Posts tonen met het label wethouder. Alle posts tonen
Posts tonen met het label wethouder. Alle posts tonen

maandag 2 maart 2026

Schoolpantoffels

UITPUTTENDE STRIJD TEGEN SCHOOLVERZUIM      

De korte opmars van
van de schoolpantoffel         

door Hans Piët

DEN HAAG - Schoolpantoffel. Het is een uit de mode geraakt woord. De reacties bij het noemen spreken boekdelen. Er is verbazing, verwondering en soms een wat ongemakkelijk lachje. Waar heeft ie het over! Je zou kunnen zeggen: over een ‘bejaard’ woord. Uiteindelijk gaat het om schoeisel dat vooral in de eerste helft van de vorige eeuw een prominente rol speelde. Vraag een hoogbejaarde ernaar en hij of zij zal, gevoed door nostalgie, verhalen over hoe aangenaam het was om, na een fikse regenbui, dankzij die schoolpantoffels, niet met natte kousen en dus voeten de lessen op de openbare of bijzondere lagere school te hoeven volgen.

De onderwijzeres van de lagere schoolklas neemt de schoenen van de leerlingen aan om ze te verruilen voor schoolpantoffels.                                                                                                            Foto: archief.
 



Wanneer de schoolpantoffel precies zijn intrede deed, is historisch niet vast te stellen. Belangrijke reden is, dat er altijd al handige moeders zijn geweest, die na klachten van hun klompen dragende kinderen over natte voeten na een regen- of sneeuwbui of het bij hun kroost vaststellen van lichamelijke problemen als griep of een infectie, bedachten dat het breien van een paar warme, korte sokken uitkomst zou kunnen bieden. Om de slijtage tijdens het er onbeschermd mee rondlopen enigszins te temperen, werd de zool bedekt met een stukje oud tapijt of overgebleven leer. Andere, minder financieel daadkrachtige moeders gebruikten een oude lap van een versleten broek of de overblijfselen van bijvoorbeeld een jas. Die huis- of schoolpantoffels kregen vorm dankzij wat handig knip- en naaiwerk dat soms werd afgekeken uit de krant. Daarin was dan een werktekening te vinden met vorm en maat.

Hugo Poot

De eerste winkelier die ze door middel van een advertentie in de Vlaardingsche Courant aanbiedt, is in 1885 Hugo Poot. De op 1 oktober 1936 op 82-jarige leeftijd overleden eigenaar van een zeer succesvol schoenenmagazijn aan Daijer 22 – later nummer 4 – in Vlaardingen biedt de kinder-schoolpantoffels aan voor 30 cent. De uitvoering met leren zool kost 55 cent per paar. Aardig detail is, dat de komst van die pantoffels in zijn winkel niet zo vrijblijvend is als het misschien lijkt. In de familie Poot is in die jaren namelijk een aantal onderwijzers aanwezig. Zij zullen hem ongetwijfeld op de voordelen van, dan wel de behoefte aan het hebben van droge voetbedekking in de klas hebben gewezen. In grote steden als Amsterdam, Rotterdam en ’s-Gravenhage begint het collectief verstrekken van het schoeisel rond 1894. Een vraag die de gemoederen dan al bezig heeft gehouden is: wie moet er zorg voor dragen. Het is immers geen leermiddel. Tegelijkertijd is vastgesteld dat er een nauw verband bestaat tussen de voetbekleding en het schoolverzuim. In arme gezinnen, en dat zijn er nogal wat, hebben kinderen veelal slechts één paar klompen of schoenen. Gevolg is, dat bij een reparatie van het schoeisel die leerling noodgedwongen thuis moet blijven. En dat duurt al snel een week.
De komst van de schoolpantoffel wordt, zeker door het onderwijzend personeel, juichend ontvangen. Klompen zorgen nu eenmaal voor veel kabaal in de klas. Bij elke beweging van de benen, maar zeker als de klomp van de voet schiet, is er lawaai. Bijkomend nadeel is dat klompen bij regenachtig weer grote hoeveelheden vuil binnenbrengen. Na het uitdrogen ervan veroorzaakt het stof, wat soms een negatief effect heeft op de gezondheid. Vanuit hygiënisch oogpunt gezien, betreuren onderwijzers van scholen waar de pantoffels alleen worden uitgedeeld aan kinderen met klompen het dan ook niet, dat het aantal klompendragers veelal belangrijk toeneemt. Het boekje ‘Hygiënische Eischen enz.… voor scholen’ , meldt in verband met die reinheid in haar uitgave uit 1900 ‘een breed rooster achter de ingang van de school noodzakelijk evenals een kokosmat voor elke klaslokaal deur'.
De aanwezigheid van schoolpantoffels is om die reden gewenst, zoals het ook de negatieve effecten wegneemt bij scholieren, die anders de hele dag met natte of zeer koude voeten op de houten vloer moeten doorbrengen. Vragen die bij de burgemeesters en wethouders in de verschillende steden en dorpen spelen zijn, behalve de financiering, wie verantwoordelijk wordt voor de uitvoering. In Amsterdam moet het college daar erg lang over nadenken. Gevolg is dat hoofden van scholen, met hun onderwijzers middels fondsen, geld bij elkaar gaan sprokkelen om zo niet alleen de schoolpantoffel maar bijvoorbeeld ook kinderkleding voor onvermogende ouders te kunnen financieren. Wat later ontstaat er een Commissie van Hoofden van Lagere Scholen (openbare en bijzondere) voor dat doel. Cijfers uit 1895 geven aan dat er per school 80 á 120 paar pantoffels aanwezig moeten zijn om kinderen, die met natte voeten of klompen binnenkomen, te helpen. In de hoofdstad werpt de Commissie voor Werkverschaffing zich op om sterke schoolpantoffels op flinke schaal ter hand te nemen. Eenvoudig is dat niet. Vooral de vraag om zoolleer, onder meer gericht aan schoenmakers en leerfabrikanten, vindt, op één uitzondering na, geen respons. Vervolgens blijkt als snel dat, door het hard groeiende aantal aanvragen, ook het overige materiaal ontbreekt. Er volgen oproepen in diverse dagbladen om waardeloze stukken karpet ter beschikking te stellen. Het helpt, al blijft het aantal paren, dat een school kan aanvragen, noodgedwongen beperkt tot 30. Ook wordt bepaald dat de pantoffels alleen tijdens de lessen gedragen mogen worden. Niet onlogisch daarbij is, dat ze uitsluitend zijn bedoeld voor klompendragers en leerlingen die door slecht voetwerk met natte voeten naar school komen. Statistieken geven aan dat er tussen 1894 en 1898 in de hoofdstad 4841 paren worden afgeleverd. Van de 96 openbare lagere scholen 1e klas zijn er nog slechts 22 die geen aanvraag voor schoolpantoffels hebben ingediend. Verder blijkt dat, na enige aarzeling, er ook verzoeken van bijzondere scholen binnenkomen. 

Professioneel

Wat jaren later blijkt hoe professioneel de schoenmakers, die zijn aangesteld door de Commissie voor Werkverschaffing, bezig zijn geweest. Onderzoek wijst uit dat die schoolpantoffels beter van vorm zijn, nauwkeuriger in elkaar zijn gezet en, mede dankzij het stiksel, langer meegaan dan de door de schoenmagazijnen geleverde exemplaren. In kleinere gemeenten zetten onderwijzeressen handarbeid zich regelmatig in. Daar leeft het idee de meisjes van de zesde klas tijdens de lessen handarbeid de pantoffels te laten vervaardigen. Dat is twee vliegen in een klap: praktisch en leerzaam. Veel onderwijzeressen zien het bovendien als een manier om de lust tot handwerken aan te kweken. Het hoofd van de school vraagt in zo’n geval aan moeders hun kinderen voor dat doel niet langer gebruikte kledingstukken mee te geven. Probleem is echter een schaarste aan oude lappen in arme gezinnen. Om dat gebrek te bestrijden verschijnen er soms oproepen in de lokale krant.
Een werktekening van een schoolpantoffel. 
                                       Tekening: archief.
Dat er tijdens raadsvergaderingen af en toe heftige discussies over het verschaffen van de pantoffels plaatsvinden, ligt voor de hand. Daarbij speelt de leermiddelenvraag een rol totdat de raadslieden uit verschillende steden en dorpen het er over eens zijn dat je op klompen geen gymnastiekles kan volgen. Schoolpantoffels zijn dus noodzakelijk en vallen hierdoor onder de rubriek leermiddelen. Vraag blijft of die gratis moeten worden verstrekt. Dat uitdelen wekt immers de begeerlijkheid bij ouders op. Die politici hebben deels gelijk. Uit een onderzoek dat een aantal jaren na de komst van het collectief verstrekken van de schoolpantoffel wordt gehouden, blijkt dat er twee hoofdgroepen zijn. De eerste zijn vaste klanten die bijna elke week met hun aanvragen komen. De tweede categorie zijn mensen die niet eerder een verlangen uitspreken dan wanneer het water tot de lippen komt doch die, zodra de vader weer werk heeft of van zijn ziekte is hersteld, geen aanvragen meer doen. In tegenstelling tot de eerste groep, die haalt wat er te halen valt, zijn de kinderen van de tweede categorie, bijna zonder uitzondering, zeer zindelijk en net gekleed. De kleren, hoewel dikwijls tamelijk oud, zijn heel proper. Die ouders uitten, in tegenstelling tot de eerste groep, ook vrijwel altijd hun dankbaarheid over de geboden hulp.

