De woonomstandigheden uitgelicht
De armoede in
Scheveningen
Scheveningen
door Hans Piët
SCHEVENINGEN - Armoede. In het Scheveningse vissersdorp droop het er
aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw aan alle
kanten vanaf. Een wel heel erg pijnlijk voorbeeld vormt de bewoning in de Heemraadstraat,
een naam die in 1886 werd gekozen, vermoedelijk naar de aanwezige Heemraadslag,
een gebouwtje van de Heemraden van Delfland. In die straat zitten in een doodlopend
slop met de nummers 78 tot en met 100 (even nummers), twaalf gezinnen met 45
kinderen, samengepakt. Ook nu laat de gemeente, onder de noemer gebrek aan woonruimte,
mede dankzij een explosieve bevolkingsgroei, zich van haar beste kant zien. Er
wordt helemaal niets ondernomen.
Een aanzet tot actie volgt pas in 1910 wanneer de 42-jarige reder en vishandelaar
Jacobus Johannes van der Zwan aangeeft zijn bokkingrokerij, gevestigd aan de
Badhuisstraat 61g, te willen uitbreiden. Om daar de ruimte voor te verkrijgen,
wil hij de steeg met visserswoninkjes, het er tussen liggende pad en de drie
woningen die aan de Heemraadstraat liggen (de nummers 78, 80 en 106) kopen. Met
het slopen van die krotten krijgt de vader van tien kinderen, die op 15 oktober
1890 is getrouwd met Adriana Letsch, hiervoor de benodigde ruimte.
| Een inkijk vanaf de straat in de doodlopende slop van de Heemraadstraat 78 t/m 100 (even nummers) in Scheveningen. Foto: Haags Gemeente Archief. |
Die mogelijke koop is voor de directeur van Bouw- en Woningtoezicht, de op 2 augustus 1860 in Amsterdam geboren Andreas Johannes Maria Stoffels, die met zijn in Warschau geboren vrouw Maria Weiler en twee kinderen aan de Statenlaan 64 woont, aanleiding aan hoofdcommies Gerrit van Meeuwen, chef van de afdeling Openbare Werken, te vragen ze te inspecteren. Mogelijk zijn de vissershuisjes, nadat een recent onderzoek duidelijk heeft gemaakt dat er op korte termijn minimaal 600 nieuwe woningen in Scheveningen nodig zijn maar de behoefte belangrijk groter is, in zo’n staat dat ze beter behouden kunnen blijven. Het rapport van de uitvoerend inspecteur, dat op 18 juli 1910 verschijnt, vertelt een ander verhaal. Hij doet het voorstel ze onmiddellijk onbewoonbaar te verklaren. Die aanbeveling volgt op wat hij aantreft bij de in het slop gelegen éénkamerwoningen met zolder. De drie panden aan de Heemraadstraat hebben behalve een woonkamer een apart keukentje. Hij constateert dat de oppervlakten van de vertrekken onvoldoende zijn en voor een behoorlijke bewoning ongeschikt. Zo zijn de afmetingen, na aftrek van de bedstede, voor het perceel nr. 80 net 10,30 m2, voor de nummers 88 tot en met 98 11 m2, 11,78 m2 en 11,40 m2. Het oppervlak van de overige woningen is 11,85 m2. De verdiepingshoogte van de percelen 78 en 80 is 2,90 meter, van perceel 106 is het 2,85 m en bij de overige woningen slechts 2,45 á 2,60 meter, gemeten vanaf de begane grondvloer tot aan de onderkant van de zoldering. Plafonds zijn in de huisjes niet aanwezig en bij de nummers 88 tot en met 98 ontbreken toegangsportalen. Het bereiken van de zolder is elke keer opnieuw levensgevaarlijk. Zo is er in de percelen 88 tot en met 98 slechts een losse trapladder aanwezig. In de andere woningen is sprake van een zeer steile vaste trapladder.
| De slop aan het begin van de vorige eeuw gezien vanaf de andere kant, waarbij de vervallen aard van de huisjes en wc's nog beter zichtbaar is. Foto: archief. |
Voor de twaalf huisjes in het slop zijn vijf privaten beschikbaar. Het gaat hier om een tonnenstelsel. Behalve dat ze in zeer slechte staat verkeren, bij twee ontbreekt een deur, zijn ze uit het oogpunt van welvoeglijkheid en welstand zeer ongunstig geplaatst. De woningen met nummers 78, 80 en106 hebben elk een eigen privaat, welke direct vanuit de keuken wordt bereikt. Deze wc’s zijn wel op de riolering aangesloten, Probleem is echter dat die afvoer zeer slecht functioneert en er regelmatig verstopping zijn, waardoor veel stank wordt verspreid die in het slop blijft hangen.
