Posts tonen met het label Lely. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Lely. Alle posts tonen

zondag 11 februari 2024

Boulevard

 

EEN ZEE VAN RECLAME AAN ZEE

De ontsiering van Scheveningen

door Hans Piët

SCHEVENINGEN – Met de aanwas van het automobielverkeer komt Scheveningen halverwege de jaren twintig van de vorige eeuw in de problemen. Tijdens het badseizoen staan de smalle straten zo vol, dat er geen doorkomen aan is. De geschiedenis leert dat het niet burgemeester en wethouders zijn die in eerste instantie een oplossing aandragen, maar Theodorus Adrianus Hendrikus Offerman. De chauffeur, die in de Rotterdamsestraat 10 woont, schrijft in december 1925 een brief naar Gemeentewerken. Daarin wijst hij een locatie in de kustplaats aan waar, volgens hem, de autolast kan worden teruggedrongen door middel van een stalling. Zijn ideale plek is te vinden aan de Strandweg vóór Grand Hotel Garni. Tegelijkertijd spreekt hij daarbij de wens uit dit nog te vormen parkeerterrein voor tien jaar te huren.
Aangespoord door Theo Offerman moet ook Cornelis Snethlage, als chef van de afdeling verkeerswezen, na een rondgang door de badplaats erkennen dat in de omgeving van de plek waar de Wandelpier de Strandweg snijdt, grote behoefte bestaat aan een geschikte locatie voor parkerende auto’s. Uiteindelijk is het tijdens het seizoen een brandpunt van gezelligheid. Daarbij meent hij dat de afstand van de auto tot dit kruispunt zo klein mogelijk dient te zijn. Al snel blijkt dat het door de adressant gevraagde terrein niet kan worden afgestaan in verband met andere plannen. Bovendien zijn aan het geschikt maken erg hoge kosten verbonden. Onder leiding van ir. Frederic Charles Jean van den Steen van Ommeren, adjunct-directeur Gemeentewerken, wordt een tiental andere plekken bekeken, maar steeds opnieuw is de conclusie dat het niet de ideale oplossing biedt. Zo ligt het plateau naast de Strandweg voor hotel Savoy (Zeekant 5) te ver weg. Dat geldt ook voor het gebied voor het Oranje Hotel en bij het Circus. Laatstgenoemde terrein heeft bovendien een ongunstige vorm. De plek aan het einde van de Strandweg, aan de noordoostzijde, is te klein evenals de ruimte bij het Casino aan de Utrechtsestraat. Daar kunnen hoogstens 50 auto’s staan. De adjunct-directeur stuurt zijn bevindingen naar ir. Pieter Bakker Schut. De directeur Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting concludeert in december 1925 dat van alle suggesties het voorgestelde deel van het Gevers Deynootplein, dat ten zuiden van de Kurhausbar ligt, het meest geschikt is, ook omdat er geen wijzigingen van betekenis behoeven te worden aangebracht. ‘Het plaatsen van enige palen met draad is voldoende’, laat de directeur weten. Nadeel is, dat Theo Offerman wel interesse heeft, maar voor niet meer dan zes maanden per jaar oftewel het badseizoen.
Al snel blijkt dat hij het vuurtje heeft aangewakkerd, want in juli 1926 nemen B&W het besluit om aan de Boulevard, voor het Grand Hotel, toch een ruim gelegen parkeerterrein aan te leggen, waar chauffeurs tegen
Kaart waarop de tien mogelijk parkeerruimtes zijn aangegeven.   Tekening: Archief. 
een geringe vergoeding, onder bewaking, hun automobiel kun-nen achterlaten. Het college van burgemeester en wethouders situeert die stalling aan de Strandweg tussen het Monument voor Leger en Vloot en de trap van het voormalige onderkomen van de prins Von Wied, het Paviljoen van de Nieuwe of Literaire Sociëteit De Witte. De werktekening geeft een openluchtgarage aan van 25 meter diep en 230 meter lang. Het moet stalling gaan bieden aan zo’n 200 auto’s. De aanleg wordt begroot op 50.000 gulden (€ 22.689). Daarbij zijn de bedrijfskosten van 5.000 gulden (€ 2.269) inbegrepen. Op 17 december 1926 beginnen de werkzaamheden. De N.V. Haagsche Bouwondernemingsmaatschappij, die het werk zal uitvoeren, wil voor Pinksteren 1927 klaar zijn. In die periode moet niet alleen 17.000 kubieke meter zand, middels een treintje, worden afgevoerd naar het uiteinde van de noord-Boulevard, maar het geheel ook worden bestraat. Om de kosten te drukken maakt de ondernemer voor die aanleg deels gebruik van de keien die uit de bestaande glooiing komen. Het nieuwe hellende vlak wordt opgebouwd uit korrelbeton. De uitvoering gebeurt in het kader van de werkverschaffing. Zo’n 25 werkeloze vissers, vaders van grote gezinnen, zijn voor de klus aangenomen die, mede dankzij de temperaturen, niet onder de beste weersomstandigheden plaatsvindt. Even wordt overwogen om tegelijkertijd de inmiddels geëlektrificeerde tramlijn 11 van de Haagsche Tramweg Maatschappij over de Boulevard door te trekken tot nabij het Kurhaus. In de stoomtramperiode was die verlenging een van de eisen van de in Amsterdam gevestigde Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij. Hij is echter nooit uitgevoerd. Hoewel raadsleden zich hardop de vraag stellen of met die aanleg zo’n groot parkeerterrein dan nog nodig is, wordt, opnieuw vanwege de aanzienlijke kosten van zo’n 180.000 gulden (€ 81.000), van het plan afgezien. George Pieter Johan Caspersz, voorzitter van de raad van beheer van de H.T.M. voegt daar tijdens een raadsvergadering aan toe: “Het doel, de reiziger tegemoet te komen, zal slechts ten dele worden bereikt wanneer die verlenging 300 meter voor het Kurhaus, bij het Paviljoen, zal moeten eindigen”.
Ondertussen onderhandelt de gemeente met Theo Offerman over de pacht van de parkeergelegenheid. Er wordt hem een driejarig contract aangeboden. Voorwaarden zijn onder meer dat de hoofdcommissaris van politie die gedeelte van het parkeerterrein aanwijst waar uitsluitend automobielen mogen staan, waarvoor op grond van artikel 97 der Algemene Politieverordening een vergunning is verleend. Worden de auto’s, op een ander deel van het terrein, door de inzittenden bewaakt, dan mag daar geen staangeld voor worden gevraagd en na elf uur ’s avonds mogen geen automobielen meer ter bewaking worden aangenomen. In het schrijven wordt ook vastgelegd dat, mocht de gemeente het terrein tussentijds nodig hebben voor andere doeleinden, de overeenkomst met evenredige terugbetaling van te veel betaalde pacht kan worden opgezegd. Offerman is bereid een huur van 3.000 gulden (€ 1.361) per jaar te betalen. Dat wordt aan het einde van het eerste seizoen teruggebracht naar 2.800 gulden (€ 1.270). De reden is, dat omwonenden hebben geklaagd over het hinderlijk geraas en getoeter van motorrijwielen met als gevolg dat wethouder van Openbare Werken Fredericus Nicolaas Vincentius Quant, in samenspraak met de hoofdcommissaris van politie, Theodorus Hendricus Johannes Besseling, die tijdelijk de plaats inneemt van de zieke François van ’t Sant, bepaalt dat zij niet meer op het parkeerterrein mogen worden gestald. Dat er ondertussen volop van de parkeergelegenheid gebruik wordt gemaakt, blijkt uit de cijfers. De bate over het eerste jaar bedraagt 7.000 gulden (€ 3.176).

Segboer

Gevoed door de sombere economische vooruitzichten van de wethouder van financiën, mr. Jacob Adriaan de Wilde, ziet het college van burgemeester en wethouders in de aanleg een uitgelezen kans wat extra geld binnen te slepen. Op het talud achter het parkeerterrein aan de Strandweg is namelijk volop ruimte voor reclames. Niet ondenkbaar is hiervoor contracten af te sluiten voor telkens een periode van vijf jaar. Directeur Gemeentewerken, dr. Jan Lely, laat na een verzoek van het college, zijn licht erover schijnen. Hij dient een ontwerp in trapvorm in, dat niet veel later wordt veranderd in een hellend vlak van plusminus acht meter en vijftig centimeter. Discussiepunt daarbij is of het op de werk-
                                                                                                                               tekening voorkomende
Ontwerp van de muur in trapvorm door dr. Jan Lely.                   Foto: archief.
  betonblok in het midden
  van de terrassen moet
  blijven. De Schoon-
  heidscommissie vindt
  van niet. Dr. Lely meent
  dat het hotel hierdoor
  juist een extra accent
  krijgt en de lange              vlakken op geschikte        wijze worden doorbro-
  ken. Tegelijkertijd zou
  hij de op het blok
  voorgestelde woorden
  ‘Grand Hotel’ achter-
   wege laten. Zijn advies
   luidt eerst de bepleis- tering uit te voeren en dan pas een besluit te nemen over het eventueel aanbrengen van reclame. “Op die manier wordt het gemakkelijker om zich ter plaatse een oordeel te vormen over de vraag of het aan-brengen vanuit welstandsoogpunt al dan niet zal zijn toe te laten”, aldus de directeur Gemeentewerken.
Hij heeft een situatietekening laten maken door de in Hongarije geboren kunstschilder Vilmos Huszár, die zulke werkzaamheden ook verricht voor Maatschappij Zeebad Scheveningen. “Het resultaat komt mij niet gelukkig voor. Vraag is of de werkelijkheid een ander beeld zal schetsen”, aldus dr. Lely.
Mocht voor reclame worden gekozen dan ziet hij als de meest ideale oplossing, ook voor de gemeente, om het hele vlak te verpachten aan een betrouwbare persoon of firma. Er wordt een ontwerpcontract opgesteld en twee firma’s worden uitgenodigd een offerte in te dienen. Het zijn het reclamebureau van Julius Dickhout jr. uit Amsterdam en de N.V. A.W. Segboer’s Uitgevers Maatschappij uit ‘s-Gravenhage. Alleen directeur en uitgever Arie Willem Segboer reageert. Hij zegt de glooiing voor het aanbrengen van reclame te willen pachten tegen betaling per jaar van zeventig procent van de opbrengst van de verhuurde oppervlakten gedurende het tijdvak 15 mei 1927 tot 15 mei 1930. Als garantie voor het nakomen van zijn verplichtingen is hij bereid 10.000 gulden (€ 4.538) te storten. Hij doet dat wat later in de vorm van aandelen.