Leerplichtwet

Dat het verstrekken van de schoolpantoffel geen vrijblijvende zaak blijft, heeft te maken met de leerplichtwet. Deze wordt in maart 1900, met een meerderheid van slechts één stem, aangenomen en treedt, na het koninklijk besluit van 19 november 1900, op 1 januari 1901 in werking. Reden voor die ‘overwinning’ is de afwezigheid van Francis David graaf Schimmelpenninck, een tegenstander van de wet. Hij is van zijn paard gevallen en kan om die reden niet in de Tweede Kamer aanwezig zijn om te stemmen. De wet, mede bedacht om kinderarbeid te stoppen, stuurt jongens en meisjes van 6 tot en met 12 jaar verplicht naar de lagere school. Daarbij staat in artikel 35 vermeld dat aan de gemeentebesturen de bevoegdheid is toegekend om, waar dit nodig blijkt, aan schoolgaande kinderen, ter bevordering van het schoolbezoek, voeding en kleding en dus ook schoolpantoffels, te verstrekken of wel voor dat doel subsidie te verlenen. De wet legt de ouders de verplichting op hun kinderen geregeld naar school te zenden.
In de Amsterdamse gemeenteraad wordt een behoorlijk robbertje woordelijk gevochten voordat er begin 1904 een regeling tot stand komt. Hierin is terug te lezen dat de verstrekking van kleding zich zal bepalen tot de uitreiking van: 1) klompen, 2) leren pantoffels, 3) schoolpantoffels. De verstrekking van voedsel omvat 1) een middagmaal gedurende de wintermaanden. 2) een ontbijt gedurende de zomermaanden. Al deze toewijzingen zullen zo mogelijk geschieden door particulieren verenigingen dan wel schoolbesturen. Voor dit doel zal een gemeentelijke subsidie worden verleend. Onderzoek naar de toestand van de gezinnen geschiedt door de verenigingen of de schoolbesturen.
Voordat de gemeenteraad van Amsterdam eruit is, hebben twee verenigingen zich al opgeworpen om het arme schoolkind ter zijde te staan. Het gaat om de Vereeniging voor Kinderkleeding en de Amsterdamsche Commissie voor Schoolpantoffels. Laatstgenoemde wordt in december 1901 gevormd. Op 1 december 1903 gaat een proef van start ‘omdat het verschaffen van schoolpantoffels van het grootste belang is’. Ze denkt het eerste jaar 12.000 paren nodig te hebben, die samen met de onderhoudskosten een bedrag vragen van 125.000 gulden (€ 56.723). Aangezien er ook buiten de school schoeisel nodig is, denkt de commissie aan de aanschaf van 40.000 paar klompen. Dat vraagt een bedrag van 12.000 gulden (€ 5.445) Voor het in reparatie zijn van schoenen is een post uitgetrokken voor leren pantoffels. Deze kunnen dan naar het verzuimende kind worden gezonden, waardoor hij alsnog naar school kan komen. Het vergt een uitgave van 1600 gulden (€ 726).

Werkloze schoenmakers

In ‘s-Gravenhage worden de eerste schoolpantoffels collectief uitgereikt in 1896. Verantwoordelijk daarvoor is de Commissie van Werkverschaffing van de Christelijke Volksbond. Deze organisatie, met een hoofdkantoor aan de Zuid-Oost-Buitensingel 179, ziet het als een manier om werkloze en beginnende schoenmakers aan werk te helpen.
Hoewel dr. Johannes Theodorus Mouton, wethouder van onderwijs, het aanbod krijgt voor alle armenscholen pantoffels te vervaardigen, wordt het niet direct een succes. Een groot aantal hoofden van scholen ziet in eerste instantie het organiseren van de pantoffels niet zitten. De grote voordelen voor de gezondheid en zindelijkheid der kinderen worden weliswaar onder ogen gezien, maar waar laat je al die klompen en doorweekte schoenen.
Maar ook, hoeveel schoolpantoffels zijn er nodig, wie komt ervoor in aanmerking en hoe moet het uitdelen ervan worden georganiseerd. Bij de Commissie van Werkverschaffing, onder voorzitterschap van Adolph Charles baron Bentinck, kamerheer van de koningin,
De strijd tegen koude voeten.
  Illustratie: Algemeen Handelsblad.
speelt een ander probleem. Daar moet elk jaar opnieuw een strijd worden geleverd om voldoende geld binnen te krijgen. De organisatie moet het namelijk volledig hebben van giften en de inkomsten uit de verkoop van opgeknapte goederen, die door middel van inzamelingen binnenkomen. Hoewel ook koningin Wilhelmina en koningin-regentes Emma jaarlijks een flink bedrag schenken - ieder 500 gulden (€ 226,89) - is het nauwelijks genoeg.
Met de komst van de Vereeniging Kinderkleeding, een initiatief van vijf onderwijzers, lijkt de toekomst van de schoolpantoffel gegarandeerd. Opgericht in 1896, met een koninklijke goedkeuring in eerste instantie op 24 augustus 1900 en vervolgens op 23 juli 1902 via een koninklijk besluit, vertellen de statuten om, ter voorkoming van schoolverzuim, leerlingen van openbare lagere scholen die daar behoefte aan hebben, te voorzien van kleding en schoeisel. Eugenius Sieburgh, oud assistent-resident in Nederlands-Indië en voorzitter van zowel de Commissie tot wering van Schoolverzuim als de Vereeniging Kinderkleeding, moet al snel constateren dat het geld niet binnenstroomt. De op 11 juli 1914 op 77-jarige leeftijd overleden bewoner van de Obrechtstraat 88, getrouwd met Alida Kepper, constateert in december 1902 dat ze weliswaar schoeisel heeft kunnen verschaffen, meestal klompen (dat jaar in Den Haag: 2912, in Scheveningen: 246), ‘dankzij donateurs, leden en de offervaardigheid van andere liefdadige stadsgenoten’, maar dat die giften niet genoeg zijn om de werkkracht van de vereniging te versterken. Hoe groot de nood is, tonen in 1903 de statistieken: ’s-Gravenhage telt dat jaar zo’n 20.000 kinderen wiens ouders niet behoorlijk voor hun kleding en schoeisel kunnen zorgen. Om die reden vraagt hij aan de gemeenteraad om een subsidie van 5000 gulden (€ 2268,90). Het wordt, na veel praten en de steun van andere organisaties als de afdeling ’s-Gravenhage II van het Volksonderwijs en het Nederlandsch Onderwijs Genootschap, een jaarlijkse ondersteuning maar alleen als ook bijzondere scholen, die onder dezelfde leerplichtwet vallen, profiteren. De vereniging kan hierdoor in het jaar 1903 – 1904 f 979,25 (€ 444,36) aan klompen uitgeven. Een jaar later (1904 – 1905) is dat f 667,04 (€ 302,69), ofwel 3032 paar klompen. Ze zijn afkomstig van de gebroeders Hulscher uit Alphen aan de Rijn. Deze eigenaren van de eerste stoomklompenfabriek in Nederland kunnen binnen acht dagen 2000 paren leveren. Kosten: 22 cent per set. In 1905 wordt de subsidie, dankzij de opstelling van een aantal bijzondere scholen, teruggebracht tot 600 gulden. Sieburgh constateert dat de schatkist haar bodem laat zien en plaatst op 5 januari 1905, als oproep voor giften, een gedicht in de Haagsche Courant die door De Avondpost wordt overgenomen. Een van de strofe luidt:
                                            ‘Als ’t schoeisel aan de voetjes faalt.
                                             Geen warmte ’t koude lijfje omstraalt.
                                             Als ’t huiverend loopt te beven.
                                             En ’t daardoor niet naar school toegaat.
                                             Wilt ’t kind uw hulp dan geven’.

