maandag 3 oktober 2022

Brandband

 

Unieke vondst in het Haags Gemeentearchief

Brandband voor wie
vuur wil ontvluchten

door Hans Piët

DEN HAAG – Het komt niet zo heel vaak voor, maar als het gebeurt, wakkert het de nieuwsgierigheid bovenmatig aan. Zo ook na het inkijken van doos 4501 uit 1881 bij het Haags Gemeentearchief. Nog maar net bezig met het ontleden van de opgeborgen papieren uit dat jaar komt er plotseling een enigszins verkleurde en versleten leren band tevoorschijn, groot genoeg om aan de pols te dragen. Het is giswerk vast te stellen wanneer hij is ondergebracht bij serienummer 0353-01, maar voor de hand ligt, dat dit is gebeurd bij een opruimactie. In dit geval bij het Burgerweeshuis voor Hervormden, die deze ‘brandband’ mogelijk begin twintigste eeuw, bij de verhuizing van het Westeinde naar het Jozef Israëlsplein, bij het Haags Gemeentearchief heeft achtergelaten.
Het betekent dat de band, die speciaal is ontwikkeld om bij brand te dragen, al zo’n 100 jaar vrijwel onaangeroerd is gebleven terwijl het aannemelijk mag worden geacht, dat bijvoorbeeld het Haags Historisch Museum hem graag in handen had willen krijgen. Het gaat namelijk om een uniek exemplaar. Twee feiten spelen daarbij een rol: behalve dat niet meer is te achterhalen of hij ooit in productie is genomen, is er het opschrift: Burger Weeshuis.

Proefexemplaar van de brandband voor het Haagse Burgerweeshuis voor Hervormden.                      Foto: HNB



Voordat het instituut het exemplaar op 22 maart 1881 krijgt toegestuurd, is deze Haagse vinding, die elders in het land niet wordt toegepast, al een groot aantal jaren in de residentie aanwezig. Hij komt in omloop op 28 oktober 1827 (besluit 194). Zowel Willem Frederik graaf van Reede, opperintendant der paleizen, als mr. Louis van Grobbelschroy, minister van binnenlandse zaken, dragen hun steentje bij aan het opstellen van de artikelen voor dit nieuwe brandreglement, dat namens koning Willem I, prins van Oranje-Nassau, wordt ondertekend door Jean Gijsberto, baron de Meij van Streefkerk. Eerstgenoemde met een rapport van 3 mei 1827 (nr. 83). Laatstgenoemde door een schrijven van 25 oktober 1827. Op 28 november 1839 wordt het, nadat de inhoud nog wat is aangescherpt, een koninklijk besluit (nr. 120) en krijgt het de naam Nader Brandreglement. Het woord nader heeft te maken met de specifieke eisen die de koning aan deze verordening meegeeft. Hij is namelijk geheel gericht op de handelingen die uitgevoerd moeten worden bij een brand in of nabij een van de paleizen of landsgebouwen (ministeries), maar bijvoorbeeld ook in andere belangrijke panden als het onderkomen van de Nederlandsche Handel-Maatschappij en de Koninklijke Bibliotheek. Wat daarbij een doorslaggevende rol speelt, is dat belangrijke staatspapieren, archieven en charters zo snel mogelijk in veiligheid moeten worden gebracht. “Aan het behoud is namelijk zeer veel gelegen”, aldus Van Grobbelschroy.
Het is reden om, na het vaststellen van dit brandreglement, de verschillende departementen te voorzien van ‘een genoegzaam getal linnen zakken, bekwaam tot berging van papieren’. Maar er worden eveneens brandzeilen aangeschaft. Vervolgens krijgt dit alles een merkje mee zodat duidelijk is tot welk ministerie zij behoren. Ook brandblusmiddelen als handbrandspuiten, een behoorlijk aantal brandemmers en ladders worden verdeeld. De hoofdingenieur der landsgebouwen wordt vervolgens belast met de inspectie. Hij moet elk jaar in augustus zijn bevindingen kenbaar maken bij de minister van binnenlandse zaken.