Situatieschets van de Scheveningse Boulevard met reclames.                          Tekening: Vilmos Huszár.









Arie Segboer, die met zijn vrouw en vier kinderen aan de Nieuwe Parklaan 125a woont, krijgt een proefcontract voor twee jaar. Hij tekent zijn overeenkomst op 19 januari 1927 en verbindt zich daarmee aan een fors aantal verplichtingen. Zo moet een exemplaar van elk contract dat de directeur afsluit, voorzien van handtekeningen, binnen een week bij B&W zijn afgeleverd. Uit dat contract moet duidelijk worden hoe groot de verhuurde oppervlakte is, tegen welke prijs dat gebeurt en hoelang de overeenkomst duurt. De pachter mag de reclameoppervlakten tussen 15 mei en 1 oktober niet beneden de minimumprijs van 50 gulden (€ 23) per vierkante meter, of een gedeelte daarvan, verhuren. De reclame moet zijn goedgekeurd door burgemeester en wethouders, anders mag hij niet worden aangebracht. Bovendien moeten de advertenties in goede staat worden onderhouden. De verschuldigde pacht moet elk jaar in twee termijnen ten kantore van de gemeenteontvanger worden gestort. Die data zijn 1 mei en 1 oktober.   
 
Schoonheidscommissie
 
Het idee reclames aan te brengen ontstaat bij toeval. De burgemeester en zijn vijf wethouders zeggen de ingeving te hebben gekregen nadat, na de afgraving, het losgewoelde zand moest worden afgedekt met een laagje korrelbeton om verstuiving te voorkomen. De gemeenteraad wordt ondertussen in zijn geheel niet gekend in die reclameplannen. Het is een zelfstandige beslissing van B&W. En dat is op zijn zachts gezegd vreemd voor wie bedenkt dat op 18 april 1910 een uiteindelijk uit negen man bestaande Schoonheidscommissie in het leven is geroepen om de (bouwkundige) charme van ’s-Gravenhage te bewaken. Bovendien is in januari 1924 een algemene politieverordening van kracht geworden die ontsierende reclame moet tegengaan. Een van de vastgestelde bepalingen verbiedt het hebben van openbare advertenties in bepaalde, door het college aan te wijzen stadsgedeelten, tenzij burgemeester en wethouders daar een vergunning voor verlenen. Bij het aanwijzen van die gebieden speelt de Schoonheidscommissie een cruciale rol.
Het reclamevlak dat burgemeester en wethouders voor ogen
 hebben achter het aan te leggen parkeerterrein. Foto: archief. 
En zij heeft, in samenspraak, onder meer de Boulevard in Scheveningen aange-geven. De kritiek is dan ook niet mals 
als de niet meer terug te draaien twee-jarige proef naar buiten komt. Jan Kalf, directeur van het Rijksbureau voor Monumentenzorg, maar ook architect Julius Maria Luthmann, architect Joseph Crouwel, ingenieur Hielke Hoekstra, ingenieur Jos Klijnen, tuinarchitect
Henri Roeters van Lennep, bouwkundig ingenieur Adolf Broese van Groenou, rijksbouwmeester Gustav Cornelis en kunstschilder Gerard Antoine Henri van de Stok, allen lid van die Schoonheidscommissie, laten per brief weten dat een fraaie indeling en kleurcombinatie de ongeschiktheid van de helling voor het aanbrengen van opschriften niet kan camoufleren. ‘Geen enkele reclame kan, uit welstandsoogpunt bezien, ter goedkeuring worden aanbevolen. Het is esthetisch niet verantwoord. Naar alle waarschijnlijkheid zal met het aanbrengen een ware wantoestand worden geschapen. Als met meer uitvoerig advies of bemoeienis in deze zaak enig gunstig effect kon worden bereikt, dan zou de Schoonheidscommissie ten zeerste bereid zijn deze te verstrekken. We hebben echter op 2 maart met nadruk ontraden reclame aan te brengen’, laat voorzitter Hielke Hoekstra per brief weten. Op 27 juni 1927 neemt de commissie in haar onderkomen aan de Mauritskade 9-11 tijdens de 327ste vergadering de beslissing de aangeboden advertenties niet te zullen beoordelen.
 
Van der Bilt
 
Zij blijkt niet de enige met bezwaar. Zo dient raadslid professor Cornelis Lodewijk van der Bilt, hoogleraar elektrotechniek, een motie in om geen reclame aan te brengen, maar vindt in de gemeenteraad iemand als wethouder Quant tegenover zich. Hij meent dat een kale muur lelijker is dan een die met reclames beschilderd zal zijn. “Voor een badplaats die toch al een beetje ‘kermisachtig’ is, wordt de ‘levendigheid’ door de verf die op de muur wordt gestreken nog wat vergroot”.
De motie van afkeuring wordt op maandag 23 mei 1927 met 32 tegen 6 stemmen verworpen. De plaatselijke VVV spreekt zijn ongenoegen uit in een brief waarbij ze aangeeft ‘dat de reclame het gehele beeld van onze mooie badplaats van zeezijde af, in hoge mate afbreuk dreigt te doen en zal meewerken om er een kermisachtig aanzien aan te geven’. Schilderkundig genootschap Pulchri Studio voorziet een grove ontsiering, terwijl Horecaf, het verbond van werkgevers in hotel-, restaurant-, café- en aanverwante bedrijven laat weten ‘zich absoluut niet te kunnen vinden in de plannen’. Dat geldt ook voor de Bond Heemschut, pleitbezorger ‘voor het behoud van het oude dat schoon is’. Vilmos Huszár, die in Voorburg woont, stuurt op 24 mei 1927 een notitie aan burgemeester en wethouders waarin hij aangeeft dat de beschildering van de muur slechts op één bepaalde manier tot een esthetisch geheel kan worden gebracht. ‘Iedereen die er zijn reclame geplaatst wenst te zien, moet zich verbinden aan het feit dat de grijze achtergrond van de muur als basis voor de tekening, het figuur of de letters dient. Alleen zo komt het tot één geheel’.
Het helpt niet. Reden voor Exploitatie Maatschappij Scheveningen om op 28 juli 1927 een brief naar het gemeentebestuur te sturen waarin ze ferm uithaalt naar de inmiddels aangebrachte janboel op de muur. De kwalificatie ‘wanstaltige muurbeschildering’, waarover ze spreekt, heeft direct te maken met de beoordeling van haar eigen reclames elders in Scheveningen. Zij meent dat er met twee maten wordt gemeten met als gevolg dat er blijkbaar minder strenge voorwaarden worden gesteld aan de muurschilderingen op de Boulevard dan aan de reclames op haar gebouwen zoals op Palais de Danse. Pijnlijk daarbij is, dat onderzoek uitwijst dat de E.M.S. financieel veel meer aan haar advertenties overhoudt dan de gemeente. De Schoonheidscommissie mengt zich in dit geschil. In een schrijven aan het gemeentebestuur laat ze weten het ten zeerste te zullen betreuren indien Exploitatie Maatschappij Scheveningen gevolg geeft aan haar voornemen haar, tot nu toe zeer loyale houding bij het bevorderen van de welstand op haar terrein, te laten varen. Daarom zal de Schoonheidscommissie het toejuichen als, eventueel door toezegging van een zo spoedig mogelijke verwijdering van bedoelde reclames op de Boulevard, de exploitatiemaatschappij weer in het spoor van hare prijzenswaardige medewerking kan worden teruggebracht’.
Probleem voor de gemeente is, dat niets zomaar is terug te draaien. Het contract is getekend en ontbinding gaat de gemeente te veel geld kosten. Tijdens een raadsvergadering wordt aan de leden voorgerekend dat de schadevergoeding die dan aan Segboer moet worden betaald twee maal 7.000 gulden (€ 3.176) bedraagt. Daarbij komt nog eens 20.000 gulden (€ 9.075) waarop de opbrengst van de muur is geraamd. ‘En behalve dat hij dan verder moet worden afgemaakt met drie trapsgewijze plateau’s, waarvan de kosten rond de 25.000 gulden (€ 11.344) liggen, zijn er al veel aanvragen van firma’s bij de heer Segboer binnengekomen’, aldus wethouder Quant.
Na het eerste seizoen moet het gemeentebestuur toegeven dat de reclames op de muur niet in alle opzichten geslaagd zijn. Burgemeester Jacob Adriaan Nicolaas Patijn: “De oorzaak daarvan is te zoeken in de omstandigheid. De tijd heeft ontbroken om de uiteenlopende verlangens der gegadigden, die zich soms met vrij grote tussenpozen aanmeldden, in een stijlvol geheel te verenigen. Indien de muur na het eindigen van de overeenkomst opnieuw als reclameruimte zal worden verpacht, is het streven een meer bevredigend effect te bereiken”.
 