Beter leven

De Vereeniging Kinderkleeding blijft in Den Haag niet de enige strever naar een beter leven voor het arme kind. Op 8 november 1905 wordt de Vereeniging Verstrekking van School-pantoffels in ’s-Gravenhage en Scheveningen opgericht. Het koninklijk besluit volgt op 12 september 1908. In de elf artikelen tellende statuten en het 20 artikelen omvattende reglement is terug te lezen ‘die kinderen van schoolpantoffels te voorzien die na nauwkeurig ingesteld onderzoek daaraan behoefte hebben’. De vereniging bestaat uit gewone leden (1 
   Originele omslag van de statuten en het reglement van
de Vereeniging Verstrekking van schoolpantoffels.   
                                                                     Foto: archief.
gulden per jaar), donateurs (minimaal 5 gulden per jaar) en werkende leden. Dat zijn hoofden van scholen en onderwijzers die zich als zodanig aan het bestuur opgeven. De vereniging, bestaande uit vijf bestuursleden en gevestigd in Den Haag, is de overeenkomst aangegaan voor 29 jaar en 11 maanden aanvangend op de dag van oprichting. Als eerste voorzitter wordt Frederik Eterman gekozen. Hij is hoofd van een openbare lagere school, getrouwd met Alida Dina Antonetta Huijsse en vader van twee kinderen. Op 17 maart 1865 geboren in Delft heeft hij zijn akte van hoofdonderwijzer gehaald op 2 februari 1886. In zijn geboorteplaats kiest Frederik in april 1883 voor het onderwijs en functioneert hij tot oktober 1902 als secretaris bij de Commissie tot Wering van Schoolverzuim. In Den Haag wordt hij dat jaar hoofdonderwijzer in Kortenbosch. Drie jaar later is hij ook 2e secretaris bij de Vereeniging Kinderkleding. Na acht jaar, op 1 september 1910, wordt Eterman, hoewel hij liever was verplaatst naar een school aan de Noordwal, hoofd van de openbare lagere school aan de Bakkerstraat 59. Vanaf december 1909 maakt Frederik deel uit van het in Utrecht opgerichte bestuur van de Vereeniging van Onderwijzers en Onderwijzeressen tot Opleiding van Onderwijzeressen bij het Voorbereidend Onderwijs. Hij is lid van schietvereniging Het Vaderland. Dat levert hem in augustus 1894 een eremedaille op voor de meest geschoten punten (53). In februari 1906 verschijnen er bij de firma Joh. Ykema ‘Historische Portretten’, die door Frederik Eterman en Jan Willem de Jongh zijn vervaardigd. De twee hoofden van scholen hebben zes portretten getekend. Het gaat om Julius Caesar, Karel de Grote, Karel V, Filips II, Lodewijk XIV en Napoleon. Ze zijn gedrukt in 8 á 10 kleuren op chromoplaten. De prijs is 6 gulden (€ 2,72). Een tweede serie verschijnt in 1911 met onder andere koning Willem I, Rutger Jan Schimmelpenninck, Frederik Hendrik en Amalia van Solms. Critici menen dat dit werk beter uit de verf is gekomen. De eerste serie portretten is wat stijf. De tweede reeks bestaat uit ‘mooie figuren, mooi van stand, omgeving en kleur’. Het duo heeft er reizen voor gemaakt. Zo dient een Engels kasteel, dat zijn poorten en zalen heeft geopend, als decor. Frederik Eterman wordt in 1928 opgevolgd door Adrianus Sneep, geboren op 6 februari 1879 in Mijnsheerenland, een dorp in de Hoeksche Waard. De onderwijzer is in 1913 van Rotterdam naar Den Haag verhuisd voor een functie in de Pretoriusstraat 95. In 1922 vervolgt hij zijn loopbaan in de Hemsterhuisstraat 154.
De rest van het bestuur van de vereniging tot Verstrekking van Schoolpantoffels bestaat uit secretaris Jacobus Lucas van Schie. Hij is geboren op 15 juli 1871 in Delft, sinds 1891 onderwijzer en sinds 1903 hoofd van de openbare school voor uitgebreid lager onderwijs aan de Badhuisstraat. Penningmeester Johannes Kuijk, geboren op 17 december 1870 in Den Haag, is onderwijzer in de Achterraamstaat 10 en actief bij de Vereeniging Kinderkleding. Hij wordt in 1910 opgevolgd door hoofdonderwijzer Johan Adriaan Notenboom, op 14 april 1862 geboren in Delfgauw, een dorp in de gemeente Pijnacker-Nootdorp, en op 19 juli 1920 op 58-jarige leeftijd overleden. Zijn taak wordt in 1918 overgenomen door Grietje Plaatsman. Zij is op 24 juli 1887 geboren in Harenkarspel. De onderwijzeres komt in 1912 vanuit Enschede naar Den Haag om les te gaan geven op de lagere school in de Fischerstraat 15. Daarna volgen scholen in de Majubastraat 2, de Sneeuwbalstraat 137 en de Abeelstraat 30. Ondertussen slaagt ze in juli 1916 voor het examen in Handtekenen voor het Lager Onderwijs. In 1923 geeft ze haar functie als penningmeesteres over aan de uit Vlissingen afkomstige Johannes Jacobus van Tongeren. Geboren op 25 augustus 1878 is hij als onderwijzer onder meer werkzaam op de openbare lagere school aan de Hoefkade 101 en in de Stortenbeekstraat 10. Hij wordt als tijdelijke leraar wiskunde ingezet op de Hogere Burgerschool aan de 3e Van den Boschstraat en functioneert als directeur bij de Gemeentelijke Handelscursus aan het Westeinde 47. De op 17 juni 1884 geboren Pieter van der Burgh is de volgende. Hij vervult de functies van secretaris en penningmeester en is in zijn werkzame leven hoofd van de openbare lagere school in De Gheijnstraat 51. Vervolgens verhuist hij naar de Boylestraat 20 om in 1941 als hoofd van de school terecht te komen op de Zuidwal 47. Het eerste lid van de vereniging is Jakob Laban, geboren 30 november 1868 in Oud-Beijerland. Na de Rijkskweekschool in Haarlem is hij hoofd van de openbare lagere school in de Stortenbekerstraat 10 geworden. Sinds februari 1904 functioneert hij als hoofd van de Haagse afdeling van het Nederlandsch Onderwijzers Genootschap. Jakob overlijdt, 39 jaar oud, op 10 november 1908. Het tweede lid, Jacobus Hendrik Struijs, geboren 19 februari 1871 in Vlaardingen, is onderwijzer op de openbare lagere school in de Duinstraat 55. Een van de volgende leden is Willemijntje Johanna Siliakus. Op 28 augustus 1878 geboren in Den Haag is de vrijgezelle dame tijdens haar carrière als onderwijzeres handarbeid onder meer te vinden op het Rijswijkse Plein en in De Gheijnstraat.

Touwpantoffels

Het verstrekken van de schoolpantoffels verloopt de eerste dertien jaar zonder veel problemen. In 1909-1910 ontvangt de vereniging 914 gulden (€ 414,75) aan giften en jaarlijkse bijdragen. Het betekent de aanschaf van 1524 paar touw-pantoffels, gemaakt van zeildoek met een zool van gevlochten touw. Kosten 533 gulden (€ 241,86). Voor het herstel wordt 161 gulden (€ 73,05) betaald. Besloten wordt ook kinderen met lekke schoenen van 
Touwpantoffels. 
Tekening: archief.
pantoffels te voorzien. Gebleken is namelijk dat de zeildoek-pantoffels zeer sterk zijn. Dit is voor het bestuur reden aan te nemen, dat de kinderen er langer dan een jaar mee kunnen doen. ‘Hierdoor wordt de kans vergroot dat in het komend jaar aan alle aanvragen kan worden voldaan’, aldus de voorzitter in het jaarverslag. Dat lukt helaas niet, want in het boekjaar 1911-1912 komt er f 804,40 (€ 365,02) binnen dankzij de contributie van de donateurs (f 180,-), de leden (f 582,65) en giften (f 41,75). Het is genoeg om 953 touw-pantoffels (f 333,55) en 108 leren-pantoffels (f 151,20) te kopen en de reparaties te betalen (f 91,02). Volgens Eterman kwamen er van ruim veertig scholen aanvragen binnen. Tevreden stelt hij vast dat de vereniging op zowel de Haagse als Scheveningse scholen samen, inmiddels vierduizend paren heeft ondergebracht.
Dat ook in andere plaatsen de behoefte wordt gevoeld om leerlingen, die anders op hun (vaak versleten) kousen in de schoolbanken moeten plaatsnemen, aan warm droog schoeisel gedurende de lesuren te helpen, bewijst een verzoek uit Middelharnis, een dorp aan het Haringvliet. Er wordt aan de vereniging Verstrekking van Schoolpantoffels om inlichtingen gevraagd over de beste wijze van aankoop van de in Den Haag in gebruik zijnde pantoffels. ‘Om ze te helpen hebben wij bij onze leverancier 250 paar meer besteld. Wij hebben die tegen kostprijs afgestaan. Het bedrag werd direct voldaan’, aldus voorzitter Eterman.
Het zijn de jaren dat ’s-Gravenhage mooie sier maakt met haar verstrekking van gratis kleding en voeding. Zo prijkt de stad in 1911 bovenaan de landelijke lijst met een totale uitgave van f 39.204,58 (€ 17.790,25). Amsterdam besteedt f 29.597,02 (€ 13.430,53) en Rotterdam f 6.986,44 (€ 3.170,31). In dat jaar worden 280.000 porties voeding uitgedeeld. Gemiddelde prijs per portie 9 cent. In de winter gaat de voedselverstrekking naar 1975 Haagse en 412 Scheveningse kinderen. In de zomer zijn dat 370 Haagse en 53 Scheveningse kinderen.  