De inspecteur concludeert, gezien de onderhoudstoestand van de woningen, dat de percelen in hoge mate in strijd zijn met de meest dringende aan een arbeiderswoning te stellen eisen. Het is onmogelijk ze door verbeteringen in een bewoonbare staat te brengen. Het zou neerkomen op nieuwbouw. Directeur Stoffels, die het rapport, met zijn handtekening, naar de gemeenteraad stuurt, voegt eraan toe dat burgemeester en wethouders, om aan de wet te voldoen en om toestemming te krijgen van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, het advies van de Gezondheidscommissie moeten inwinnen voordat tot het onbewoonbaar verklaren kan worden overgegaan.
Verenigen
Een dag later nemen burgemeester en wethouders deze beslissing voor de woningen, met kadasternummers AG 935, 936, 937, 940, 941, 943, 944, 945, 947 tot en met 953. Het officiële raadsbesluit volgt op 21 november 1910. Die dag gaat er naar de bewoners een schrijven dat de vermelde percelen binnen de tijd van zes maanden, gerekend vanaf het raadsbesluit, moeten zijn ontruimd ofwel voor 21 juni 1911.
Voor Jaap van der Zwan is het reden de onderhandelingen met de acht eigenaren,
de familie De Niet, te starten. Het gezin heeft de percelen al lange tijd in
bezit. Ze werden indertijd (begin 1800) gekocht door opa Arie de Niet. Hij liet
het woonproject na aan zijn op 30 november 1835 geboren zoon, koopman en reder
Arie, die met zijn twee jaar jongere vrouw Jaapje Verbaan en zijn kinderen aan
de
Badhuiskade 13 woonde. Dat zijn vader het aan hem naliet, zijn de omstandigheden. Hij is de enige overgebleven zoon uit een gezin van zeven kinderen. Onderhandelingen over de koop worden gevoerd door de 48-jarige zoon van
Arie, dr. Daniël de Niet, die aan de Johan van Oldenbarneveldlaan 5 woont. De
op 7 augustus 1864 geboren zoon, reder Gerardus Martinus de Niet, die is
getrouwd met de op 18 maart 1870 geboren Jacoba Johanna Francisca Varkevisser,
vertegenwoordigt de belangen van de eigenaren in de onderhandelingen met de
gemeente. Zo stemt hij erin toe zich aan artikel 16 van de Woningwet te houden
en verschillende verbeteringen aan te brengen zoals het weer in orde maken van
de privaten en het herstellen van de gebrekkige riolering. Hij vat het samen in
een brief die hij op 2 juni 1911 naar de gemeente stuurt. In datzelfde
schrijven vraagt Gerard of de ontruimingsperiode met zes maanden kan worden verlengd.
Het blijkt namelijk voor het merendeel van de bewoners onmogelijk woonruimte te
vinden met eenzelfde huurprijs. Twaalf huisgezinnen betalen nu 1 gulden en drie
huishoudens 1 gulden en vijftig cent per week. Door die verlenging wordt dat probleem
even opgeschoven en dat komt vooral de gemeente goed uit. De ambtenaar, die de
onderhandelingen leidt, bekent later dat hij die verlenging van de
ontruimingstermijn bij Gerard heeft uitgelokt. Zo houdt hij vol dat zo’n verzoek,
door alleen de bewoners gedaan, op bezwaren stuit.
| Plattegrond van het slop met de indeling van de huisjes in de Heemraadstraat. Tekening: archief. |
Op 1 juni 1912 is de koop van de zestien onbewoonbaar verklaarde
vissers-woningen aan de Heemraadstraat rond. Het kost rederij J.J. van der Zwan
vervolgens weinig moeite bij de gemeente toestemming te krijgen voor de
uitbreiding van de rokerij. Het bestaande plan geeft aan dat AG 943, 944 en 945
geheel en AG 946, 952 en 953 gedeeltelijk bij de rokerij worden gevoegd. Buurtbewoners
hebben wel bezwaren maar die worden op 23 juli 1912 vanaf 11 uur ’s ochtends in
een mondelinge ontmoeting, waarbij zes burgers aanwezig zijn, zonder veel
problemen van tafel geveegd. Pieternella Baak, geboren Keus, die met haar man Dirk
Heemraadstraat 60 bewoont, laat tijdens dat gesprek weten nu al veel hinder te
ondervinden van de rook uit de bestaande bokkingrokerij. Ze vertelt dikwijls in
haar nachtrust te worden gestoord door het geklop in de rokerij. Pieternella
meent dat met de uitbreiding de hinder voor de bewoners ondraaglijk zal worden.