Pers
 
Uitgever Segboer kan aan het einde van 1929 niet terugkijken op een succes. De twee contractjaren hebben hem namelijk een nadelig saldo opgeleverd. Hij heeft weliswaar f 15.977,50 (€ 7.250) aan opbrengsten geïnd, maar daarvan heeft hij 13.532 gulden (€ 6.140) aan de gemeente moeten afdragen. De overgebleven f 2.445,50 (€ 1.110) blijken niet genoeg om zijn acquisitiekosten te dekken. Voor het laatste seizoen heeft Segboer twintig reclame-overeenkomsten weten af te sluiten. Daarbij legt het automobielbedrijf van directeur Wilhelm Carl Theodor Wiemann, gevestigd aan de Houtweg 7 in
’s-Gravenhage het meeste in. De bekende sportman die successen boekt met Mercedes en begin jaren twintig tijdens een K.M.-wedstrijd voor een grote sensatie in Scheveningen zorgt door op de Boulevard met zijn renwagen een topsnelheid van meer dan 160 km te bereiken, betaalt 1000 gulden
(€ 454) voor zijn advertentie. Andere klanten zijn Swarttouw uit Delft (f 350/€ 159), Ter Hall uit Rijswijk (f 200/€ 91), Boekholt uit Amsterdam (f 250/€ 113) en de Bijenkorf (f 800/€ 363) en Batenburg (f 500/€ 227) uit Den Haag. De totale opbrengst bedraagt f 7.062,50 (€ 3.205). Volgens Arie Segboer had er een beter resultaat uit kunnen rollen. Hij laat het gemeentebestuur weten: “Wij betreuren het ten zeerste dat wij, grotendeels door tegenwerking van de pers, geen betere opbrengst hebben kunnen bereiken”.
Die dagbladen en tijdschriften zijn niet mild in hun kijk op de zaak. Eén van hen meldt ‘Nu er een paar reclames zijn aangebracht kan eenieder er zich pas goed rekenschap van geven wat een onzalig denkbeeld het van B&W is geweest deze plek voor reclamevlakte te bestemmen en van de raad om er zijn goedkeuring aan te hechten. Het is in één woord monsterachtig’.
Niet onlogisch is dat de uitgever niet langer onder de oude voorwaarden de muur wil pachten. In het nieuwe voorstel, dat hij begin februari 1929 indient, staat, dat hij zich wil belasten met de exploitatie tegen een provisie van dertig procent zonder vaststelling van een minimumbedrag. “Door het aan mij over te laten, word ik in de gelegenheid gesteld de bij de eerste exploitatie verworven relaties te benutten en zo mogelijk iets van de geleden schade goed te maken”.

De door ir. Pieter Bakker Schut bedachte indeling. Op de nieuwe muur wordt tussen de pilasters één reclame afgewisseld met twee kleinere advertenties.                                                Tekening: archief.




Directeur Pieter Bakker Schut meent dat dit voor de gemeente niet aantrekkelijk is. Hij stelt voor het beheer in eigen hand te nemen. “Vooralsnog heeft de muur in de proefperiode zo’n 7.000 gulden
(€ 3.630) per jaar opgeleverd. Maar doordat er op dit moment nieuwe plannen voor het gebied worden ontwikkeld, is het niet mogelijk meerjarige overeenkomsten af te sluiten. Hierdoor zal de gemiddelde ontvangst, ondanks dat de duur met een maand, tot zeven maanden wordt verlengd, lager liggen. Stel dat het 5.000 gulden (€ 2.269) is. Dan ontvangt Segboer voor zijn zeer geringe bemoeienis toch nog 1.500 gulden (€ 680) provisie van de gemeente. Daartoe bestaat volgens mij geen enkele aanleiding”.
Het gevolg is, dat het gemeentebestuur de afdeling Openbare Werken, onderdeel van de dienst Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting, het recht verleent rechtstreeks aan gegadigden te verhuren en met hen contracten af te sluiten. Een afzonderlijk raadsbesluit blijkt hiervoor niet nodig te zijn aangezien het bestuur op basis van een machtiging van 22 oktober 1928 (bijlage nr. 690), tot verhuur bevoegd is. Het probleem dat de Schoonheidscommissie weigert advies over de ingebrachte advertenties uit te brengen wordt door ir. Bakker Schut eenvoudig opgelost. Hij neemt de beoordeling in eigen hand.
 
Kiosken
 
Medelijden hebben met Arie Segboer is niet echt nodig. Dat hij in 1927 voor de pacht van de muur kiest, houdt direct verband met de exploitatie van vijf kiosken op het trottoir aan de zeezijde van de Strandweg, middels zijn Haagsche Kiosk Onderneming. Daar wordt van 1 mei tot en met 30 september dankzij de verkoop van onder meer dagbladen, tijdschriften, tabak, bloemen en prentbriefkaarten elk seizoen een flinke winst geboekt. Toch legt de directeur na een aantal jaren een klaagt neer bij het gemeentebestuur over het ongeoorloofd venten dat op de Boulevard in Scheveningen gebeurt. Hoewel het verboden is, snellen de venters, zodra ze bemerken dat badgasten briefkaarten wensen te kopen, naar zijn onderkomens in de hoop hun waar aan de bezoekers kwijt te raken. De gemeente biedt geen oplossing, behalve het cliché een en ander nog scherper in de gaten te zullen houden. Segboer pacht de onderkomens vanaf 1922 van Maatschappij Zeebad Scheveningen. De onderneming heeft strenge regels opgelegd gekregen. Zo is het verboden om eet- en drinkwaren in de kiosken te verkopen. De gebouwtjes, welke het karakter van een getimmerte dragen, moeten zijn gemaakt volgens de door burgemeester en wethouders goedgekeurde tekening.
Ontwerp van een kiosk.            Tekening: archief.
Zij moeten ten genoegen van de directeur Gemeente-werken door de maatschappij worden onderhouden. In de kiosken mag slechts worden verkocht op de uren waarop, volgens artikel 1 der Verordening op de Winkelsluiting, het geoorloofd is winkels voor het publiek geopend te hebben. En dan moet er ook worden betaald voor de plaats die de kiosken jaarlijks op gemeentegrond innemen. De gebouwtjes zijn 3.17 m2. Daarvoor moet 40 gulden (€ 18) worden neer-geteld, dus in totaal 200 gulden (€ 91). Dat bedrag moet voor 1 mei worden betaald aan de gemeente-ontvanger die is gevestigd in de Alexanderstraat 2.
Naast inkomsten die worden verdiend met de
verkoop van allerhande producten aan binnen- en buitenlandse badgasten, komt er ook geld binnen middels de op de vijf kiosken geplaatste advertenties. De vergoeding die de maatschappij aan de afdeling reclame van de Dienst der Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting (Van Speykstraat 75) voor het aanbrengen moet betalen is 500 gulden (€ 227) per seizoen. Eind 1925 blijkt dit niet langer haalbaar. Francis Frederik Hendrik van Gheel Gildemeester, directeur-generaal van Maatschappij Zeebad Scheveningen, verzoekt een verlaging tot 200 gulden
(€ 91) ‘omdat gebleken is dat, gezien de grote onkosten en de te betalen hoge provisies voor het aanbrengen van dergelijke reclame-orders het door uw college gevorderde bedrag te hoog is, zodat een redelijke winst niet is te maken’. Voor de vijf verschillende advertenties, waarvan er op elke kiosk een aan de bovenkant wordt aangebracht, gaat de maatschappij vanaf 1926 een bedrag van 400 gulden
(€ 181) per seizoen betalen. Het gaat in alle gevallen om sigarettenmerken te weten Clysma, Soussa, Maspero, Players en Three Castles. De ingezonden tekeningen dragen, ter goedkeuring, de handtekening van Vilmos Huszar. Ook Julius Luthman, commissie C-voorzitter van de Schoonheids-commissie laat in zijn schrijven weten geen enkel bezwaar te hebben tegen de ontwerpen en dus het aanbrengen ervan. Dat geldt eveneens voor het Gemeentelijk Bouw- en Woningtoezicht en voor Gemeentewerken. “Bij mij bestaan geen bedenkingen mits het bevestigen van de reclameborden wordt
                                                                                              uitgevoerd ten genoegen van mijn directie”,  
Voorbeeld van een reclamebord.          Tekening: archief.
   aldus dr. Jan Lely.
   Ondertussen wordt er volop nagedacht over
   een nieuw uiterlijk voor het parkeerterrein en
   de muur. Uitgangspunt is een esthetisch en
   technisch meer bevredigende toestand ter
   plaatse te scheppen. In maart 1929 wordt
   gekozen voor een rechtstandige muur. Er
   vinden besprekingen plaats tussen Fred
   Quant, wethouder van Openbare Werken,
   mr. Edouard Polis, directeur van de N.V.
 Exploitatie Maatschappij Scheveningen, ir. Pieter Bakker Schut, directeur van Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting en dr. Jan Lely, directeur Gemeentewerken. Zij menen dat het een tweeledig project moet worden. Wenselijk daarbij is eerst een terras met voorliggende muur voor het Grand Hotel aan te leggen. De N.V. Exploitatie Maatschappij Scheveningen heeft interesse dit terras te huren. Opmerkelijk in het nieuwe ontwerp voor het parkeerterrein is, dat in de muur zo'n 36 boxen als autostalling zijn voorzien. Het plan wordt al snel naar de prullenbak verwezen. Kortgezegd komt het er namelijk op neer dat, in verband met het in- en uitrijden, het totaal aan nuttige parkeerruimte wordt verminderd in plaats van vermeerderd. Bovendien komt door de ongeveer zes meter lengte, die voor elke box nodig is, de achterkant zeer dicht in de buurt van de voorgevel van het Grand Hotel, wat niet zonder bedenkingen is voor de stabiliteit van het gebouw. En behalve de hoge kosten die het vervaardigen met zich meebrengt, ontraadt ook de politie, in verband met de verkeersveiligheid, de bouw. Voorzien in de nieuwe aanleg zijn twee kleine wachthuisjes aan de in- en uitgang en een servicestation met toiletten bij de inrit. De bedoeling is het gebouwtje uit te rusten met enige urinoirs die zomer en winter kunnen worden gebruikt. Daarnaast moet er ook een aparte toiletinrichting komen met wc’s voor dames en heren welke alleen gedurende het seizoen zal worden geëxploiteerd.
Aangezien de
Ontwerp van de nieuwe parkeergelegenheid met rechte muur.    Tekening archief.
betonafdekking van het talud voor het Grand Hotel vanaf het begin een tijdelijk karakter heeft gedragen, ligt het kiezen voor een definitieve oplos-sing voor de hand, ook omdat het de onderhoudskosten zal reduceren. De keuze voor een rechte muur betekent dat er een aangenamer uiterlijk ontstaat en de eventueel aan te brengen reclame in vakken kan worden ingedeeld. Berekeningen geven aan dat het zal gaan om tien vakken variërend van twee tot vier meter in hoogte en twintig tot 21,5 meter in breedte. Vraag is hoe die vakken, vanuit esthetisch oogpunt gezien, verhuurd gaan worden. Directeur Pieter Bakker Schut betwijfelt of elk vak in zijn geheel door één reclame in beslag zal worden genomen. Zijn ideaalbeeld is, ook om kleinere zakenmensen een kans te geven, de verhuur in een op te delen vlak af te wisselen met een vlak dat door slechts één reclame in beslag wordt genomen. Om harmonie te creëren moet de gemeente vooraf bepalen welke kleur als achtergrond zal dienen. Hij ziet daarin een belangrijke taak weggelegd voor de Schoonheidscommissie, ‘maar deze wenst zich te onthouden een oordeel over de aan te brengen reclame uit te spreken. Ik acht om die reden de beste oplossing de beoordeling voor te leggen aan een bevoegd decorateur in overleg met de ontwerper van de muur’.
Voor de beoordeling van de reclames op esthetische waarde kiest de gemeente Antoon Pet. De architect, die bij de dienst Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting werkt, is de ontwerper van het nieuwe parkeerterrein. Na zijn pensionering in mei 1950 wordt deze functie overgenomen door ir. Frits van der Sluys, die vanaf 1956 als directeur Stadsontwikkeling volop meedenkt over de ontplooiing van Scheveningen. Dat het herscheppen van muur en parkeerterrein tijd nodig heeft, is onder meer te danken aan timmerman en gemeenteraadslid Isaac van der Loo. Zijn inbreng, als de plannen al in een vergevorderd stadium verkeren, is de aanleg van een weg voor doorgaand wandelverkeer. Deze moet komen onder het te verhuren terras doch boven het parkeerterrein, op ongeveer halve hoogte. Gebleken is dat die weg zeer goed uitvoerbaar is. Aangenaam daarbij is, dat het publiek zijn wandeling behoudt, maar ook dat het parkeerterrein niet behoeft te worden verkleind, terwijl tevens het terras voor het Grand Hotel niet smaller hoeft te worden gemaakt. Het voor het hotel liggende gedeelte van de Zeekant kan namelijk zonder bezwaar bij het terras worden gevoegd. Aan de strandzijde kan de weg door middel van enkele treden worden bereikt. Op dit punt wordt een kleine uitbouw ontworpen, die een aardig zitje voor het publiek oplevert. Beneden is een urinoir voor chauffeurs te vinden. Op het dak van het servicestation aan het zuidwestelijk einde van het parkeerterrein is ook een zitje ontworpen. Zowel langs het terras voor het hotel als langs het nieuw aan te leggen pad moet een lage borstwering komen. Het voorstel wordt op 30 juni 1930 aangenomen.
 