Nadelig saldo

In 1918 laten de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog zich voelen. Door prijsstijgingen is er bij de vereniging een nadelig saldo ontstaan van f 456,50 (€ 207,15). De subsidie van 600 gulden (€ 272,27) per jaar blijkt niet genoeg. In 1920, maar ook in 1921, 1922 en 1923 is er een extra bedrag nodig van 500 gulden (€ 226,89). Een simpele rekensom laat zien waarom: in 1919 worden zevenhonderd paar touwpantoffels aangevraagd. Dat is een kostenpost van 1500 gulden (€ 680,67). Als de inkomsten door middel van contributie en giften plus minus 500 gulden bedragen en er dankzij de subsidie 600 gulden binnenkomt, dan is er een tekort van 400 gulden (€ 181,51). Wat daarbij in 1923 extra op de begroting drukt, is de aanhoudende regen. Het maakt de vraag naar pantoffels zeer groot omdat het schoeisel van
Het vignet van de Vereeniging Verstrekking
van Schoolpantoffels.      Tekening: archief. 
heel veel leerlingen in zeer slechte staat verkeert. Twee jaar later vraagt de vereniging de subsidie opnieuw te verhogen. Nu naar 1100 gulden (€ 499,16). Ze heeft haar inkomsten zien dalen dankzij een forse afnamen van leden terwijl er, ondanks propaganda, geen nieuwe toetreden. Ondertussen stijgt het aantal scholen dat een verzoek indient – inmiddels 47 lagere scholen, 7 buitengewoon lagere scholen en 6 bijzondere scholen. Bovendien neemt de vraag naar leren pantoffels, om schoolverzuim te voorkomen, flink toe en is de post ‘reparatie’ gegroeid. Om het in dat laatste jaar (1923) financieel niet te veel uit de hand te laten lopen, zijn er veel minder reparaties uitgevoerd. Bovendien heeft de vereniging niet volledig kunnen voldoen aan de aanvragen van scholen. Zo heeft ze van de 304 paar aangevraagde leren pantoffels er maar 128 kunnen uitdelen. Dat gemis is voor het bestuur van de vereniging Verstrekking van Schoolpantoffels aanleiding om aan burgemeester en wethouders voor te stellen, het leveren van die leren pantoffels door de gemeente te laten uitvoeren. De afdeling Den Haag van de Bond van Nederlandsche Onderwijzers reageert in december 1924 met de opmerking dat de gemeente dan net zo goed de hele taak van de vereniging kan overnemen. Dat gebeurt niet.
Het idee komt opnieuw bovendrijven als de koninklijke goedkeuring van de vereniging vervalt. Vanaf die datum - 8 oktober 1935 – is ze geen rechtspersoonlijkheid meer, wat moeilijkheden kan opleveren bij het verstrekken van de subsidie. Voorzitter Adrianus Sneep laat dat op 5 augustus 1936 aan burgemeester en wethouders weten. Op dat moment telt de vereniging nog 50 à 60 leden, die samen met de donateurs, een jaarlijkse contributie betalen van ongeveer 70 gulden (€ 31,76). Zo’n 40 openbare scholen dragen 60 gulden (€ 27,23) bij en oudercommissies, die zo hun waardering voor de geboden hulp willen uitspreken, 20 gulden (€ 9,08). De subsidie van de gemeente is 1000 gulden. De leden en donateurs verminderen onder meer door vertrek en overlijden nog altijd in aantal terwijl er geen nieuwe leden bijkomen. Aanvragen voor schoolpantoffels worden ingediend door ongeveer 60 hoofden van openbare en bijzondere lagere scholen. Er zijn er die zelden aanvragen, anderen, als de Zuidwal en Sloepstraat bijvoorbeeld, zeer vaak.

Opheffing

Op 9 juni 1937 wordt, tijdens de jaarvergadering van de vereniging Verstrekking van Schoolpantoffels, besloten tot opheffing als de gemeente de voorziening van noodschoeisel zelf ter hand neemt. Aanleiding zijn de financiën. Het bestuur concludeert dat de gemeente in feite al een paar jaar het verstrekken van de schoolpantoffels met haar jaarlijkse subsidie betaalt. De opbrengst uit contributie en giften stelt namelijk helemaal niets meer voor. In het boekjaar 1935-1936 is het f 149,05 (€ 67,64). Bovendien moet op dat moment opnieuw koninklijke goedkeuring op de statuten worden verzocht, een kostenpost van 25 gulden.
Formulier voor het werven van nieuwe leden voor de vereniging.
                                                                                   Foto: archief. 
Vier maanden later, op 6 oktober 1937, komt het voortbestaan opnieuw ter sprake. Tijdens die bijeenkomst speelt de vraag op welke wijze de voorziening van het noodschoeisel na opheffing zou moeten plaatsvinden. Er is zo weinig belangstelling voor die vergadering dat er geen beslissing kan worden genomen. B&W krijgt wel een brief waarin twee suggesties zijn te vinden: 1) de gehele noodvoorziening beëindigen en de vereniging opheffen, 2) het handhaven als gemeentelijke dienst. Daarbij zou het bestuur van de niet langer koninklijk erkende vereniging zich met de verstrekking kunnen blijven bemoeien.
Burgemeester en wethouders concluderen dat de voorziening onder de huidige tijdsomstandigheden (crisisjaren), niet kan worden gemist. Nu evenwel de belangstelling van de leden der vereniging voor deze arbeid der mate is gedaald, dat praktisch alle werkzaamheden door enkele bestuursleden moeten worden verricht, terwijl de vrijwillige bijdragen een onbelangrijk bedrag laten zien, zijn B&W en de Commissie voor het Onderwijs van oordeel dat er aanleiding bestaat de verstrekking van schoolpantoffels voortaan via gemeentewege te laten uitvoeren. Het Bureau Kinderkleding van de afdeling onderwijs kan die taak op zich nemen. Voordeel is dat alle voorzieningen betreffende kinderkleding en -schoeisel in één hand komen. Er wordt een ontwerpregeling samengesteld. Daarin is onder meer te lezen dat elke daarvoor in aanmerking komende school de beschikking krijgt over een aantal paren pantoffels. De niet door de aangegeven instanties aangewezen scholen welke nog pantoffels bezitten – de totale reserve op Haagse en Scheveningse scholen bedraagt op dat moment 589 - behoren hun voorraad ter beschikking te stellen aan de gemeente. Het hoofd van de school verricht alle uit de pantoffelverstrekking voortvloeiende werkzaamheden. Zo beoordeelt hij/zij of de verstrekking nodig is. Als richtlijn dient daarbij, dat de pantoffels slechts mogen worden verstrekt aan die leerlingen die schoolkleding ontvangen en/of deelnemen aan de schoolvoeding. Indien aanvulling van de voorraad nodig is, maakt het hoofd van de school gebruik van ontwerpbon A. Deze dient te worden ingeleverd bij het Bureau Kinderkleding. Te herstellen pantoffels worden door het bureau, vergezeld van ontwerpbon B, aan een nader aan te wijzen schoenhersteller in reparatie gegeven.
Die keuze zou dan, ook in verband met een zo billijk mogelijk tarief, moeten gebeuren in overleg met de op 17 januari 1887 in Beverwijk geboren Hendrik Hoek, directeur van de op 2 mei 1913 opgerichte Haagsche Vakschool voor Schoenmakers. 
Dat het uiteindelijk niet zover komt en de vereniging Verstrekking van Schoolpantoffels haar werk vanaf 12 december 1938 (volgens de originele documenten tot en met 7 oktober 1965) met koninklijke goedkeuring kan voorzetten, heeft met de standpunten van burgemeester en wethouders te maken. Zo stelt professor Cornelis Lodewijk van der Bilt, wethouder van onderwijs, op 20 april 1875 geboren in Kapelle bij Goes, dat de gemeentelijke voorziening niet meer mag gaan kosten dan de 1000 gulden per jaar, die aan de vereniging als subsidie wordt verstrekt. Bovendien zou ze het leveren beperkt willen zien tot die openbare en bijzondere scholen welke een overwegend arme bevolking hebben. Voor het aanwijzen ervan zou, voor wat betreft de openbare scholen, het advies van de Gemeentelijke Inspectie van het Onderwijs moeten worden ingewonnen. Ten aanzien van de bijzondere scholen komen daar de Haagsche Scholenraad en de Rooms-katholieke Schoolraad voor in aanmerking. Probleem is echter, dat het 2e lid van artikel 36 van de leerplichtwet zegt, dat kinderen die openbare en kinderen die bijzondere scholen bezoeken, op gelijke voet moeten worden behandeld. Dat roept de vraag op of de verstrekking van pantoffels wel beperkt mag worden tot enkele bepaalde scholen. Uiteindelijk zullen er, ook op scholen welke geen overwegend arme bevolking hebben, kinderen zijn die af en toe behoefte hebben aan pantoffels.