Geertrui van den Bergh, de weduwe van Daniël Verbaan, en Trijntje Verbaan, mede-eigenaar van Heemraadstraat 54 t/m 66 (even nummers) menen ook dat de hinder zal toenemen voor de bewoners. “Een gevolg zal zijn dat de huur aan de eigenaren zal worden opgezegd”, aldus Trijntje Verbaan.
Het document dat volgt, wordt door allen getekend, behalve door de op 26 september 1830 in Noordwijk geboren Jacoba Verbaan, weduwe van de uit Scheveningen afkomstige Cornelis Verbaan en bewoner van Heemraadstraat 62. Zij verklaart niet te kunnen schrijven.
Nieuwste systeem
Ook bouwkundige Willem Chiel Kuijper jr. en Johannes Franciscus van der Zwan
komen opdraven. Eerstgenoemde legt aan de bewoners uit dat de bokkingrokerij
zal worden uitgebreid volgens het nieuwste systeem. “Vroeger trok de rook weg
door een deur en door het dak van de rokerij. Dat zal niet meer plaats hebben.
Nu wordt de rook afgevoerd door een kanaal, dat op vijf meter boven de begane
grond wordt geplaatst en ongeveer een meter boven de nok van de omringende percelen
zal reiken. Het roken geschiedt in drukke tijden ook ’s nachts maar nooit later
dan 12 uur. In de maand februari tot 11 uur. Gewoonlijk is het echter niet
later dan 9 à 10 uur in de avond. Op maandagochtend beginnen de werkzaamheden
om 5 à 6 uur. Door de uitbreiding zal het nachtwerk worden verminderd”, aldus
Willem Kuijper.
Jan van der Zwan laat weten de ingebrachte bezwaren zeer overdreven te vinden. “Bewoners van verschillende percelen in de omgeving hebben mij laten weten dat
de rokerij bij hun geen hinder veroorzaakt”.
Geertrui van den Bergh, de weduwe van Daniël Verbaan, en Trijntje Verbaan, mede-eigenaar van Heemraadstraat 54 t/m 66 (even nummers) menen ook dat de hinder zal toenemen voor de bewoners. “Een gevolg zal zijn dat de huur aan de eigenaren zal worden opgezegd”, aldus Trijntje Verbaan.
Het document dat volgt, wordt door allen getekend, behalve door de op 26 september 1830 in Noordwijk geboren Jacoba Verbaan, weduwe van de uit Scheveningen afkomstige Cornelis Verbaan en bewoner van Heemraadstraat 62. Zij verklaart niet te kunnen schrijven.
Jan van der Zwan laat weten de ingebrachte bezwaren zeer overdreven te vinden. “Bewoners van verschillende percelen in de omgeving hebben mij laten weten dat
| In rood gemarkeerd waar de rokerij moet komen komen te staan. Tekening: archief. |
de rokerij bij hun geen hinder veroorzaakt”.
De gemeente heeft gecontroleerd of er binnen een kring van 200 meter gebouwen
of lokalen staan die zijn bestemd voor ziekenverpleging, het
uitoefenen van openbare erediensten of scholen. Hoewel blijkt dat de
Zeevaartkundige School in de Gondelstraat 45 staat, de gemeenteschool aan de
Badhuiskade 27 en de Badhuisstraat 79A, de School met de Bijbel en een
bijzondere bewaarschool in de Gondelstraat 31 zijn te vinden. Het kerk en
catechisatie lokaal der Gereformeerde Gemeente Kerk in de Heemraadstraat 81/81A
is gevestigd, de Sheveningsche Muziekschool in de Prins Willemstraat 26 staat,
de bijzondere scholen van de Hulpvereeniging voor Gereformeerd Schoolonderwijs
in de Heemstraat 75 en 77 zijn gehuisvest en de Gemeentelijke Cursus voor
Spraakgebrekkigen in de Keizerstraat 294 is te vinden, kan de uitbreiding
plaatsvinden.