Openbare inschrijving
 
Echt goedkoop is het niet. De begroting laat een bedrag van 220.000 gulden (€ 99.000) zien, maar daarbij is inbegrepen het laagje beton dat over de keibestrating komt te liggen waardoor een effen vlak wordt bereikt op het parkeerterrein. Om een deel van de investering terug te verdienen, besluiten burgemeester en wethouders om het parkeerterrein met zijn servicestation en toiletinrichting bij openbare inschrijving te verhuren. Het eerste jaar gaat dat, vanwege alle werkzaamheden niet. Theo Offerman mag van 15 april tot en met 31 december 1930 onder de oude voorwaarden huurder blijven. Halverwege het jaar krijgt hij van B&W de aanbieding 760 m2 gemeentegrond aan de Kijkduinsestraat in Kijkduin (gemeente Loosduinen) voor drie jaar te huren tegen een prijs van 125 gulden (€ 56) per jaar ten einde deze in te richten en te gebruiken als parkeerterrein. Er zijn voor Offerman wel kosten verbonden aan het in orde brengen. Er is namelijk een afgraving van ongeveer een meter nodig om hem op gelijke hoogte te krijgen met de aangrenzende straat, de Zandvoortse laan. Theo Offerman laat weten deze kosten geheel voor zijn rekening te nemen. Jammer blijft, dat hij er niet volop van heeft kunnen genieten, want de ex-chauffeur overlijdt, 56 jaar oud, op 23 november 1932.

Blik op de Boulevard. Op het bovenste deel van de muur (rechts) komen reclames.    Tekening: archief.







Met de N.V. Exploitatie Maatschappij Scheveningen wordt voor het terras in principe een overeenkomst van 25 jaar afgesloten. Dat als einddatum van de huur van 4.000 gulden (€ 1.800) per jaar, 31 december 1955 geldt, komt omdat op die datum ook de erfpacht van de gemeentegrond, waarop het hotel staat, afloopt. Afgesproken wordt die huur bij vooruitbetaling te voldoen in halfjaarlijkse termijnen.
Twistpunt blijven de reclames. Dr. Jan Lely wijkt niet van zijn standpunt af de muur geheel zonder advertenties te laten aangezien deze niet in overeenstemming zijn met het karakter van de Boulevard. Burgemeester en wethouders denken daar ook nu anders over. Gevolg is, dat het besluit wordt genomen, dat op het bovenste deel van de onderste muur, reclames kunnen worden aangebracht. ‘In vakken ingedeeld zullen ze op deze loodrechte muur zeker niet misstaan’ is het idee. Al snel blijkt dat mr. Edouard Polis, directeur N.V. Exploitatie Maatschappij Scheveningen, interesse heeft de muur te huren voor 10.000 gulden (€ 4.500) per jaar plus een vergoeding van vijftig procent van hetgeen de exploitatie der reclamevakken meer opbrengt dan 4000 gulden (€ 1.800) netto per jaar. Het gaat niet door, want de verhuur komt in december 1932 in handen van de dienst Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting. In februari 1934 meldt directeur Pieter Bakker Schut vol enthousiasme hoe voortvarend die verhuur is verlopen. ‘De minimum huurprijs is 350 gulden (€ 157) per jaar per vak. Op een na zijn alle vakken verhuurt tegen prijzen die variëren van 450 gulden (€ 202) bij een contract van een jaar tot 400 gulden (€ 180) per twee jaar en 375 (€ 169) of 350 gulden bij een driejarige overeenkomst. Vak 7 is door een minder gunstige ligging achter een ver naar voren springende pilaster niet te verhuren geweest. Reden voor mij om hem te laten beschilderen om zo een goed geheel van de muur zoveel mogelijk te bevorderen. Met enige trots kan ik nu melden dat het mij is gelukt om ook voor dit vak een gegadigde te vinden. Het gaat om de N.V. Internationale Automobiel Maatschappij uit de Scheldestraat 2. Het bedrijf wil een overeenkomst voor drie jaar sluiten tegen een prijs van 1000 gulden (€ 450) die vooruit wordt betaald. Hoewel dit bedrag 50 gulden (€ 22) lager ligt dat de minimumprijs is het acceptabel’. Het college is het met hem eens waardoor ir. Bakker Schut het contract kan afsluiten. Hoewel de directeur ook de vijf in de muur aangebrachte pilasters had willen benutten voor vooral kleine reclames, krijgt hij daarvoor geen toestemming.
Het verhuren van de grote vlakken is, zeker de eerste jaren, geen probleem. Steeds opnieuw kiezen bedrijven voor een advertentie die het volledige vlak in beslag neemt. Het gaat dan bijvoorbeeld om Krul bonbons, Hotel-kasteel Oud Wassenaar, het Duitse automerk Horch, Sinclair benzine, Pall Mall sigaretten, het schoonmaakbedrijf Cemsto en Het Warenhuis uit de Spuistraat.
Voor het pachten van het parkeerterrein melden zich op 23 maart 1931 veertien gegadigden in de oude raadszaal van het stadhuis aan de Groenmarkt. Willem van der Zwan wordt de nieuwe pachter. Hij is bereid 9.500 gulden (€ 4.275) per jaar te betalen voor zowel het parkeerterrein met servicestation aan de Strandweg, als voor de openbare toiletinrichting. In juli 1932 vraagt hij om een verlaging. “Voor het plusminus 100 meter verderop gelegen Palais de Danse worden vrijwel dagelijks twintig tot dertig auto’s op het trottoir geparkeerd”, laat hij weten. “Bij de inschrijving werd mij verzekerd dat er streng de hand zou worden gehouden aan het fout parkeren. Er staan ook overal paaltjes met de bordjes ‘niet parkeren’ ook achter het Kurhaus, maar aan dat verbod wordt niet de hand gehouden. Door de slechte tijdsomstandigheden wordt er ook minder geparkeerd. Ik vraag om een vermindering van mijn pachtsom van 8.500 gulden (€ 3.825) met 3.000 gulden (€ 1.350)”.
De gemeenteraad laat het niet zover komen. Voor het seizoen 1933 wordt besloten geen enkele parkeergelegenheid meer te verpachten. Voor alle gemeenteterreinen worden bewakers aangesteld die kenbaar zijn door een platte uniformpet met het opschrift ‘autobewaker’ en een geëmailleerde plaat op de borst. Het tarief wordt vastgesteld op tien cent per auto ongeacht de tijd dat hij staat geparkeerd. Voor het Grand Hotel op de Boulevard moet vijftien cent worden betaald. Het verschil houdt volgens een woordvoerder verband met de hoge kosten welke de aanleg van het terrein heeft gevergd. Afgesproken wordt de parkeerterreinen te bewaken van negen uur ’s ochtends tot een uur ’s nachts.
 