Handhaven

Na overleg meent het gemeentebestuur, dat in het belang van het leerplichtige kind, de vereniging moet blijven bestaan om zo de verstrekking van de schoolpantoffel op de bestaande voet te handhaven. Hoewel de vereniging heeft geprobeerd om tijdens de discussie over het al dan niet voortbestaan van de vereniging het werk zo goed mogelijk voort te zetten, heeft ze wel de helft van haar subsidie misgelopen. De vangst in 1936 en 1937 is 500 gulden per jaar. Desondanks heeft ze aan plusminus 70 scholen nog 378 paar lederen en 60 paar tapijtpantoffels kunnen verstrekken. Voor het herstel van het noodschoeisel is een bedrag van f 463,10 (€ 210,15) uitgegeven. Die reparaties gebeuren al sinds jaar en dag door de op 29 maart 1903 geboren Johannes Andries van Kruijssen. Hij heeft een zaak op de Loosduinseweg 821 en hanteert een tarief van 15 cent voor stiksel, 60 cent voor zolen en 35 cent voor haken voor alle maten. Het formulier voor die schoenherstelling kunnen ouders verkrijgen bij het gemeentelijk leermiddelenmagazijn aan de Kerkstraat 13. Het nieuwe noodschoeisel wordt al in tijden aangeleverd door Leender Martinus Platteeuw. De op 13 juni 1884 geboren directeur van schoenmagazijn
Advertentie van Leender Martinus Platteeuw.
                                                    Foto: archief. 
De Kaplaars komt uit een schoenmakers familie, want ook zijn vader Cornelis hield zich met het vak bezig. In november 1924 maakt hij er, samen met zijn broer, elektrotechnisch ingenieur Wilhelm Nicolaas Cornelis (4 februari1893), een naamloze vennootschap van. Het startkapitaal bedraagt 25.000 gulden. Hij is dan al een tijdje schoenwinkelier. Zo bevindt zijn eerste winkel zich in 1911 in de Torenstraat 18-18a. In december 1922 verhuist hij naar de Vleerstraat 42-42a om in 1930 te eindigen in het Westeinde 45, op de hoek met de Vleerstraat. Platteeuw, getrouwd met Johanna Holt van Dijkerhof en vader van dochter Judith, is secretaris van de ’s-Gravenhaagsche Schoenwinkeliers Vereniging, die is opgericht in april 1924. Hij overlijdt, 72 jaar oud, op 3 april 1957. Klompen worden in die periode aangeleverd door Arie Verbaan Jzn. Zijn winkel, sinds 1789 in het bezit van de familie op de hoek van de Schuitenweg en de Wassenaarsestraat, kenmerkt zich door een grote klomp als gevelversiering.

Economische crisis

Hoewel de vereniging, na zo’n anderhalf jaar stilstand, de draad weer volledig kan oppakken, lijkt de schoolpantoffel zijn langste tijd te hebben gehad. Schuldig daaraan is behalve de economische crisis, de vooruitgang. Zo doet begin jaren dertig de rubberen zool zijn intrede waardoor schoenen langer meegaan. In 1933 kost een paar schoolpantoffels met rubberen zool tussen de 49 en 69 cent. De prijs voor schoollaarzen is dat jaar f 2,75. In september 1936 brengt een voorgestelde bezuiniging van zo’n 22.500 gulden (€ 10.210,05) de Haagse gemeenteraad op het idee de kinderschoenreparaties van werklozen af te schaffen. Ter compensatie wordt gedacht aan het uitreiken van een extra paar schoenen per jaar aan die schoolgaande kinderen, die daar behoefte aan hebben. Vanaf dat moment bestaat er niet langer die dwingende noodzaak schoolpantoffels te verstrekken. Bij reparatie van het ene paar kan de leerling gebruik maken van het andere paar en hoeft er dus niet te worden verzuimd.
Directeur Hendrik Hoek van de Vakschool voor Schoenmakers, die aan zijn collega’s denkt, laat weten dat die bezuiniging ook bereikt kan worden zonder het afschaffen van de reparaties. Zo zou het aantal herstellingen beperkt kunnen worden tot zes keer per jaar. Om ouders aan te sporen hun kinderen te leren zuiniger met het schoeisel om te gaan, zou een eigen bijdrage van 25 cent kunnen worden gevraagd. Dat bedrag zou bij de aanbieding van het schoeisel moeten worden voldaan. Schoenmakers zouden in plaats van een normaal loon een ‘werkverschaffingsloon’ betaald moeten krijgen. Volgens de directeur bedraagt de bezuiniging door het beperken van het aantal reparaties zo’n 7000 gulden (€ 3176,46). Dankzij de te betalen vergoeding (50.000 keer 25 cent) komt er 12.500 gulden (€ 5672,25) binnen. De schoenen die worden verstrekt, zijn normaal gesproken, molières (lage schoenen met veters), tenzij de huisarts anders beslist. Zo zijn er voor kinderen met moeilijke voeten rijglaarzen beschikbaar. De reparatie van die laarzen bij kinderen van werklozen wordt door de Vakschool voor Schoenmakers uitgevoerd. Dat het in Nederland economisch slecht gaat, is ook af te lezen aan de schoenprijzen. Betaalde ouders in 1932-1933 nog f 2,10 voor maat 28/31, in het boekjaar 1934-1935 is die gezakt tot f 1,80. Dat ook bij de vereniging Verstrekking van Schoolpantoffels minder hoeft te worden uitgegeven, is te danken aan het aanwenden van rubber voor zoolbedekking. Dat neemt niet weg dat de gemeentesubsidie in 1939 stijgt naar 1350 gulden (€ 612,60). In schril contrast staat het saldo van de giften: 130 gulden (€ 59). Van die bedragen worden leren- en tapijtpantoffels gekocht.
Schoolformulier voor het storten van een bijdrage.
                                                           Foto: archief.
Bij het begin van de Tweede Wereld-oorlog blijkt hoe belangrijk het is dat de vereniging Verstrekking van Schoolpantoffels doorgaat met haar werk. Het schoeisel in gezinnen wordt merkbaar schaarser. Er is een forse vermeerdering van aanvragen. Dat komt omdat kinderen, die daarvoor nooit gebruik van de voorziening maakten, nu wel geholpen willen worden. Het aantal klompendragers neemt ook fors toe. Aan de financiële draagkracht worden hoge eisen gesteld. De totale uitgave in 1940 is f 1466,33 (€ 655,39). Schoenwinkelier Platteeuw ontvangt f 687,53 (€ 311,99). Het 
reparatieloon aan Van Kruijssen bedraagt f 514,20 (€ 233,33). De uitgaven in 1942 stijgen naar f 1969,61 (€ 893,77). Inmiddels heeft de schoenenbon zijn intrede gedaan. Een uitzondering wordt gemaakt voor schoolkinderen die voor van gemeentewege te verstrekken schoenen in aanmerking komen. Gevolg is dat het een vlotte verwerking van de goederen in de hand werkt.

