw. Directeur Stoffels, die het rapport, met zijn handtekening, naar de gemeenteraad stuurt, voegt eraan toe dat burgemeester en wethouders, om aan de wet te voldoen en om toestemming te krijgen van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, het advies van de Gezondheidscommissie moeten inwinnen voordat tot het onbewoonbaar verklaren kan worden overgegaan.
  
Verenigen
 
Dr. Johannes Gerard Maria Mastboom, die in 1884 vanuit Roosendaal naar de Residentie is verhuisd en als arts in het rooms-katholiek ziekenhuis werkt, laat op 3 november 1910, als voorzitter van die Gezondheidscommissie van ’s-Gravenhage, aan B&W weten: “Wij hebben de eer u te berichten dat wij ons geheel kunnen verenigen met de beschrijving van de toestand der percelen, gelijk die voorkomt in het bedoelde schrijven van de directeur van Bouw- en Woningtoezicht. Ook onze commissie is van mening dat deze woningen niet door het aanbrengen van verbeteringen in de zin van de Woningwet, zoals bedoeld in artikel 18 1e lid, in bewoonbare staat zijn te brengen en mitsdien onbewoonbaar behoren te worden verklaard”.
Een dag later nemen burgemeester en wethouders deze beslissing voor de woningen, met kadasternummers AG 935, 936, 937, 940, 941, 943, 944, 945, 947 tot en met 953. Het officiële raadsbesluit volgt op 21 november 1910. Die dag gaat er naar de bewoners een schrijven dat de vermelde percelen binnen de tijd van zes maanden, gerekend vanaf het raadsbesluit, moeten zijn ontruimd ofwel voor 21 juni 1911.
Plattegrond van de slop met de indeling van de
huisjes in de Heemraadstraat. Tekening: archief.
Voor Jaap van der Zwan is het reden de onderhandelingen met de acht eigenaren, de familie De Niet, te starten. Het gezin heeft de percelen al lange tijd in bezit. Ze werden indertijd (begin 1800) gekocht door opa Arie de Niet. Hij liet het woonproject na aan zijn op 30 november 1835 geboren zoon, koopman en reder Arie, die met zijn twee jaar jongere vrouw Jaapje Verbaan en zijn kinderen aan de Badhuiskade 13 woonde. Dat zijn vader het aan hem naliet, zijn de omstandigheden. Hij is de enige overgebleven zoon uit een gezin van zeven kinderen. Onderhandelingen over de koop worden gevoerd door de 48-jarige zoon van Arie, dr. Daniël de Niet, die aan de Johan van Oldenbarneveldlaan 5 woont. De op 7 augustus 1864 geboren zoon, reder Gerardus Martinus de Niet, die is getrouwd met de op 18 maart 1870 geboren Jacoba Johanna Francisca Varkevisser, vertegenwoordigt de belangen van de eigenaren in de onderhandelingen met de gemeente. Zo stemt hij erin toe zich aan artikel 16 van de Woningwet te houden en verschillende verbeteringen aan te brengen zoals het weer in orde maken van de privaten en het herstellen van de gebrekkige riolering. Hij vat het samen in een brief die hij op 2 juni 1911 naar de gemeente stuurt. In datzelfde schrijven vraagt Gerard of de ontruimingsperiode met zes maanden kan worden verlengd. Het blijkt namelijk voor het merendeel van de bewoners onmogelijk woonruimte te vinden met eenzelfde huurprijs. Twaalf huisgezinnen betalen nu 1 gulden en drie huishoudens 1 gulden en vijftig cent per week. Door die verlenging wordt dat probleem even opgeschoven en dat komt vooral de gemeente goed uit. De ambtenaar, die de onderhandelingen leidt, bekent later dat hij die verlenging van de ontruimingstermijn bij Gerard heeft uitgelokt. Zo houdt hij vol dat zo’n verzoek, door alleen de bewoners gedaan, op bezwaren stuit.
Op 1 juni 1912 is de koop van de zestien onbewoonbaar verklaarde vissers-woningen aan de Heemraadstraat rond. Het kost rederij J.J. van der Zwan vervolgens weinig moeite bij de gemeente toestemming te krijgen voor de uitbreiding van de rokerij. Het bestaande plan geeft aan dat AG 943, 944 en 945 geheel en AG 946, 952 en 953 gedeeltelijk bij de rokerij worden gevoegd. Buurtbewoners hebben wel bezwaren maar die worden op 23 juli 1912 vanaf 11 uur ’s ochtends in een mondelinge ontmoeting, waarbij zes burgers aanwezig zijn, zonder veel problemen van tafel geveegd. Pieternella Baak, geboren Keus, die met haar man Dirk Heemraadstraat 60 bewoont, laat tijdens dat gesprek weten nu al veel hinder te ondervinden van de rook uit de bestaande bokkingrokerij. Ze vertelt dikwijls in haar nachtrust te worden gestoord door het geklop in de rokerij. Pieternella meent dat met de uitbreiding de hinder voor de bewoners ondraaglijk zal worden.
Geertrui van den Bergh, de weduwe van Daniël Verbaan, en Trijntje Verbaan, mede-eigenaar van Heemraadstraat 54 t/m 66 (even nummers) menen ook dat de hinder zal toenemen voor de bewoners. “Een gevolg zal zijn dat de huur aan de eigenaren zal worden opgezegd”, aldus Trijntje Verbaan.
Het document dat volgt, wordt door allen getekend, behalve door de op 26 september 1830 in Noordwijk geboren Jacoba Verbaan, weduwe van de uit Scheveningen afkomstige Cornelis Verbaan en bewoner van Heemraadstraat 62. Zij verklaart niet te kunnen schrijven.
 