Geschonden dorp
 
De Tweede Wereldoorlog zorgt ervoor dat van het terrein weinig overblijft. In 1946 stelt de gemeenteraad ietwat teleurgesteld vast dat het niet mogelijk is om in een jaar tijd van een geschonden dorp weer een aantrekkelijk vakantieverblijf te maken. Daar gaan uiteindelijk wat jaren overheen. Zo stagneert de restauratie van het Grand Hotel en moet in 1949 worden vastgesteld dat het Oranje Hotel er nog even verwaarloosd en geschonden uitziet als het net na de oorlog werd aangetroffen. In 1946 blijkt bij het deels slopen van de betonmuur dat er twee schuttersopstellingen in de fundering zijn gevat. Het is iets dat volgens ir. Pieter Bakker Schut niet vooraf kon worden geconstateerd. De Nederlandsche Basalt Maatschappij uit Zaandam die als de laagste inschrijfster het werk voor 44.600 gulden (€ 8.635) heeft aangenomen, vraagt aan het College van Algemeene Commissarissen van den Wederopbouw, gevestigd aan de Van Alkemadelaan 350, een extra bedrag van 3.705 gulden (€ 1.630). Dat de muur met de sloop flinke schade oploopt, wordt niet door die paar overgebleven adverteerders gewaardeerd. Rudolf Blik, eigenaar van een elektrische apparaten en metaalwarenhuis uit de Waldorpstraat 38 – 44, die twee muurvlakken huurt, constateert dat door de herstelwerkzaamheden zijn reclame geheel moet worden gerestaureerd. ‘En aangezien dit van buitengewone aard is, ontstaan er extra kosten. Hopelijk wordt er een oplossing gevonden’, laat hij per brief weten. Gevolg is, dat hij voor de twee reclamevlakken in het eerste jaar 450 gulden (€ 198) ofwel 225 gulden per stuk betaalt. In de drie jaren die daarop volgen, telt hij 900 gulden (€ 396) ofwel 450 gulden per stuk per jaar neer. De gemiddelde huurprijs per vlak is op dat moment 600 gulden  
(€ 264) per twaalf maanden.
Badgasten in Scheveningen. Tekening: Carlo Jung.
Na voltooiing keren ook de advertenties op de muur terug, al zijn er, net als eind jaren dertig, vaker lege plekken. In juni 1949 komt vast te staan dat de laatste maanden moeilijkheden worden ondervonden met niet alleen het verhuren maar ook met het invorderen van huursommen. Het bedrijfs- en zakenleven blijkt duidelijk te bezuinigen op de uitgaven voor reclames. Gevolg is, dat besloten wordt tot lagere prijzen en een ruimere afbetalingstermijn.
Ondertussen is er, mede door de snelle voortgang in rijkswegen, de toename in autoverkeer. In de tweede helft van de jaren vijftig bezorgt die ontwikkeling de gemeenteraad hoofdbrekens. Niet alleen is er de vraag wat de beste oplossingen zijn om het autotoerisme soepel door de badplaats te loodsen. Ook het enorme gebrek aan parkeercapaciteit speelt een belangrijke rol. Waar is die ruimte in dit kleine dorp te vinden! Heel Scheveningen wordt doorgelicht. Het gevolg is dat een voormalige garage in de Gevers Deynootstraat en de muren en fundering van een vervallen huis in de Harstenhoekstraat worden afgebroken en worden omgevormd tot een parkeergelegenheid, maar een echt passende oplossing blijft vooralsnog achterwege. Hubertus Johannes Marie van der Heijden doet ondertussen goede zaken. Als pachter van het servicestation op het (vernieuwde) parkeerterrein aan de Strandweg, tegenover de Harteveltstraat, krijgt hij in 1958 dan ook vergunning tot het uitbreiden en wijzigen van het laad- en smeerstation en het plaatsen van door elektromotoren gedreven aftapinrichtingen voor benzine en diesel.
Het advertentieaanbod lijkt begin jaren zestig terug te keren naar het oude niveau. Dat is echter maar van korte duur. Mogelijk omdat de intensieve manier van werven, waarvan in de eerste jaren sprake was, nu volledig vervangen lijkt door de wens een uitgelezen recreatief centrum aan zee te bouwen. Pijnlijk is, dat brandstichting, zo constateert de politie, in bijvoorbeeld het Grand Hotel, maar ook het Palais de Danse, die vernieuwingsdrang een zetje in de goede richting lijkt te moeten geven. De gebouwen afbreken ligt vervolgens niet alleen voor de hand, maar gebeurt ook.

Het nieuwe Scheveningen met de hoogbouw van het Princelandt-complex (midden). Tekening: archief.




Wie de nieuwbouw nu bekijkt zal constateren dat er van architectonische speelsheid en creativiteit nauwelijks sprake is. Hoogbouw lijkt het kenmerk van het nieuwe Scheveningen. Ondertussen blijft de natuur zijn eigen rol kiezen. Zo is er in januari 1976 een zware storm met windstoten tot 100 kilometer per uur. Gevolg is dat heel Scheveningen wordt bedolven onder een flinke laag zand. De hele Boulevard moet worden afgesloten. Om de kustplaats nog beter te wapenen tegen het zeewater krijgt de muur een nieuwe bekleding. En daarmee komt er een einde aan de reclames. De nieuwe bedekking op het gewapend beton is er namelijk niet geschikt voor.
Opmerkelijk aan die verandering is wel dat de advertenties geruisloos verdwijnen. De enorme ophef die bij het aanbrengen van de eerste exemplaren ontstond, is bij het weghalen volledig afwezig. Nergens klinkt een vreugdekreet of is er een mededeling over hoezeer de badplaats zijn uiterlijke charme heeft teruggekregen. In de gemeenteraad wordt door geen enkele partij gereageerd. Kranten en tijdschriften maken er geen letter aan vuil en ook de organisaties, die eind jaren twintig op de eerste rij stonden, laten niets van zich horen. Blijkbaar zijn de ideeën over het nieuwe Scheveningen nu de aandachttrekkers geworden.

© Haags Nieuws Bureau 2024 

donderdag 23 november 2023

Gedenknaald

Zeulen met een gedenknaald

door Hans Piët

DEN HAAG – Bij de naam Gevers Deynoot zal eenieder eerder aan de burgemeester van
’s-Gravenhage denken dan aan jonkheer, mr. Dirk Rudolph Gevers Deynoot, kantonrechter in Rotterdam. Hoewel de eerstgenoemde, jhr. en mr. François Gerard Abraham Gevers Deynoot, tijdens zijn ambtsperiode van 1 juni 1858 tot en met 31 mei 1882 diepe indruk maakt, wat onder meer op 18 juni 1882 tot uiting komt bij zijn begrafenis op 68-jarige leeftijd ‘wanneer een dichte menigte heeft post gevat voor de woning van de oud-burgemeester om hem vervolgens in samenhang met een lange stoet vol hoogwaardigheidsbekleders naar bergraafplaats Eik en Duinen te begeleiden’, is het Dirk, of liever een uit dankbaarheid vervaardigde gedenknaald, die in de eerste helft van de vorige eeuw veel stof doet opwaaien.
De medeoprichter en vervolgens algemeen secretaris van de op 19 april 1847 in Amsterdam gestichte Hollandsche Maatschappij van Landbouw maakt al die heisa niet mee. Hij overlijdt op 3 april 1877 op 77-jarige leeftijd in zijn kasteel op z'n landgoed Rusthoek nabij Loosduinen. Dat Dirk in de 24 jaar als secretaris veel voor de maatschappij en daarmee de agrarische sector in ons land heeft betekend, wordt op begraafplaats Crooswijk, waar hij drie dagen later in het bijzijn van familie, vrienden en dorpsbewoners wordt bijgezet in het familiegraf, op treffende wijze onder woorden gebracht door de voorzitter van het hoofdbestuur (de organisatie telt inmiddels 87 afdelingen).
Houtgravure van de gedenknaald uit 1878
door Hendrikus Franciscus Adam Bal.     

Deze mr. Willem van der Vliet benadrukt daarbij vooral zijn verdiensten voor de landbouw in de provincie Zuid-Holland. Maar ook in het buitenland doet hij van zich spreken. Zo is hij in 1851 aanwezig op de wereldtentoonstelling in Londen en in 1856 herhaalt hij dat uitstapje, maar nu naar Parijs. In eigen land is hij vanaf het begin nauw betrokken bij de grote landbouwtentoonstelling die vrijwel jaarlijks plaatsvindt, maar hij bezoekt ook de Nederlandsche Landhuishoudkundige Congressen en werkt mee aan de totstandkoming van de bijeenkomsten van de Nederlandsche Maatschappij ter Bevordering van Nijverheid. Spreker benadrukt dat de Hollandsche Maatschappij van Landbouw zijn troetelkind was, ‘die hij tot bloei en ontwikkeling heeft gebracht’. Een voorbeeld van het stimuleren van die vooruitgang is de prijs die de maatschappij in 1857 uitschrijft op initiatief van de jonkheer, die ook lid is van de Staten van Zuid-Holland en de decoraties Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw en van het Legioen van Eer opgespeld heeft gekregen. Er is  honderd gulden (€ 45) en een gouden medaille te winnen voor de meest volledig gedane proefneming van drooglegging van laag of middelmatig gelegen land in Noord- en Zuid-Holland. Maar Dirk, die tevens kolonel-commandant der Schutterij is, heeft ook zitting in talloze commissies die zich bezighouden met de ontwikkeling van landbouwwerktuigen, de bloembollenteelt en de veehouderij. In 1848 verschijnt er onder zijn leiding de eerste editie van een jaarboekje waarin naast de gebruikelijke handigheden over bijvoorbeeld kermissen, jaar-, paarden- en beestenmarkten ook allerlei wetenswaardigheden zijn te vinden. Zo wordt de eerste waterwindmolen van Nederland in 1430 geplaatst in de Polder Bon Repas in de Krimpener Waard, is de tabaksteelt omstreeks 1615 en de aardappelteelt omstreeks 1735 in ons land begonnen. De boekjes zijn nog altijd in te zien in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag.