Bevroren toestand

Secretaris Pieter van der Burgh concludeert in zijn jaarverslag van 1945 dat de vereniging ‘in een bevroren toestand verkeert’. Volgens hem is het werk totaal onmogelijk geworden. Reden is dat de voorraden noodschoeisel, als ze nog op scholen aanwezig waren, zijn opgebruikt door kinderen die geen schoeisel meer bezaten. Hij heeft ook meermalen het bericht gekregen, dat de nog op school aanwezige voorraad, was gestolen. ‘En reparaties, hoe nodig ook, blijken door gebrek aan materiaal onmogelijk’. Van der Burgh stelt, dat de vereniging, die haar taak zo lang mogelijk heeft volgehouden, haar heeft volbracht. Hij vraagt nog wel een subsidie van f 167,50 (€ 76) om laatste, vooral administratieve zaken te kunnen afhandelen. Die wordt door de gemeente verstrekt. Burgemeester en wethouders, die vaststellen dat de werkzaamheden van de vereniging ernstig zijn ingekrompen, nemen het besluit de taak onder te brengen bij de gemeentelijke dienst voor Schoolkinderzorg. Een steekproef uit 1945 van Adrienne Françoise Houba, schoolopziener van het lager onderwijs bij de inspectie ’s-Gravenhage, wijst uit dat nog altijd vijfentwintig procent van de leerplichtigen ongeoorloofd verzuimd. Ook op de zogenoemde gegoede scholen. De oorzaak moet, in een groot aantal gevallen, gezocht worden bij sociale nood, zoals gebrek aan kleding en schoeisel. Het is reden voor Jacobus (Co) van Zwijndregt (19-01-1894), de Haagse wethouder van onderwijs en kunstzaken, begin 1948 te onderzoeken in hoeverre er nog behoefte is aan schoolpantoffels en klompen. Uit het rapport, dat verschijnt, komt naar voren dat 43 van de 62 ingeschreven scholen het verstrekken van het noodschoeisel wenselijk achten. Zestien scholen antwoorden ontkennend, terwijl 3 scholen geen antwoord inzenden. Mocht de dienst voor Schoolkinderzorg de taak op zich nemen, dan zijn er 450 paar sandalen (2925 gulden/€ 1327,31) en 900 paar klompen (1400 gulden/€ 635,29) nodig. Dat de voorziening vervolgens volledig verdwijnt, komt omdat na het onderzoek, geen enkele school en geen enkele particulier, een aanvraag indient voor het verkrijgen van het noodschoeisel. ‘Het lijkt mij beter de belangstelling niet kunstmatig op te wekken doch af te wachten of, en in hoeverre, in de toekomst de voorziening nog noodzakelijk blijkt te zijn’, aldus mr. Johannes Velders (28-05-1913), sinds 1 januari 1945 hoofd van de afdeling onderwijs.
In Rotterdam is de voorziening, om bezuinigingsredenen, al eerder gestopt. Tot 15 februari 1933 zijn alleen schoenen verstrekt aan kinderen, die volgens de verklaring van de dokter, een voeteuvel hebben, waardoor ze niet goed op klompen kunnen lopen. Na die datum worden alleen klompen uitgegeven. Slechts in zeer bijzondere gevallen worden er door de Vereeniging voor het Verstrekken van Voeding en Kleeding aan Schoolgaande Kinderen nog schoenen verstrekt. Vóór februari 1933 is die reparatie van de schoenen voor rekening van de vereniging. Daarna wordt in geen geval meer voor dat herstel betaald. Nimmer worden in Rotterdam klompen of pantoffels verstrekt voor de tijd dat de reparatie geschiedt. Ook in Amsterdam is het verstrekken van schoolpantoffels en schoenen na de Tweede Wereldoorlog afgelopen. Sinds 1935 werden er geen schoenen meer uitgedeeld. Voor schoolpantoffels was een aanvraag nodig, maar die werd niet veel meer gedaan. Ook daar nam het klompgebruik weer toe. Zo ontvingen 3000 kinderen klompen en 128 kinderen een paar schoolpantoffels. Die voetbekleding werd verstrekt nadat onderzoek naar de gezinsinkomsten was ingesteld. Wanneer bij reparatie van de schoenen, klompen werden aangevraagd, werd dezelfde maatstaaf gehanteerd.
Niet verwonderlijk is, dat het de landelijke gebieden zijn waar schoolpantoffels tot in de eerste helft van de jaren vijftig van de vorige eeuw nog worden gebruikt. In steden en dorpen als Zutphen, Deventer, Ruurlo, Hengelo, Heerlen en Kerkrade wordt tijdens raadsvergaderingen gewezen op het nut van de schoolpantoffel. ‘Zolang door kinderen, die naar school gaan, klompen worden gedragen, is die pantoffel zeer gewenst’. Om dat op een ordelijke manier te laten verlopen, staan er in de ontvangsthal van de school onder de kapstokken klompenrekken, waar het schoeisel kan worden verwisseld. Dat het in Den Haag uiteindelijk in 1945 definitief is afgelopen, heeft één simpele reden: een gebrek aan schoolpantoffels.


                                                                                                   © Haags Nieuwsbureau 2026


vrijdag 10 januari 2025

Vergrootglas

Vergrootglas in strijd
tegen kleine letters

door Hans Piët 

Het zijn van die zaken waar je niet op durft te hopen, maar die uiteindelijk toch gebeuren. Ik bedoel welke vooruitzichten worden je als vergrootglas precies geboden. Misschien dat je een oudere heer mag bijstaan tijdens het bezichtigen van zijn postzegelverzameling of zijn vrouw wanneer ze in de avondschemer haar ’s middags aangeschafte roman wil lezen. Toegegeven, heel nuttig allemaal maar spannend!
De verrassing was daarom groot bij het in de fabriek aanhoren van heel andere plannen. Volgens een opgetogen directeur zou het wel eens een echt avontuur kunnen worden. ‘Hoewel de onderhandelingen nog volop aan de gang zijn, reken ik op een goede afloop’, zei hij. Wat er precies aan de hand is, werd duidelijk uit de gesprekken die de medewerkers met elkaar voerden. Het Haags Gemeentearchief is druk bezig met het digitaliseren van haar opgeslagen erfgoed en heeft besloten om, in tegenstelling tot andere belangrijke archieven als in Amsterdam en Arnhem bijvoorbeeld, na die digitalisering het originele materiaal niet meer uit te lenen. Dat is volgens de archiefwet niet toegestaan, maar Den Haag volgt haar eigen route. Letterlijk wordt er vermeld dat digitaal beschikbaar niet betekent dat het papier niet meer mag worden ingekeken. Wat blijkt is, dat de onderzoeker graag de authenticiteit van de informatie waarborgt. Een vergrootglas vertelde mij dat een idee waarmee het Haags Gemeentearchief speelt is, het dan na zo’n tien jaar te verwijderen omdat de opslag ervan te veel geld kost. Ze meent het vooralsnog te doen uit het oogpunt van bescherming. Het uitlenen van al dat papier is niet bevorderlijk voor haar status is het idee, ofwel het zou onnodige beschadigingen kunnen oplopen. Waar volgens mij geen rekening mee wordt gehouden, is dat veel onderzoekers vanuit praktische
Een heikel punt is, worden we straks
gratis uitgedeeld. Tekening: Hans Piët
overwegingen op 14 of 15 inch schermen werken. Gevolg… de letters van het gekozen document worden wel heel erg klein. Zelfs goede ogen zijn niet voldoende om bijvoorbeeld de jaarboeken van de gemeenteraad te bekijken zonder dat er vergroot en verkleind moet worden. Wie een adres of naam zoekt, kan bij Archieven.nl aan de slag. De doorverwijzing ‘bibliotheek’ biedt de oplossing. Daar zijn adresboeken van alle jaren te vinden. We hebben met z’n allen wel even moeten schateren, op het moment dat we het hoorden. De letters op het beeldscherm zijn zo klein dat je minimaal drie van ons nodig hebt om iets te kunnen lezen, tenzij je vergroot en verkleind. Bovendien ben je al snel een halve dag bezig om de soms 1400 pagina’s door te werken. Er kan namelijk niet op naam of straat worden gezocht. Behalve een heidens karwei ook erg tijdrovend. Vastgesteld werd, dat er in elk geval bij een bezoek aan de studiezaal van het archief een soepele oplossing voor handen moest zijn. Als vergrootglas was ik er niet bij, maar een antwoord leek niet zomaar voor het grijpen. Volgens medewerkers van de fabriek heeft het zeker drie maanden geduurd. Het ging soms om felle discussies tijdens de reguliere maandagvergaderingen. Hadden ze het aan mij gevraagd, dan had ik ze direct in de goede richting kunnen sturen. Uiteindelijk functioneren we al sinds de negende eeuw en met erg goede resultaten. Wat ik heb begrepen, is dat er tijdens die bijeenkomsten een aantal zaken speelde. Een heel belangrijke was ‘maar hoe groot moet dat vergrootglas dan worden’. Mijn broeders moeten niet te zwaar in de hand liggen en niet te groot zijn want dat is onhandig. Zeker wanneer de onderzoeker besluit hem mee te nemen tijdens zijn speurtocht in het archief. Een andere vraag die speelde was, moeten wij voorzien worden van verlichting? Het lijkt mij niet echt nodig, maar misschien denken onderzoekers die de oudheid blootleggen daar heel anders over. Het zou verstandig kunnen zijn om, tegen de tijd dat een beslissing nabij is, een enquête te houden om vast te stellen hoe iedereen daar tegenaan kijkt. Dan kan direct de vraag worden beantwoord of voor een vierkant glas moet worden gekozen. Ik zie de voordelen niet, maar misschien ben ik als rond glas bevooroordeeld. Een ander heikel punt tijdens die vergaderingen was, gaan we als gemeentearchief die vergrootglazen gratis uitdelen of moet de toekomstige eigenaar ervoor betalen.
Staat de wethouder straks klaar met
een tas vol geld. Tekening: Hans Piët
Voordeel bij het weggeven is, dat je hem kunt voorzien van een logo van het Haags Gemeente Archief. Dat levert dan een speelse vorm van promotie op waardoor mogelijk meer onderzoekers voor een bezoek aan de studiezaal kiezen. En ik wil best bekennen, dat het extra charme aan mijn glas zou geven. Nadeel is mogelijk dat mensen het als een collectors item gaan beschouwen. Met een tip van vrienden of kennissen komen ze dan even langs, terwijl ze anders nooit het archief bezoeken. Dat wordt dan nog een hele klus voor de medewerkers van de studiezaal om degenen die onderzoek komen doen te scheiden van mensen die uit zijn op niet meer dan het kleinood. Belangrijke vraag wordt dan, hoe wijs je die personen op een vriendelijke manier de deur. Je kunt dit alles voorkomen door bij binnenkomst het glas uit te delen en het bij het weggaan weer terug te vragen. Bij duurdere exemplaren is dat niet onlogisch. Maar ook daar zitten haken en ogen aan. Het lijkt misschien geen probleem om ons aan het einde van de dag allemaal in een la te deponeren, maar ik wil nu al gezegd dat een ongeluk in een klein hoekje zit. En aan zo’n beschadigd glas heb je niets. De onderzoeker wil zeker zijn van zijn zaak. Hij wil niet drie keer moeten kijken omdat er een kras in de weg zit. Zeker niet omdat het om het kijken op een beeldscherm gaat. Onderzoek heeft uitgewezen dat dit zo wie zo slecht is voor ogen. De belangrijkste vraag is echter, wie gaat het financieren! Staat de wethouder glimlachend klaar met een tas vol geld of wordt de archivaris opgedragen een bijbaantje te nemen om zo ons bestaan te garanderen.
Het pleit niet voor me, maar als je het mij vraagt, is de beste oplossing vooralsnog, al het archiefmateriaal in de studiezaal van het Haags Gemeentearchief onbeperkt ter beschikking te stellen. Nou ja, de toekomst zal het leren.