De officiële toestemming tot het bouwen volgt op 9/13 augustus 1912. Wethouder
van Bedrijven en locoburgemeester, de op 14 december 1840 in Den Haag geboren
ingenieur Joannes Coenraad Jansen, zet zijn handtekening. Volgens de
voorschriften moet de bouw zijn voltooid op 1 februari 1913. De pannendaken van
de rokerij moeten luchtdicht zijn afgestreken. De rookafvoer vanuit de rokerij
moet uitsluitend geschieden door op de nok geplaatste rookuitlaten. Deze
rookafvoeren moeten reiken tot op één meter boven de nok van het perceel der
inrichting.Tussen ’s avonds 10 en ’s morgens 6 uur mag er niet hoorbaar in de
inrichting worden gewerkt.
Sloop
De uitbreiding van de rokerij is echt noodzakelijk, want de haring- en
bokkinghandel van rederij J.J. van der Zwan floreert volop. Wat Jaap daarbij
niet direct heeft voorzien, is het probleem dat ontstaat. Door de sloop moeten
de gezinnen de kleine onderkomens verlaten. De aanwezige woningnood maakt het
vinden van een alternatief echter zo goed als onmogelijk. De verplichte
ontruiming na zes maanden laat, na het sluiten van de eerste termijn op 21 juni
1911, zien dat slechts twee gezinnen en een weduwe zijn vertrokken. Het gaat om
de op 13 juli 1871 geboren Willemina Keus, moeder van zeven kinderen en weduwe
van Bertus van Beelen. Zij verlaat nummer 88 om later, op 17 juli 1916, met
haar nieuwe man, metselaar Leendert Gerardus Vogelenzang, terug te keren naar
Heemraadstraat 67. De op 29 september 1880 geboren visser Simon Bal, zijn vrouw
Catharina Toet en hun twee kinderen verruilen Heemraadstraat 102 voor
Keizerstraat 202. De op 3 februari 1885 geboren Arie Spaans vertrekt vanuit de Heemraadstraat
104 met zijn op 26 januari 1887 geboren vrouw Neeltje Verbaan en hun twee
kinderen naar de Weststraat 60. Die woningnood is voor de twaalf overgebleven gezinnen,
nog voor de verkoop een feit is, reden om op 13 juni 1911 een door allen
getekende brief aan burgemeester en wethouders te richten met de vraag de
ontruiming met vier maanden uit te stellen tot 1 augustus 1911. Op 21 december van
dat jaar volgt nog een verlenging. De op
19 september 1887 geboren Jacoba Klein heeft, in verband met haar huwelijk met
visser Evert Vink, Heemraadstraat 78 dan al verlaten. Dat geldt ook voor de op
13 oktober 1879 geboren visser Nicolaas van der Kruk. Hij verlaat met zijn vrouw
Johanna van Zanen en 3 kinderen nummer 80. Vervolgens laat Jaap van der Zwan op
1 juni 1912 in een brief aan burgemeester en wethouders weten dat er nog altijd
zeven huisgezinnen in de slop aanwezig zijn. “Hierdoor kan er geen aanvang
worden genomen met het afbreken. Ik kan vaders, moeders en hun kinderen niet op
straat laten overnachten”, aldus Jaap.
| De definitieve plaats van de bokkingrokerij en het pakhuis in bruin en blauw aangegeven. Tekening: archief. |
Wethouder Jansen meldt in de gemeenteraad dat Van der Zwan zijn
bokkingrokerij wil uitbreiden door bijtrekking van de woningen in het slop.
“Hiertoe schroomt hij echter over te gaan, zolang voor de gezinnen, welke thans
in de woningen verblijven, geen andere verblijfplaats is gevonden. Het voorzien
in tijdelijke huisvesting van deze bewoners om aan de adressant de gelegenheid
te verschaffen zijn bouwplan uit te voeren, ligt evenwel niet op de weg van de
gemeente. Het draagt een privaat-rechterlijk karakter. In aansluiting aan het
advies van de Commissie voor de Plaatselijke Werken en Eigendommen geven
burgemeester en wethouders de raad in overweging om aan adressant te antwoorden
dat geen termen aanwezig zijn om aan zijn verzoek te voldoen”.
De directeur van het Gemeentelijk Bouw- en Woningtoezicht, Andreas Stoffels,
meent dat hulp van gemeentewegen zeer dringend nodig is. “Daarbij komen in
hoofdzaak twee belangen op de voorgrond. In de eerste plaats, met het oog op de
ogenblikkelijke ernstige woningnood, aanbouw van nieuwe woningen. Verder het
opruimen van slechte woningcomplexen om daarvan nieuw verkavelde terreinen te maken.