Nieuwste systeem
 
Ook bouwkundige Willem Chiel Kuijper jr. en Johannes Franciscus van der Zwan komen opdraven. Eerstgenoemde legt aan de bewoners uit dat de bokkingrokerij zal worden uitgebreid volgens het nieuwste systeem. “Vroeger trok de rook weg door een deur en door het dak van de rokerij. Dat zal niet meer plaats hebben. Nu wordt de rook afgevoerd door een kanaal, dat op vijf meter boven de begane grond wordt geplaatst en ongeveer een meter boven de nok van de omringende percelen zal reiken. Het roken geschiedt in drukke tijden ook ’s nachts maar nooit later dan 12 uur. In de maand februari tot 11 uur. Gewoonlijk is het echter niet later dan 9 à 10 uur in de avond. Op maandagochtend beginnen de werkzaamheden om 5 à 6 uur. Door de uitbreiding zal het nachtwerk worden verminderd”, aldus Willem Kuijper.
Jan van der Zwan laat weten de ingebrachte bezwaren zeer overdreven te vinden. “Bewoners van verschillende percelen in de omgeving hebben mij laten weten dat de rokerij bij hun geen hinder veroorzaakt”.
De gemeente heeft
In rood aangegeven waar de rokerij moet komen te staan.
                                                          Tekening: archief.

gecontroleerd of er binnen een kring van 200 meter gebouwen of lokalen in de omgeving staan die zijn bestemd voor ziekenverpleging, het uitoefenen van openbare erediensten of scholen. Hoewel blijkt dat de Zeevaartkundige School in de Gondelstraat 45 staat, de gemeenteschool aan de Badhuiskade 27 en de Badhuisstraat 79A, de School met de Bijbel en een bijzondere bewaarschool in de Gondelstraat 31 zijn te vinden. Het kerk en catechisatie lokaal der Gereformeerde Gemeente Kerk in de Heemraadstraat 81/81A is gevestigd, de Sheveningsche Muziekschool in de Prins Willemstraat 26 staat, de bijzondere scholen van de Hulpvereeniging voor Gereformeerd Schoolonderwijs in de Heemstraat 75 en 77 zijn gehuisvest en de Gemeentelijke Cursus voor Spraakgebrekkigen in de Keizerstraat 294 is te vinden, kan de uitbreiding plaatsvinden.
De officiële toestemming tot het bouwen volgt op 9/13 augustus 1912. Wethouder van Bedrijven en locoburgemeester, de op 14 december 1840 in Den Haag geboren ingenieur Joannes Coenraad Jansen, zet zijn handtekening. Volgens de voorschriften moet de bouw zijn voltooid op 1 februari 1913. De pannendaken van de rokerij moeten luchtdicht zijn afgestreken. De rookafvoer vanuit de rokerij moet uitsluitend geschieden door op de nok geplaatste rookuitlaten. Deze rookafvoeren moeten reiken tot op één meter boven de nok van het perceel der inrichting. Tussen ’s avonds 10 en ’s morgens 6 uur mag er niet hoorbaar in de inrichting worden gewerkt.
 