© Haags Nieuwsbureau 2025

maandag 10 augustus 2015

restafvalcontainer

Pijnboomstraat decor
voor drijvend restafval

door Hans Piët

DEN HAAG - Het is een groots plan, geboren bij de koffie-automaat, op een verloren dinsdagochtend. De vraag van de ambtenaren, die hun tijd staan vol te maken, is simpel; hoe kunnen we als gemeente Den Haag weer eens internationaal van ons doen spreken? En opeens is er dat idee. "We zijn in Den Haag bezig met het plaatsen van ondergrondse restafvalcontainers. Zou het niet leuk zijn als we daarbij het fenomeen 'waterland' op een unieke manier kunnen uitdragen", is de opmerking van een tegen zijn pensioen aankijkende ambtenaar. Iedereen knikt instemmend.
''Het is een absolute wereldprimeur als de stad kan aangeven over drijvende ondergrondse restafvalcontainers te beschikken. Ik zie de jaloerse blikken van andere steden al voor me", voegt een collega toe. "Als je voor een transparante omgeving van de bak zorgt, doen filmpjes op bijvoorbeeld You Tube de rest. Het zou dan zomaar kunnen uitgroeien tot een toeristische attractie".
De mineur op de gezichten van omstanders geeft aan, dat het misschien een aardig idee is, maar dat de uitvoering onbegonnen werk is. Aan het plaatsen van die orac's gaat een strak georkestreerd plan vooraf. Zo is er bijvoorbeeld een milieudeskundigonderzoek om de bodemgesteldheid te peilen.

 Drijvend afval! Het kan zomaar. De bakken mis-
 sen namelijk een afwateringssysteem.
                                    Foto: Haags Nieuwsbureau.


Blijkt tijdens die twee weken dat de grond niet geschikt is of er te veel kabels liggen, dan wordt het plan herzien. Dit tot groot ongenoegen van de betrokkenen. Het betekent min of meer dat, ingegeven door de strenge, opgestelde regels, een geheel nieuw ontwerp voor het betrokken gebied nodig is. Eén van die regels is, dat de afstand, die de bewoner met zijn vuilnis aflegt, niet meer is dan 75 meter. Om echt grote problemen en protesten voor te zijn, biedt wethouder Tom de Bruijn (D66, milieu) de bewoners, voordat tot plaatsing wordt overgegaan, inspraak. Een handige manier om de burger tevreden te houden, terwijl hij en zijn ambtenaren een minimum aan arbeid hoeven te verrichten. Het zijn immers de bewoners die de knelpunten aanwijzen en oplossingen aandragen!
De taak van bijvoorbeeld Hanneke Schippers, als stadsdeeldirecteur Segbroek, is vooral om te benadrukken dat de restafvalcontainer voor een schonere en prettigere leefomgeving zorgt. Zo hoeven die 'stinkende' vuilniswagens niet meer wekelijks door de wijk - dat die ophalers zonder werk komen, is een ander verhaal - en kan de bewoner op elk moment van de dag - op loopafstand - zijn rommel kwijt. Wat wil je nog meer!

Wens

Het College van Burgemeester en Wethouders heeft in juni 2015 het definitieve plaatsingsplan voor wijk 52 vastgesteld. En daarmee de wens, zo je wilt de fantasie, van het groepje ambtenaren vervuld. Binnenkort gaat Den Haag de geschiedenis in als de eerste stad met een drijvende ondergrondse restafvalcontainer. Vraag is wel of de gemeente zit te wachten op de forse, extra kosten die dat met zich meebrengt. Wanneer het daadwerkelijk fout loopt, zal als excuus worden aangevoerd dat milieudeskundigonderzoek niet nodig leek in de Bomenbuurt. "We hebben de verschillende kaarten erbij gepakt en zo, eigenlijk zonder veel problemen, de betonbakken in de wijk kunnen plaatsen", is straks het verweer.
Dat Tom de Bruijn in de Pijnboomstraat met die ene maatregel een andere ondergraaft, mag op z'n minst pijnlijk heten. Hij is namelijk ook wethouder van verkeer. In die hoedanigheid wil hij zoveel mogelijk mensen op de fiets hebben. Als stimulans hiertoe deelt hij fietsnietjes uit. Hoeven mensen niet elke avond hun dure fiets de portiektrap op te sjouwen of in de te smalle gang te plaatsen. En laat nou net op de plaats waar in de Pijnboomstraat die nietjes zijn te vinden, die ondergrondse restafvalcontainer zijn gesitueerd. Wat het (heel) duidelijk maakt, is hoe intensief dat onderzoek van twee weken wordt uitgevoerd. Waren die deskundigen daadwerkelijk naar de Pijnboomstraat gekomen dan hadden ze in een oogopslag gezien waar die bakken met containers het best zouden passen. Er is namelijk genoeg ruimte voor beide voorzieningen.

Waterplas

Was het om een echt grondig onderzoek gegaan, dan waren ze er bovendien achter gekomen, dat plaatsing voor de percelen nr. 43 tot en met 53 vanuit historisch oogpunt onverstandig zou zijn. De geschiedenis leert namelijk dat dit deel van de Pijnboomstraat aan het begin van de vorige eeuw een waterplas was. Het maakte onderdeel uit van een 49 hectare groot weiland dat in 1913 door Maatschappij tot Exploitatie van Onroerende Goederen 'Houtrust' werd verkocht aan Bouwgrondmaatschappij 'Duinrust'. Die bodemgesteldheid zorgde ervoor, dat er niet te veel werd betaald. Een koper als Cornelis Fransdonk (Pijnboomstraat 43 t/m 53) en een bouwer als Willem van den Boogaard (19 t/m 41) waren vervolgens iets goedkoper uit. Gevolg is wel, dat bewoners nog altijd, regelmatig te maken hebben met natte kelders. De geschiedenis leert ook, dat het, met zo'n situatie, goed is die grond zoveel mogelijk ongemoeid te laten. Dat voorkomt zaken zoals bijvoorbeeld scheuren in gevels en verzakkingen. Vraag is dan of het verstandig is om juist op die plek een groot gat te gaan graven om een betonnen bak kwijt te kunnen.
Nu mag het vooruitzicht van een drijvende, ondergrondse restafvalcontainer in de inmiddels meer dan honderd jaar bestaande wijk een leuke utopie zijn, vraag is of bewoners, nadat de aandacht is verdwenen, er nog net zo blij mee zullen zijn. Er is plaats genoeg om een stukje verder een gat te graven en tot plaatsing over te gaan. En dat is uiteindelijk wel zo goedkoop.





woensdag 23 juni 2010

Betaald parkeren

DEN HAAG KWAM IN 1935 ALS EERSTE GEMEENTE MET PARKEERGELDHEFFING

Wethouder van verkeer
ontwricht sociaal leven

door Hans Piët

DEN HAAG – Met het invoeren van betaald parkeren in heel Den Haag hervat Peter Smit, wethouder van verkeer (VVD), een oude traditie. Vijfenzeventig jaar geleden, om precies te zijn op maandag 20 mei 1935, nam de Haagse gemeenteraad een verordening aan die inhield dat iedere automobilist jaarlijks 12 gulden (ofwel € 5,45) moest betalen voor het stallen van zijn voertuig voor huis of bedrijf. Wie 20 gulden (€ 9,08) afdroeg mocht ook gratis gebruik maken van de in de stad gelegen parkeerterreinen.
Den Haag was daarmee de eerste gemeente in Nederland die een parkeergeldheffing instelde. Wat opvalt, is dat ook in die periode sprake is van een economische crisis. Een verschil is, dat enige protesten van betekenis tegen dit zogenoemde slaapparkeren nu uitblijven. In de twee jaar voor de invoering waren het vooral de K.N.A.C. (Koninklijke Nederland Automobiel Club) en de ANWB die steeds opnieuw juridische stappen ondernamen om de rechtsgeldigheid te toetsen. Zo bleek de maatregel in strijd met artikel 41 der motorrijtuigenbelasting, mede doordat Den Haag er een belastingverordening van wilde maken. Naleving ervan zou gecontroleerd gaan worden door belastinginspecteurs. Wettelijk was echter vastgelegd dat ‘buiten de motorrijtuigenbelasting geen andere belasting ter zake van het rijden door automobilisten mocht worden geheven’. Den Haag kreeg echter (tijdelijk) toestemming van de Kroon. Tijdens die strijd omschreef de K.N.A.C. de belasting als “een groot gevaar voor een gezonde ontwikkeling van het automobilisme”. Een rekensom had namelijk geleerd, dat de verschillende overheden bijna 500 gulden (€ 226,89) per auto aan belastingen ontvingen.