Nagedachtenis

Het hoofdbestuur van de Hollandsche Maatschappij van Landbouw concludeert dat ‘mannen zoals Gevers Deynoot schaars voorkomende types zijn bij wie je nooit tevergeefs om hulp of bijstand hoefde aan te kloppen’. Er wordt een commissie van ‘invloedrijke mannen’ samengesteld, die uit bijdragen van Nederlandse landbouwers een gedenkteken moet doen verrijzen. ‘Wij zijn verplicht zijn nagedachtenis in levendige herinnering te bewaren’, aldus Van der Vliet. De afdeling Leiden en omstreken komt als eerste over de brug. Zij storten 25 gulden (€ 11). Na een aantal vergaderingen krijgt de op 15 januari 1842 in Rotterdam geboren architect Andreas Johannes Hermanus van den Brink de opdracht een gedenkteken te ontwerpen. Hij voorziet een naald van Bollendorfer zandsteen met witmarmeren wapenschild en vier witmarmeren inscriptieplaten. Dit alles wordt op een brede voet geplaatst. De inscriptieplaten zijn, evenals de kransen, met bronzen spijkers vastgehecht. De voet, de banden en hekpalen zijn uit Escausinesteen vervaardigd, terwijl het van koper gegoten hek is opgebouwd uit landbouwsymbolen. De naald heeft een hoogte van 7 ½ meter en wordt vervaardigd door de Dordtse steenhouwer Anthonie Pieter Schotel. De onthulling is op 27 mei 1878 op hofstede Rusthoek, waar de naald aan het begin van het Geversstraatje is geplaatst. Aanwezig zijn naast Dirks broers Willem, François, Adriaan en Eduard, het bestuur, met name afdeling Westland, vertegenwoordigers van de (bloembollen)vereniging Floralia, waarvan burgemeester François Gevers Deynoot erevoorzitter is, en het gemeentebestuur van Loosduinen. Afgesproken is dat Pieter Frederik Leonardus Waldeck, de nieuwe secretaris van de maatschappij, zorgdraagt voor het onderhoud. Dat gaat goed totdat hij op 21 juni 1897 overlijdt.
In samenhang met de ontwikkelingen van het terrein tot bouwgrond, dat inmiddels eigendom is geworden van tuinder en koopman Johannes Frederik Zuiderwijk, is de gedenknaald niet meer beschermd. Hij ligt, nadat op 20 juni 1900 drieëntwintig percelen bouwgrond zijn geveild, aan de geprojecteerde nieuwe oprijlaan naar Rusthoek, de latere Oude Haagweg. Het is wel de enige plek die niet mag worden bebouwd. In een brief van 30 maart 1906 aan het gemeentebestuur van ’s-Gravenhage verontschuldigt Klaas Jansz. Breebaart, voorzitter van het hoofdbestuur van de Hollandsche Maatschappij van Landbouw, zich dat het in orde houden van het gedenkteken niet meer mogelijk is sinds het aan die openbare weg ligt. ‘Er is toen overwogen om het bijvoorbeeld anderhalve meter te doen rijzen waardoor het uit de put zou raken waarin het door het verhogen van de straatweg, terecht is gekomen. Die daling heeft er namelijk voor gezorgd dat het monument hinderlijk is om te aanschouwen. Ook is bekeken of het verplaatst zou kunnen worden naar Rotterdam om het op het graf van jhr. mr. Gevers Deynoot neer te zetten, als de familie hiertoe haar toestemming zou verlenen. Beide plannen zijn gestrand op de hoge kosten die aan de uitvoering zouden zijn verbonden. Het hoofdbestuur heeft besloten het gedenkteken te laten staan maar wel opnieuw schoon te maken en waar nodig te restaureren. Verder hebben we de hulp van het hoofd der politie te Loosduinen ingeroepen om beschadiging en verontreiniging zoveel mogelijk te weren. Het hoofdbestuur vreest evenwel dat het laatste niet wel mogelijk zal zijn met het oog op de nabijgelegen volksbuurt’, aldus de in Winkel wonende voorzitter die ook lid is van de Provinciale Staten van Noord-Holland en beheerder van het grote landbouwbedrijf Johannes Kerckhovenpolder in noordoost Groningen.

Gehavend

De Officier in de Orde van Oranje-Nassau krijgt gelijk, want twee jaar later treffen bewoners het gedenkteken ernstig gehavend aan. De inscriptieplaten zijn geschonden en alle bronzen en koperen versierselen zijn er afgebroken en door dieven meegenomen. Het blijkt het begin te zijn van het zeulen
Logo van de landbouwmaatschappij. Foto: HGA
 
met een openbaar kunstwerk.
Want, voor het zomaar bij de asbak zetten, voelt zowel de Hollandsche Maatschappij van Landbouw als de familie Gevers Deynoot niets. Er moet een oplossing komen, maar die is niet zomaar voor handen. De Verfraaiingscommissie is in oktober 1908 de eerste die er weinig voor voelt het gedenkteken over te brengen naar het door de familie Gevers Deynoot geopperde Valkenbosplein en anders het Copernicusplein. In algemene zin is de commissie van oordeel ‘dat het vanuit esthetisch oogpunt zeer te betreuren zal zijn als een van de pleinen door dit ver van fraaie gedenkteken zal worden ontsierd’.
De pech is dat burgemeester en wethouders, in samenspraak met de Commissie voor de Plaatselijke Werken en Eigendommen, de familie al toestemming hebben gegeven het gedenkteken over te brengen naar ’s-Gravenhage. Dat neemt niet weg, dat er discussies in de gemeenteraad plaatsvinden. Pieter Hendrik van der Kemp, gemeenteraadslid voor de vrijzinnige vereniging ’s-Gravenhage, meent dat ‘de pleinen der residentie beschikbaar behoren te blijven voor monumenten van betekenis. Dit behoeft echter niet de producten van beeldende kunst van slechts beperkte waarde uit te sluiten. De straten der stad moeten door haar inbuigingen daarvoor gelegenheid bieden. Daar zijn dergelijke stukken te plaatsen. Zij breken op een aangename wijze het eentonige gezicht van huizenrijen en verlevendigen het aanzien der wegen’. Hij ziet als beste plaats voor het beeld de Loosduinseweg op de hoek met de Fahrenheitstraat.
De in Middelburg geboren ingenieur Joseph Jean Leonard Bourdrez laat tijdens de raadsvergadering van 15 maart 1909 weten dat hij zich schaart aan de zijde van Pieter van der Kemp waar hij de keuze van het Copernicusplein voor het monument afkeurt en het liever geplaatst ziet aan de Loosduinseweg. ‘Ik zou nog een eind verder willen gaan en het in zijn geheel niet plaatsen. Wordt het monument als gedenkteken beschouwd en moet het dus een groot publiek aanspreken, dan is er reden het neer te zetten op een opvallende plaats. Zonder de verdiensten van hem voor wie de gedenknaald is opgericht te kort te doen, laat dit monument het grote publiek volkomen koud, misschien een enkele landbouwer uitgezonderd. Ik zal tegenstemmen. Tegelijkertijd wil ik opmerken dat ik het niet eens ben met de gang van zaken. De enige vraag die wordt gesteld is: kost het geld en zo niet dan is men te beleefd het te weigeren. Daar protesteer ik tegen. Wij moeten onze pleinen zo goed mogelijk versieren’.
Architect Jurriaan Jurriaan Kok merkt op dat het ‘met monumenten al net zo gaat als met sigaren: de goede moeten worden gekocht, de slechte krijgt men cadeau’. Even verderop in de discussie kan hij het niet laten op te merken: ‘het plaatsen zou een beleefdheid tegenover de maatschappij zijn. Wel nu, ik kan meedelen, zo ik thans goed ben ingelicht, dat die maatschappij 500 gulden (€ 227) heeft betaald om van de gedenknaald af te zijn’. Niet veel later blijkt het iets anders te liggen. Het bedrag is een financiële bijdragen van de Hollandsche Maatschappij van Landbouw voor het kunnen verplaatsen en opnieuw opbouwen van het monument.
Ingenieur Cornelis Lely, wethouder van Openbare Werken, gaat verder niet in op de artistieke waarde onder de noemer ‘ik ben geen artiest, dus ik onthoud mij van een beschouwing. Bovendien zijn kunstenaars het in de regel ook niet met elkaar eens. Het is indertijd door een bekwaam architect gemaakt en mooi gevonden en het bestaat uit kostbare materialen’. Hij ziet het plaatsen als een beleefdheid tegenover de familie. ‘De man had nauwe relaties met Den Haag, heeft de stad ook economische voorspoed gebracht door het organiseren van bijvoorbeeld tentoonstellingen’.
Het voorstel de zuil aan het einde van de Fahrenheitstraat te plaatsen wordt met 24 tegen 13 stemmen verworpen. Het voorstel van burgemeester en wethouders het op het Copernicusplein neer te zetten wordt met 26 tegen 10 stemmen aangenomen. Saillant detail is, zo leert documentatie, dat de familie Gevers Deynoot helemaal niet tegen het neerzetten op de Loosduinseweg was. Ook blijkt dat Pieter van der Kemp zijn voorstel in de gemeenteraad pas doet na overleg met de familie. ‘En zij was ingenomen
met die plaats’, aldus het gemeenteraadslid.
Plaats waar de raadsleden het monument graag    
geplaatst zien. Tekening: Haags Gemeente Archief

Eigenlijk willen zowel B&W als Van der Kemp hetzelfde, de familie tegemoet treden en haar wens eerbiedigen. Daarom kiezen burgemeester en wethouders bewust voor het Copernicusplein. Het ligt in het zuidwesten van de stad, in een deel dat ooit tot Loosduinen behoorde, en waar Dirk eigenaar is geweest van een nabijgelegen uitgestrekte lap grond.
Wanneer jonkheer en mr. Willem Theodore Gevers Deynoot, spreekbuis van de familie, begin 1908 bij de gemeente een balletje heeft opgegooid over de verplaatsing, is het Isaac Anne Lindo (roepnaam Jack) als directeur van Gemeentewerken, die zich als eerste over de zaak buigt. Hij vindt het een mooi monument en ziet geen bezwaren het in de stad neer te zetten. ‘Het Valkenbosplein is echter niet geschikt met het oog op de wijzigingen die dit plein zal moe-ten ondergaan in verband met de snijding ervan door de Ceintuurbaan’. Het Copernicusplein, vernoemd naar de Poolse arts, wiskundige en astronoom Nicolaus Copernicus (1473-1543), komt wel in aanmerking. Jack Lindo: ‘Maar het zou kunnen zijn dat het publiek wellicht tot de conclusie komt dat het geplaatste monument betrekking heeft op Copernicus. Een geschiktere plaats schijnt mij een aan de Loosduinseweg, bij de samenkomst met de Fahrenheitstraat, te maken pleintje. Het is een punt waarlangs veel verkeer komt, zodat het monument ook meer gezien zal worden dan op het Copernicusplein’. Burgemeester en wethouders zien die verwarring niet ontstaan. ‘Er staat met grote letters op dat het om Gevers Deynoot gaat. Bovendien is het niet het enige monument in de stad dat niet overeenkomt met de straatnaam. Zo is er het borstbeeld van componist en dirigent Richard Hol op de Stadhouderslaan’.