Sloop
 
De uitbreiding van de rokerij is echt noodzakelijk, want de haring- en bokkinghandel van rederij J.J. van der Zwan floreert volop. Wat Jaap daarbij niet direct heeft voorzien, is het probleem dat ontstaat. Door de sloop moeten de gezinnen de kleine onderkomens verlaten. De aanwezige woningnood maakt het vinden van een alternatief echter zo goed als onmogelijk. De verplichte ontruiming na zes maanden laat, na het sluiten van de eerste termijn op 21 juni 1911, zien dat slechts twee gezinnen en een weduwe zijn vertrokken. Het gaat om de op 13 juli 1871 geboren Willemina Keus, moeder van zeven kinderen en weduwe van Bertus van Beelen. Zij verlaat nummer 88 om later, op 17 juli 1916, met haar nieuwe man, metselaar Leendert Gerardus Vogelenzang, terug te keren naar Heemraadstraat 67. De op 29 september 1880 geboren visser Simon Bal, zijn vrouw Catharina Toet en hun twee kinderen verruilen Heemraadstraat 102 voor Keizerstraat 202. De op 3 februari 1885 geboren Arie Spaans vertrekt vanuit de Heemraadstraat 104 met zijn op 26 januari 1887 geboren vrouw Neeltje Verbaan en hun twee kinderen naar de Weststraat 60. Die woningnood is voor de twaalf overgebleven gezinnen, nog voor de verkoop een feit is, reden om op 13 juni 1911 een door allen getekende brief aan burgemeester en wethouders te richten met de vraag de ontruiming met vier maanden uit te stellen tot 1 augustus 1911. Op 21 december van dat jaar volgt nog een verlenging. De op 19 september 1887 geboren Jacoba Klein heeft, in verband met haar huwelijk met visser Evert Vink, Heemraadstraat 78 dan al verlaten. Dat geldt ook voor de op 13 oktober 1879 geboren visser Nicolaas van der Kruk. Hij verlaat met zijn vrouw Johanna van Zanen en 3 kinderen nummer 80. Vervolgens laat Jaap van der Zwan op 1 juni 1912 in een brief aan burgemeester en wethouders weten dat er nog altijd zeven huisgezinnen in de slop aanwezig zijn. “Hierdoor kan er geen aanvang worden genomen met het afbreken. Ik kan vaders, moeders en hun kinderen niet op straat laten overnachten”, aldus Jaap.
Wethouder Jansen
De definitieve plaats van de bokkingrokerij en het pakhuis in
bruin en blauw aangegeven.                     Tekening: archief.
meldt in de gemeenteraad dat Van der Zwan zijn bokkingrokerij wil uitbreiden door bijtrekking van de woningen in het slop. “Hiertoe schroomt hij echter over te gaan, zolang voor de gezinnen, welke thans in de woningen verblijven, geen andere verblijfplaats is gevonden. Het voorzien in tijdelijke huisvesting van deze bewoners om aan de adressant de gelegenheid te verschaffen zijn bouwplan uit te voeren, ligt evenwel niet op de weg van de gemeente. Het draagt een privaat-rechterlijk karakter. In aansluiting aan het advies van de Commissie voor de Plaatselijke Werken en Eigendommen geven burgemeester en wethouders de raad in overweging om aan adressant te antwoorden dat geen termen aanwezig zijn om aan zijn verzoek te voldoen”.
De directeur van het Gemeentelijk Bouw- en Woningtoezicht, Andreas Stoffels, meent dat hulp van gemeentewegen zeer dringend nodig is. “Daarbij komen in hoofdzaak twee belangen op de voorgrond. In de eerste plaats, met het oog op de ogenblikkelijke ernstige woningnood, aanbouw van nieuwe woningen. Verder het opruimen van slechte woningcomplexen om daarvan nieuw verkavelde terreinen te maken. Ik wil van deze gelegenheid gebruik maken de raad te wijzen op de noodzaak dat daarvoor het ruim beschikbaar stellen van financiële offers noodzakelijk is. Het verzoek van de adressant dient te worden afgewezen, maar het wijst op de zeer ernstige toestand die in Scheveningen op het gebied van woningen heerst. Daarom zal met een afwijzende beschikking alleen niet kunnen worden volstaan. Verwijzen naar de ongeveer zestig van gemeentewegen in aanbouw zijnde woningen aan het Kolenwagenslag, acht ik niet gewenst omdat daaruit een toezegging zou kunnen worden afgeleid om enige woningen beschikbaar te stellen aan hen die thans in een onbewoonbare woning in de Heemraadstraat zijn gehuisvest”.
De laatste, die om een verlenging van de ontruimingstermijn vraagt, is de in het slop overgebleven Simon Pronk. Er wordt door de gemeente geen gehoor aan gegeven. Pronk komt eind 1912 terecht in de Heemraadstraat 157.
 