Hotels

Koning Willem I beschrijft in het Nader Brandreglement: ‘dat de paleizen, maar ook de hotels van onze beminde zonen, de prins van Oranje (de latere koning Willem II) en prins Frederik der Nederlanden, zeer belangrijke gebouwen zijn in deze residentie. Ze verdienen dus, mocht er in of nabij deze panden brand uitbreken, een zo efficiënt mogelijke bestrijding van het vuur’.
De verzameling regels vormt daarbij een eerste aanzet. Het is een gedetailleerd boekwerkje met 22 artikelen. Het trapt af met een nauwkeurig overzicht van de bedoelde gebouwen en hun straten. Dus behalve het Binnenhof en het Buitenhof komen bijvoorbeeld ook het Noordeinde, bewoond door de 'Koninklijke
 Het Nader Brandreglement.                    Foto: HNB
prinsen’, en het Voorhout langs, waar het ministerie van financiën, het ministerie voor de marine, het magazijn van geneesmiddelen der armee en de Koninklijke bibliotheek zijn te vinden.
De hele inhoud heeft betrekking op de landsgebouwen terwijl zeven artikelen ook de Koninklijke paleizen en hotels tot onderwerp hebben. Vastgesteld wordt dat alle ambtenaren en bedienden de inhoud van het gratis te verstrekken besluit zorgvuldig tot zich dienen te nemen, zodat ze bij het uitbreken van brand in een van de gebouwen, precies weten wat te doen. Een van de regels bij het bericht van brand is om zo snel mogelijk naar de vergaderruimte dan wel de daarvoor aangewezen zaal van het ministerie te gaan. Om alle wachten en posten ongehinderd te kunnen passeren is sinds 1827 een witte lederen band in het leven geroepen. Eenheid hierin heeft zijne excellentie mr. Van Grobbelschroy gecreëerd door het model te bepalen. Als extra kenmerk staat er het rijkswapen op. De bedoeling is hem steeds bij de hand te houden zodat hij bij brand om de linker pols kan worden vastgemaakt. Hoge ambtenaren vormen geen uitzondering. Ook zij moeten de polsband omdoen. Secretarissen en griffiers hebben de bevoegdheid, wanneer nodig, andere beambten of geëmployeerden, welke rang ze ook hebben, te vragen mee te helpen bij het bergen van papieren. Mocht er worden geweigerd, dan kan het hoofd van het departement later ingrijpen door aan de weigeraar een boete uit delen of hem te schorsen. Wie vermoedt dat hij bij brand het pand kan verlaten, komt bedrogen uit. Bij ongeoorloofde afwezigheid wacht een boete van drie gulden ‘die zal worden uitgedeeld aan de armen van ’s-Gravenhage’. Ambtenaren en andere employees die bij de schutterij betrokken zijn, worden bij brand direct ‘van hun schutterlijke diensten’ verschoond. Eenmaal in hun vergaderzaal of lokaal moeten ook zij hun aanwezigheid, middels een schriftelijke naamsvermelding, laten blijken. Net als bij een brand in een ander departement zal gebeuren, volgen dan de bevelen van superieuren. Tenzij regels anders voorschrijven mogen ze zich niet verwijderen voordat het vuur geheel is geblust en ze verlof krijgen om te vertrekken.
Elk ministerie is zelf verantwoordelijk voor het aantal aan te schaffen banden. Hetzelfde geldt voor de geëmployeerden aan de Koninklijke paleizen en de hotels van de Koninklijk hoogheden. Verschil is dat op die banden het woord Paleis te vinden. Is door het dragen van bijvoorbeeld een livrei duidelijk om welke
Een ontvangstlijst van de brandband.        Foto: HNB
employee het gaat, dan is de band niet nodig. Om het verspreiden van de witte band in goede banen te leiden, wordt schriftelijk vastgelegd wie hem inmiddels heeft gekregen. Zo is er bijvoorbeeld een band voor de griffier, de adjunct-commies en kamerbewaarder van de Eerste Kamer der Statengeneraal.