Kosten

In zijn schrijven naar wethouder Lely, voorzitter van de Commissie voor de Plaatselijke Werken, verwoordt Lindo direct wat voorwaarden. Zo moet de gedenknaald worden geplaatst onder toezicht en ten genoegen van de directie der Gemeentewerken. Moet het monument na plaatsing in volle en vrije eigendom aan de gemeente worden overgedragen. Alle kosten van de wijzigingen aan gazon, plantsoen, wandelpaden, bestrating of riolering, die nodig mochten worden geacht in verband met het plaatsen, komen voor rekening van de familie Gevers Deynoot. Zij gaat akkoord, zoals ze ook de toegevoegde voorwaarde goedkeurt dat het gemeentebestuur zijn volle vrijheid van handelen behoudt wanneer te eniger tijd het gedenkteken mocht blijken bouwvallig te worden of verplaatsen raadzaam mocht voorkomen. Op 21 april 1909 adviseert de Commissie van Bijstand in het Beheer van Plaatselijke
Werken en Eigendommen de vastgestelde plaats goed te keuren. Ze heeft er geen bezwaar tegen dat wanneer de definitieve inrichting tot plantsoen door de tijd van het jaar niet meer mogelijk is, het
Unieke werktekening van de naald. Tekening: Hans Piët

bestemde terrein voorlopig met graszoden wordt bedekt.
Het is de firma van steenhouwer Gerardus Keuzekamp die, samen met aannemers Zegert Gelens en Jan van de Wal, het kunstwerk afbreekt. Voorzichtigheid is daarbij geboden omdat het door de baldadige dorpsjeugd ernstiger dan in eerste instantie gedacht, is beschadigd. Architect Fredericus Maria Nieuwerkerk en beeldhouwer Emilius Alphonsius Franciscus Bourgonjon krijgen de uitnodiging het opnieuw te modeleren. Het gaat hierbij niet om zomaar een tweetal. Zo groeit Frits Nieuwerkerk, ontwerper van onder meer het R.K.-ziekenhuis Westeinde, in zijn arbeidzame leven uit tot een van de meest deskundige architecten op het gebied van ziekenhuisbouw in ons land en is de in Brugge (België) geboren Bourgonjon van grote betekenis voor de monumentale beeldhouwkunst in Nederland. In Den Haag zijn karaktervolle gevelversieringen onder meer te vinden aan het gebouw van justitie, de St. Jacobskerk, de Ridderzaal en de kerk van Pierre Joseph Hubert Cuypers in de Parkstraat. Ook de Cremerbank bij de Waterpartij is van zijn hand.
Om het monument te herscheppen kiezen ze, meer aangepast aan de tijd, voor een obelisk in een neoklassieke revivalstijl waarbij wederom gebruik is gemaakt van onder meer Bollendorfer zandsteen, een witmarmeren wapenschild en vier witmarmeren platen met gouden inscripties. Er zijn nieuwe bronzen versierselen en het monument heeft een grondige schoonmaakbeurt ondergaan. Op 28 september 1909 wordt het overgebracht naar het Copernicusplein en voorzien van een houten huisje om de laatste werkzaamheden te kunnen uitvoeren. Als dat omhulsel op 9 oktober verdwijnt, krijgen omwonenden voor het eerst de pilaster te zien. Ondertussen heeft jhr. mr. Willem Gevers Deynoot, sinds 26 maart 1878 doctor in de rechten op een proefschrift over inkwartieringen, een rekening gekregen die aangeeft dat er de nodige werkzaamheden aan het Copernicusplein hebben plaatsgevonden. Het terrein is opgehoogd, de toegangskoker van de riolering is vernieuwd, maar ook een gedeelte van het plantsoenhek is weggenomen en opnieuw geplaatst. Deze kosten bedragen 23 gulden en 92-en-een-halve cent (€ 11). Bij de aanleg van het plantsoen is Pieter Westbroek, directeur der gemeenteplantsoenen, niet over een nacht ijs gegaan. Zo is het vak waarin het beeld staat (a), met groenblijvende planten gevuld. Aan de rand (b) heeft hij klimop evenals struikrozen (c) voorzien. Een pluk sierplanten (d) staat tegenover het beeld en in de uiterste rand zijn boompjes geplant (e). De som voor de aanleg bedraagt 163 gulden (€ 74). Willem, die aan de Mauritskade 23 woont en is getrouwd met Maria Ariane van Wassenaar van Sint Pancras, wordt gevraagd het eerste bedrag naar de gemeenteontvanger te sturen. De tweede schuld moet worden betaald aan de directeur der gemeenteplantsoenen.

Familieleden

Terwijl er druk maar onzichtbaar voor de buurt op het Copernicusplein wordt gewerkt, besluit burgemeester Emile Claude baron Sweerts de Landas Wyborgh (1904-1911) dat de overhandiging een feestelijke gebeurtenis moet worden. Om die reden nodigt hij alle familieleden uit die het verzoek hebben ondertekend om de gedenknaald naar Den Haag te krijgen. Het gaat naast Willem en zijn vrouw om jhr. Willem Anton, gepensioneerd generaal-majoor der artillerie, om jhr. Dirk Rudolph, gepensioneerd kapitein der infanterie, om jonkvrouw Martha Maria Jacoba Adriana, echtgenote van jhr. Frans Agathus Gerard Beelaerts van Blokland, gepensioneerd majoor der infanterie, om jkvr. Quirina Jacoba Louisa, om jkvr. Margaretha Catharina, echtgenote van jhr. Paulus Ocker Hendrik Gevaerts van Simonshaven, oud hofmaarschalk en oud-wethouder van ’s-Gravenhage, om jhr. Edmond Arnold Louis, kapitein bij de Grenadier en Jagers, om jkvr. Theodora, echtgenote van Sebald Godfried Manger Cats, burgemeester van het Hof van Delft en om jhr. François Gerard Abraham, een van de zonen van de overleden Haagse burgemeester en zelf oud-burgemeester van Kethel en Spaland.
Probleem is opnieuw dat de Haagse ambtelijke molen hapert. Er wordt geen datum geprikt met als gevolg, dat er van een onthulling geen sprake kan zijn. Het houten huisje verdwijnt, waardoor de gedenknaald voor iedere Hagenaar zichtbaar wordt, zonder dat burgemeester Sweerts de Landas Wyborgh, op vriendelijke wijze heeft kunnen terugblikken op de geschiedenis van het monument. Het is reden voor Willem Gevers Deynoot, inmiddels gemeenteraadslid, om op 27 december 1909 een brief naar de burgemeester te schrijven. ‘B&W wilden naaste familie uitnodigen ten stadhuize als de overdracht van het monument zou plaatsvinden. In verband daarmee gaf ik u de namen van diegenen die tot overplaatsing van het gedenkteken hebben bijgedragen. Thans schrijven we welhaast 1910. Enkele leden zijn op dit ogenblik uitstedig, anderen voor enkele dagen in het buitenland. Het is reeds drie maanden geleden dat het van zijn omhulsel werd ontdaan. Ware het niet beter de plechtigheid, hoe vriendelijk ook bedoelt, geheel achterwege te laten en aan de familie een schrijven te richten dat het monument in volle eigendom is overgenomen’.

De gedenknaald zoals hij is te vinden op het Burgemeester Françoisplein.                        Foto: Hans Piët



De burgemeester beslist anders. Op 4 januari 1910 nodigt hij de familie alsnog uit om op 11 januari in het stadhuis langs te komen. Jhr. François laat al snel weten, dat hij niet op de gekozen datum aanwezig kan zijn. ‘Ik zou het erg op prijs stellen als de ondertekening van de akte van overdracht bij mij thuis zou kunnen plaatsvinden’, meldt hij in een schrijven. En dat gebeurt. Jhr. Willem en zijn vrouw Johanna Wilhelmina Pels Rijcken haken af wegens ongesteldheid en ook jkvr. Martha Beelaerts van Blokland Gevers Deynoot kan niet komen. De ondertekening vindt bij haar thuis plaats in de Van der Spiegelstraat 14. De rest van de familie is op de bewuste dag wel aanwezig. Tijdens een plechtige bijeenkomst in de burgemeesterskamer wordt het kunstwerk ten overstaan van burgemeester en wethouders overgedragen aan de gemeente van ’s-Gravenhage. Na het tekenen van het op de overdracht betrekking hebbende protocol houdt baron Sweerts de Landas Wyborgh een rede waarin hij herinnert aan de geschiedenis van het monument en hoe B&W zal proberen de oprichter in duurzame herinnering te houden.
Echt lang staat het Gevers Deynootmonument niet op het Copernicusplein. De nieuwe tramroute van lijn 12 is aan begin van 1928 de spelbreker. Met de komst van de baan tussen de Fahrenheitstraat en de Paul Krugerlaan wordt het Copernicusplein een kruising van de lijnen 12 en 14. De pech daarbij is, dat de ruimte ontbreekt om de tramsporen om het plantsoen te leiden. En aangezien de verkeersbelangen zwaarder wegen dan een openbaar kunstwerk moet het verdwijnen. Er wordt gekozen voor het Burgemeester Françoisplein in Loosduinen. Daarmee wordt het min of meer teruggezet in zijn oude omgeving al heeft deze een behoorlijke metamorfose ondergaan dankzij Franciscus Lodewijk Johannes Lourijsen. De op 5 februari 1934 op 44-jarige leeftijd overleden architect is in 1923 namelijk de ontwerper van 216 beneden- en bovenwoningen met plat dak in deze burgemeestersbuurt. De gedenknaald wordt op het plein neergezet in wat eerder het middelste bloemenperk was. Sindsdien is het niet meer verplaatst. De laatste werkzaamheden vonden in 2005 plaats. In dat jaar is het opnieuw gerestaureerd.