Ontwricht

Anders dan 75 jaar geleden, zo wijst onderzoek uit, is dat de (belasting)maatregel, die op 1 juli 2010 in de Bomenbuurt, als een van de laatste Haagse wijken, wordt ingevoerd, het sociaal leven in de stad enigszins ontwricht. Hoewel een dwarsdoorsnede van de Haagse inwoners werd ondervraagd, kan de analyse niet als representatief gelden omdat niet meer dan 30 Hagenaars waren betrokken. Een van de opvallende kenmerken is echter, dat ongeveer de helft van de ondervraagde autobezittende inwoners aangaf veel minder de deur uit te gaan dan voorheen. Zo worden bezoeken tijdens verjaardagen en feestdagen steeds vaker overgeslagen. Het spontaan even langsrijden, lijkt helemaal afgelopen. Parkeergeld en –druk dienen daarbij, bij zowel het bezoek aan familie als vrienden, die niet op loopafstand wonen, als argument. Uiteindelijk kan de bezoekerspas maar een keer worden ingezet. En de bewonersvergunning geldt, anders dan in de jaren dertig, alleen in de eigen buurt. Dit blijkt vooral een probleem in wijken waar de parkeerdruk met het invoeren van het slaapparkeren niet is afgenomen. “Wie zijn auto niet in de eigen buurt kwijt kan en daarom uitwijkt naar een nabijgelegen rayon, krijgt een bekeuring als bij controle blijkt, dat een kaartje uit de automaat ontbreekt ”, bevestigt persvoorlichter Lia Bos.
“Een moderne techniek als skype, waarbij je via de webcam kunt praten, is een alternatief voor de (sociale) armoede die is ontstaan, maar haalt het niet bij een avondje gezellig met elkaar doorzakken”, is een van de reacties op het teruggelopen familiebezoek. Maar bijvoorbeeld ook restaurants, die in hun buurt het betaald parkeren zagen komen, hebben, door de bank genomen, minder gasten.

Kleingeld

Wat de meeste mensen steekt, is de contradictie met het veiligheidsbeleid van de gemeente. “Je moet altijd kleingeld op zak hebben, en niet weinig, want bij de automaat met je pas betalen is in veel gevallen onmogelijk. Hoe bedoel je, dat dit de 21e eeuw is”, laat een van de ondervraagden geërgerd weten.
Waar veel mensen tevens verbolgen over zijn, is het exuberante bedrag (€ 420), dat voor de tweede auto binnen een gezin, moet worden neergeteld. “Als man en vrouw beiden een baan hebben, kan dat bedrag mogelijk worden gedeclareerd, maar waar haalt een bij zijn ouders wonende zoon of dochter, met een baantje in het weekeinde, dat geld vandaan? Bovendien, als dat de derde auto binnen het gezin is, valt deze buiten de verkrijgbare vergunningen”, luidt een van de reacties. “Daar moet dus zeven dagen per week, gedurende de parkeertijd (veelal tussen 18.00 en 24.00 uur), voor worden betaald”.
Een rondgang langs Haagse makelaars leert, dat het invoeren van betaald parkeren - in de afgelopen twee jaar - slechts zelden reden is om het koophuis van de hand te doen. “Het komt voor, maar een trend is het zeker niet”. Ook blijkt het nauwelijks van invloed op het kopen van een pand. “Betaald parkeren wordt niet altijd als negatief ervaren, mede doordat de vergunning, in vergelijking met bijvoorbeeld Amsterdam, erg laag is. Vooral mensen die beiden werken en pas ’s avonds thuis komen ervaren de invoer als een zegening, zeker als het huis aan een gebied grenst waar betaald parkeren al van kracht is. Ze merken dat ze niet meer vier keer door de wijk hoeven te crossen om hun auto kwijt te raken”, aldus de makelaars.

Ergernis

Dat het betaald parkeren niet altijd ontlast, mag als grootste ergernis gelden. Woede is er dan ook over de nogal kromme redenering van Hoofd Parkeren, Anita Vos-Tijdhof. Zij laat in een schrijven aan bewoners weten: “Er zijn nog altijd meer auto’s dan parkeerplekken in de stad. Betaald parkeren zorgt ervoor dat er meer plekken beschikbaar zijn voor u als bewoner”.
Dan lijken de motieven van de wethouder van Verkeer edelmoediger. Net als het gemeentebestuur in de jaren dertig van de vorige eeuw, vindt Peter Smit, dat “het blik op straat te veel domineert”. Hij wil vooral toezien op het behoud van de kwaliteit van de openbare ruimte. In zijn visie zouden Hagenaars hun auto moeten wegdoen en gebruik moeten maken van fiets of openbaar vervoer. Een inzicht waarvoor ook in de jaren dertig (een achteraf heilloze) strijd is gevoerd.
Smits toekomstvisie op het faciliteren van de parkeerbehoefte is vastgelegd in 'Parkeerkader Den Haag 2010 – 2020'. De strekking van die nota lijkt al in de jaren dertig van de vorige eeuw geformuleerd. Wie boze opzet vermoedt, zou zelfs kunnen concluderen dat de verslagen van de gemeenteraad uit 1935 als leidraad hebben gediend. Uitgangspunt dit keer is, dat 's Gravenhage een aantrekkelijke internationale stad blijft om te wonen, te werken, te winkelen en te recreëren.

Parkeerdruk

Den Haag (waar 46 procent van haar inwoners geen auto heeft en onderzoek uitwijst dat het voertuig 80 procent van haar tijd stilstaat) wil, anders dan in de jaren dertig, de inkomsten ook daadwerkelijk voor het verminderen van de parkeerdruk gebruiken. In 'Parkeerkader Den Haag 2010 – 2020' valt (gestaafd met statistieken) te lezen welke plannen er zijn met het geld. Zo is er € 120 miljoen nodig, onder meer om de groei in parkeerplaatsen (zo'n 4000 in de komende periode) te kunnen oplossen. De gemeente denkt met het invoeren van betaald parkeren burger en reiziger te prikkelen bewuster te kiezen voor de auto of een ander vervoermiddel. Bovendien biedt het huishoudens met een eigen terrein een impuls de auto niet op straat te zetten. Hierdoor vermindert de parkeerdruk, is het idee (al merken ze daar in bijvoorbeeld het Belgisch Park weinig van). Wat de economische gevolgen zijn, moet nog blijken. Het invoeren van betaald parkeren in de badplaatsen langs de kust zorgde in de tweede helft van de jaren dertig voor een schrikbarende daling van het aantal bezoekers. Dit was dan ook een belangrijke reden om begin jaren veertig in te stemmen met het besluit van de minister van Binnenlandse Zaken nog slechts parkeergeld te heffen bij parkeerterreinen. Spelbreker dit keer in Scheveningen zou de opknapbeurt kunnen zijn die de badplaats de komende drie jaar ondergaat.
De motieven voor het invoeren van parkeergeld lagen aan het begin van de vorige eeuw anders. Den Haag zag het vooral als een welkome, extra bron van inkomsten of, zoals wethouder Quant het verwoordde: “het zijn niet te versmaden baten”. Het gemeentebestuur zag het in eerste instantie als een compensatie voor de gedwongen vermindering van de vermakelijkheidsbelasting met 35000 gulden (bijna 16000 euro) per jaar. “Mensen die er een gewoonte van maken het voertuig voor of in de omgeving van hun woning, kantoor, fabriek, winkel, magazijn, werkplaats of garage te zetten, moeten hiervoor betalen”, zo werd tijdens de gemeenteraadsvergadering, begin mei 1935, geopperd. Tegengas werd gegeven met een opmerking, die eigenlijk niets aan actualiteit heeft ingeboet: “als eenmaal het principe ervan is aangenomen, vormt het geen beletsel meer het geld steeds te verhogen”. Of dat gebeurt, moet de toekomst uitwijzen.

© Haags Nieuws Bureau 2010