Regenten
 
De bruin leren brandband die op 22 maart 1881 bij het Burgerweeshuis voor Hervormden aan het Westeinde wordt bezorgd, is bedoeld voor de regenten. Jhr., mr. Gerard Jacob Theodoor Beelaerts van Blokland biedt hem aan. Hij wordt daarbij mogelijk aangespoord door een kleine brand die enige tijd daarvoor in de buurt van het burgerweeshuis is uitgebroken. Gelukkig is hij niet ernstig genoeg om ook de blusmiddelen van de instelling, die naar de plek des onheils zijn vervoerd, in te zetten.
De betrokkenheid van de jonkheer komt niet zomaar uit de lucht vallen. Hij heeft als rentmeester sinds 1876 nauwe banden met de instelling. Zo houdt hij als Hagenaar (een verplichting van het instituut) toezicht op de personen die er verblijven door ze minstens twee keer in de week te controleren op tucht, orde en zindelijkheid. De regels schrijven ook voor dat wanneer hij een nacht niet in ’s-Gravenhage aanwezigheid is, hij dit vooraf bij de regenten moet melden. Wat de financiële beslommeringen betreft, is er het waken over de pacht op hofsteden en landerijen. Het geld dat binnenkomt dankzij dit onroerend goed, de effecten en andere eigendommen wordt vastgelegd op lijsten. Deze worden in duplo in een brandkast bewaard. Die kast is voorzien van twee sloten. Eén sleutel is terug te vinden bij de voorzitter der regenten. De andere heeft mr. Beelaerts van Blokland, die in januari 1869 is benoemd tot advocaat-diaken van de Nederlands Hervormde Gemeente, in zijn beheer. Zijn beloning is 1050 gulden per jaar. De jonkheer heeft overigens wat zijn inkomsten betreft niet te klagen. Het salaris dat hij op het departement van justitie verdient, groeit snel. Van 1200 gulden in 1869 (adjunct-commies) tot 3500 gulden in 1879 (referendaris).
De brief van jhr., mr. Beelaerts van Blokland.  Foto: HNB
Zijn werk voor het burgerweeshuis maakt het sturen van het proefexemplaar van de brandband voor regenten dus niet zo heel bijzonder. Tegelijkertijd spreekt er een en al onzekerheid uit de brief die hij meestuurt. Zo 
is de per pakket aangeboden band gericht aan de 40-jarige Johannes Cornelis (Jan) van Schermbeek. Hij kent de met Catharina Woldsen getrouwde hoofdcommissaris van politie dankzij zijn werk bij justitie. Bovendien zijn ze beiden Nederlands Hervormd en komen ze elkaar regelmatig tegen op bijeenkomsten. Dat neemt niet weg, dat hij twijfelt of Schermbeek wel degene is die de beslissing tot aanschaf neemt. Om die reden meldt mr. Beelaerts van Blokland dat dit besluit mogelijk bij de burgemeester dan wel bij de opperbrandmeester van de residentie ligt. ‘Mocht dat het geval zijn, wilt u mij dan verontschuldigen en zo vriendelijk willen zijn het bewuste model over te maken naar de plaats waar zulks behoort’.
Of het Haagse Burgerweeshuis voor Hervormden de brandband heeft aangeschaft, is nergens in de archieven terug te vinden. Volgens een schrijven laten de regenten die keuze over aan de burgemeester van ’s-Gravenhage, jonkheer François Gerard Abraham Gevers Deynoot. Dat het er mogelijk nooit van gekomen is, kan verband houden met het afschaffen van het Nader Brandreglement. Hij wordt op 1 januari 1890 door het ministerie ingetrokken. In een schrijven wordt gemeld: ‘Wij werken aan nieuwe voorzieningen. Intussen wordt elke administratie van bedoelde gebouwen vrijgelaten die maatregelen te nemen welke de lokale toestanden en eisen voor deze panden nodig maken. De minister van waterstaat zal een commissie benoemen tot het ontwerpen van algemene beginselen betreffende het verlenen van hulp bij brand in de landsgebouwen in verband met de gemeentelijke brandweer’.