Ongeluk
 
Met het verstrekken door Bouw- en Woningtoezicht van de officiële bouwvergunning in augustus 1912 lijkt het ongeluk Jaap van der Zwan toe te lachen. Als zijn in 1902 gebouwde houten logger De Twee Maria’s, de SCH 384 op 30 september uit de haven vertrekt, keert hij niet meer terug. Hoewel het in een goede en zeewaardige staat verkeert, zo wordt later vastgesteld, vergaat het schip met schipper Teun Bruin (34) en twaalf bemanningsleden (vermoedelijk) in de stormnacht van 30 september op 1 oktober 1912. Onderzoek wijst uit dat niemand wordt gedwongen uit te varen. De sinds 2 jaar in dienst zijnde schipper Bruin wilde zelf erg graag naar zee. De laatste keer, dat het schip wordt gezien, is half oktober. Het drijft op dat moment zonder mast rond.

Definitieve tekening van de voorkant van de nieuwe bokkingrokerij.  Foto: archief.



Het voltooien van de uitbreiding van de bokkingrokerij duurt tot eind 1917. Een nieuwe bouwaanvraag is noodzakelijk aangezien de rokerij op meer dan 10 meter achter de rooilijn van zowel de Badhuisstraat als de Heemraadstraat komt te staan. Burgemeester en wethouders laten op 22 maart 1917 weten geen bezwaar te hebben, ook omdat het terrein in zijn geheel voor het rederijbedrijf wordt bestemd. “Verschillende in de nabijheid staande woningen, die ook in mijn bezit zijn, worden ontruimd en zullen niet meer als zodanig dienstdoen. Zo worden de panden aan de Heemraadstraat, de nummers 78, 80 en 106, afgebroken om er een pakhuis te kunnen neerzetten”, aldus Van der Zwan. “Het terrein (sectie AG 918) is met beide straten door verschillende poorten verbonden. De rokerij wordt voorzien van stenen vloeren en stenen muren, terwijl de binnenkant van de kap in de rokerij een brandvrij plafond krijgt. Overdag komt het licht binnen door ramen van glas welke gezamenlijk bijna 13 m2 bestrijken. De kunstverlichting zal elektrisch worden aangebracht. Voor rookafvoer ten dienste van het bedrijf worden stenen potten op het dak geplaatst. In de inrichting zijn geregeld drie a vier personen werkzaam, terwijl ongeveer vijf personen slechts enkele uren zullen werken”.
Ook de commandant van de brandweer, de op 26 oktober 1865 in Leiden geboren Carel Frederik Hendrik Tückermann, die met zijn vrouw en twee zonen in de Adriaan Pauwstraat 35 woont, stemt toe. Er zijn wel voorwaarden aan verbonden, zo blijkt uit zijn schrijven van 23 mei 1917. De wanden welke de afdelingen, waarin wordt gerookt, scheiden moeten van steen, beton of een ander, naar het oordeel van burgemeester en wethouders, daarmee in doelmatigheid overeenkomend materiaal zijn. Het dak moet rookdicht zijn en de rook moet worden afgevoerd door, in overleg met Bouw- en Woningtoezicht, aan het dak van de rokerij aangebrachte rookkappen. Deze kappen moeten reiken tot tien meter boven de begane grond van de rokerij.
 
Vennootschap
 
Met het in werking treden van de bokkingrokerij, begin 1918, besluiten Jaap van der Zwan (50) en zijn twee oudste zonen, Willem (27) en Johannes Franciscus (26) een vennootschap onder firma op te richten onder de naam J.J. van der Zwan en Zonen. Doel is het drijven van een rederij met alles wat daartoe behoort, het kopen en verkopen van schepen inbegrepen en voorts het uitoefenen van goederenhandel voor eigen rekening, als tussenpersoon of als agent voor derden, alles in de ruimste zin des woords genomen. Het schrijven wordt opgesteld door de op 24 augustus 1880 in Den Haag geboren mr. dr. Jacobus Marius van der Flier, die is getrouwd met de in het Zuid-Afrikaanse Pretoria geboren Agatha Cornelia van Boeschoten. De vennootschap is in Scheveningen gehuisvest, is aangevangen op 1 mei 1918 en is een overeenkomst aangegaan voor de tijd van 25 jaar met telkens de mogelijkheid tot tien jaar verlenging. Wie nu op zoek gaat, zal geen rederij of bokkingrokerij meer aantreffen. Om enig inzicht te krijgen over hoe het moet zijn geweest, biedt de overkant van het pakhuis in de Heemraadstraat een mogelijkheid. Daar is nog altijd eenzelfde soort, maar goed onderhouden slop te vinden.
De huidige overzijde van de Heemraadstraat, de goed
 onderhouden oneven nummers.          Foto: Hans Piët.


                                                                          © Haags Nieuwsbureau 2026