Ik wil van deze gelegenheid gebruik maken de raad te wijzen op de noodzaak dat daarvoor
het ruim beschikbaar stellen van financiële offers noodzakelijk is. Het verzoek
van de adressant dient te worden afgewezen, maar het wijst op de zeer ernstige
toestand die in Scheveningen op het gebied van woningen heerst. Daarom zal met
een afwijzende beschikking alleen niet kunnen worden volstaan. Verwijzen naar
de ongeveer zestig van gemeentewegen in aanbouw zijnde woningen aan het
Kolenwagenslag, acht ik niet gewenst omdat daaruit een toezegging zou kunnen
worden afgeleid om enige woningen beschikbaar te stellen aan hen die thans in een
onbewoonbare woning in de Heemraadstraat zijn gehuisvest”.
De laatste, die om een verlenging van de ontruimingstermijn vraagt, is de in het slop overgebleven Simon Pronk. Er wordt door de gemeente geen gehoor aan gegeven. Pronk komt eind 1912 terecht in de Heemraadstraat 157.
Ongeluk
Met het verstrekken door Bouw- en Woningtoezicht van de officiële bouwvergunning
in augustus 1912 lijkt het ongeluk Jaap van der Zwan toe te lachen. Als zijn in
1902 gebouwde houten logger De Twee Maria’s, de SCH 384 op 30 september uit de
haven vertrekt, keert hij niet meer terug. Hoewel het in een goede en
zeewaardige staat verkeert, zo wordt later vastgesteld, vergaat het schip met schipper
Teun Bruin (34) en twaalf bemanningsleden (vermoedelijk) in de stormnacht van
30 september op 1 oktober 1912. Onderzoek wijst uit dat niemand wordt gedwongen
uit te varen. De sinds 2 jaar in dienst zijnde schipper Bruin wilde zelf erg
graag naar zee. De laatste keer, dat het schip wordt gezien, is half oktober. Het
drijft op dat moment zonder mast rond.
De laatste, die om een verlenging van de ontruimingstermijn vraagt, is de in het slop overgebleven Simon Pronk. Er wordt door de gemeente geen gehoor aan gegeven. Pronk komt eind 1912 terecht in de Heemraadstraat 157.
| Tekening van de voorkant van de nieuwe bokkingrokerij. Foto: archief. |
Het voltooien van de uitbreiding van de bokkingrokerij duurt tot eind 1917. Een nieuwe bouwaanvraag is noodzakelijk aangezien de rokerij op meer dan 10 meter achter de rooilijn van zowel de Badhuisstraat als de Heemraadstraat komt te staan. Burgemeester en wethouders laten op 22 maart 1917 weten geen bezwaar te hebben, ook omdat het terrein in zijn geheel voor het rederijbedrijf wordt bestemd. “Verschillende in de nabijheid staande woningen, die ook in mijn bezit zijn, worden ontruimd en zullen niet meer als zodanig dienstdoen. Zo worden de panden aan de Heemraadstraat, de nummers 78, 80 en 106, afgebroken om er een pakhuis te kunnen neerzetten”, aldus Van der Zwan. “Het terrein (sectie AG 918) is met beide straten door verschillende poorten verbonden. De rokerij wordt voorzien van stenen vloeren en stenen muren, terwijl de binnenkant van de kap in de rokerij een brandvrij plafond krijgt. Overdag komt het licht binnen door ramen van glas welke gezamenlijk bijna 13 m2 bestrijken. De kunstverlichting zal elektrisch worden aangebracht. Voor rookafvoer ten dienste van het bedrijf worden stenen potten op het dak geplaatst. In de inrichting zijn geregeld drie a vier personen werkzaam, terwijl ongeveer vijf personen slechts enkele uren zullen werken”.
Ook de commandant van de brandweer, de op 26 oktober 1865 in Leiden geboren Carel Frederik Hendrik Tückermann, die met zijn vrouw en twee zonen in de Adriaan Pauwstraat 35 woont, stemt toe. Er zijn wel voorwaarden aan verbonden, zo blijkt uit zijn schrijven van 23 mei 1917. De wanden welke de afdelingen, waarin wordt gerookt, scheiden moeten van steen, beton of een ander, naar het oordeel van burgemeester en wethouders, daarmee in doelmatigheid overeenkomend materiaal zijn. Het dak moet rookdicht zijn en de rook moet worden afgevoerd door, in overleg met Bouw- en Woningtoezicht, aan het dak van de rokerij aangebrachte rookkappen. Deze kappen moeten reiken tot tien meter boven de begane grond van de rokerij.
© Haags Nieuwsbureau 2026