© Haags Nieuws Bureau 2023

zondag 19 mei 2019

Kijkduin


Fietspad eerste verbinding
tussen Den Haag en Kijkduin

door Hans Piët

DEN HAAG – De verbinding tussen Den Haag en Kijkduin heeft niet altijd zo’n luxe uitvoering gekend als momenteel het geval is. In eerste instantie bestond er zelfs helemaal geen aansluiting tussen de twee stadsdelen. Echt vreemd is dat niet. Behalve dat het grondgebied van Kijkduin eerst toebehoorde aan (de op dat moment zelfstandige gemeente) Loosduinen, is het een nog jonge woonplaats. Bijzonder daarbij is, dat ze niet, zoals elders aan de Nederlandse kust, is voortgekomen uit een vissersdorp. Ze is direct gebouwd als badplaats met de bedoeling landgenoot en vreemdeling ruimte en gastvrijheid te bieden in een decor van zee en duin.
Het exploiteren van Kijkduin (op het grondgebied Meer en Bosch) is een initiatief van de in
‘s Gravenzande geboren broers Van der Houwen. Johannes Daniël (31-10-1874), de bouwer, en Pieter Gerrit (25-05-1884), de administrateur, (hij was onderwijzer, later hoofd, op diverse openbare lagere scholen in Den Haag) zien het bouwen van een dorp met 126 landhuisjes wel zitten. Burgemeester en wethouders van Loosduinen, die vlak voor zij het tweetal in augustus 1917 voor het eerst ontmoeten, een discussie hebben gevoerd of ze de verdere ontwikkeling van hun woonplaats in eigen hand zullen nemen of overlaten aan ondernemers, gaan vrij gemakkelijk overstag. Raadsleden eigen verloopt dat natuurlijk niet geheel zonder discussie. Zo is er op 8 februari 1921, bij de eerste vergadering waarin de plannen, van het inmiddels aan de Marconistraat 39 in Den Haag residerende bouwbedrijf, serieus worden besproken, angst over een eventueel financieel verlies door de gemeente. In de bijeenkomst van 2 juni van dat jaar blijkt deze ongegrond. Loosduinen is er nog net op tijd bij geweest om (in het kader van groeiende woningnood) een bouwkrediet aan te vragen. Het Rijk heeft namelijk besloten om bijdragen in de vorm van voorschotten, bouwpremies en hypotheken per 1 juni 1921 stop te zetten. Loosduinen, die haar aanvraag op 21 februari van dat jaar heeft ingediend, mag echter rekenen op 250.000 gulden (zo’n 114.000 euro). De gemeenteraad besluit dat dit bedrag pas mag worden aangesproken, nadat de eerste 30 villaatjes gereed zijn. In de vergadering van 14 juni wordt duidelijk dat B&W, om er zeker van te zijn dat de broers hun verplichtingen zullen nakomen, een bankgarantie van 115.000 gulden hebben bedongen. Ook draagt het bouwbureau de risico’s van de straataanleg. Een simpele rekensom vertelt de raadsleden dat de kosten in arbeidsloon en stenen zo’n 200.000 gulden zijn. Een bedrag waarvoor geen premie wordt verleend. “En zijn de straten gereed en naar de wens van B&W, dan moeten ze in eigendom aan de gemeente worden overgedragen”, aldus gemeentesecretaris Jacobus Boezer.

Bouwplan uit 1921 van villadorp Kijkduin zoals bedacht door Van der Houwen.    Foto: Haags Gemeentearchief.
 
Een ander discussiepunt is het aan het werk helpen van werkeloze dorpsgenoten. Ook daar wordt een oplossing voor gevonden. De broers zien het niet als een probleem, zo blijkt ook uit het contract, om twee-derde van hun ongeschoold personeel te laten bestaan uit bij de arbeidsbeurs ingeschreven werkloze Loosduiners. Het gemeentebestuur is blij met alle ontwikkelingen. Zij zien dat het al jaren heel slecht gaat in de tuinbouw, dus dat er andere bronnen van welvaart moeten komen. De verdere ontwikkeling van Kijkduin als badplaats past daarin. Bovendien zijn er onderhandelingen gestart met Den Haag, dat in snel tempo in haar richting aan het uitbreiden is.
Op 20 oktober 1921, tien dagen nadat het definitieve besluit in de raad is gevallen, kan het contract worden getekend. De kosten voor de bouw (met straataanleg) worden geschat op 1.250.000 gulden (zo’n 570.000 euro). Behalve dat het tot stand komen wordt ondersteund met het bouwkrediet van het Rijk, sluiten de gebroeders Van der Houwen een hypotheek af van 900.000 gulden (zo’n 409.000 euro). Dwingend in de overeenkomst is, dat het villadorp binnen twee jaar tot stand moet zijn gebracht. ‘Tenzij de raad uitstel nodig acht’, aldus het contract.

Huiskamer

Hoewel er volop wordt gebouwd, krijgen de broers dat niet voor elkaar. De ongerepte natuur van de duinrand, waar binnen het villadorp ontstaat, speelt daarin een belangrijke rol. Aanvoer van materiaal verloopt, zeker bij slecht weer, niet altijd even soepel. De Strandweg lijdt het meest. Hij is al snel stuk gereden door de file aan zandauto’s. Hierdoor ook is het Koningin Wilhelmina Zeebadhotel nauwelijks meer bereikbaar. Een gevolg is, dat begin februari 1923, zo’n 74 van de 126 kleine villa’s, naar een ontwerp van Jan Duiker en Bernard Bijvoet, klaar zijn. De architecten ontwerpen zeven verschillende types. Zo zijn er vrijstaande landhuizen, maar ook geschakelde. Waar het duo vooral lof mee oogst, is de ruime huiskamer als centrum van de woning. Minder geslaagd wordt een aantal jaren later het ontbreken van een badkamer, in een deel van de huizen, gevonden. Toch blijkt de verhuur (ook aan toeristen) en later verkoop geen enkel probleem. Het landelijk wonen in combinatie met alle gemakken van de grote stad maakt Kijkduin zeer aantrekkelijk.
Met de flinke toename aan inwoners ontstaat er een vraag naar een verbinding met Den Haag. Niet onlogisch gezien het feit, dat de meeste bewoners een baan in de Residentie hebben en hun kinderen daar op school zitten. De ‘burgemeester’ van Kijkduin, John D. van der Houwen, doet op 12 februari 1923 in een officieel schrijven, een poging de Haagse gemeenteraad ervan te overtuigen dat zo’n verbinding noodzakelijk is geworden. ‘Langs het voetbalveld van Quick (dat zich halverwege Kijkduin en Den Haag zuidwest bevindt) ligt een voetpad dat, op zondag, ook door veel wandelaars wordt gebruikt. Bewoners der villa’s nemen het weggetje om zich lopend of per fiets naar de stad te begeven. Er is echter een klein gedeelte van dit pad, in de buurt van Quick, dat heuvelachtig en daardoor slecht begaanbaar is. Met een beetje grondwerk en kolengruis is het in goede staat te brengen. Reden waarom ik u beleefd verzoek dit hulpweggetje op eigen kosten te mogen opknappen. Met het plaatsen van wat borden kan ik dan ook de richting naar het villadorp aangeven’.
Zijn verzoek volgt op dat van de gemeente Loosduinen. Burgemeester Hendrik W. Hovy heeft 

De ligging van Kijkduin ten opzichte van Den Haag met een schets van
de nieuwe straatweg.                                                                  Foto: archief.
 op 2 juli 1922, aangeboden een tegelpad aan te leggen tussen het villadorp en het terrein van de voetbalvereniging. ‘Met dat pad zal er, wanneer Den Haag op eigen grond meewerkt, een goede verbinding ontstaan met de Bomen- en Bloemenbuurt. Er is weliswaar een fietspad van de Geraniumstraat naar Quick, maar dat verkeert in zeer slechte staat’.
De voetbalvereniging heeft in oktober 1921 een poging gedaan dat pad belegd te krijgen met oude scoriasbricks. Die aanvraag is door de Haagse gemeenteraad positief ontvangen. Enige voorwaarde: Quick betaalt twee-derde van de begroting van 4400 gulden. En dat geld heeft de voetbalvereniging niet. Het verzoek van Loosduinen wordt op 7 juli 1922 definitief afgewezen. Dr. ir. Pieter Bakker Schut, directeur Dienst der Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting, vat het compact samen: “Het ligt niet op de weg onzer gemeente de vestiging van forensen sterk in de hand te werken door het scheppen van een directe verbinding. Wat bovendien meespeelt, zijn de onderhandelingen over de samensmelting der beide gemeenten. Zolang er geen overeenstemming is, wordt er niets ondernomen”.
Ruim een jaar later, op 24 november 1923, slaat hij, nadat de grenswijziging is doorgevoerd en Loosduinen (de laatste raadsvergadering was op 28 juni 1923) onderdeel is geworden van Den Haag, een andere toon aan. “Hoewel het villadorp, met de daarop rustende door de gemeente gegarandeerde hypotheken, een erfenis is van het gemeentebestuur van Loosduinen, heeft de Residentie er ook financieel belang bij als het villadorp geen mislukking wordt. Ik meen daarom dat er aanleiding bestaat, te bevorderen dat de deels clandestien in het leven geroepen weg over privaatrechtelijk gemeenteterrein, een behoorlijke fietsweg wordt”.

Van Riessen

Die ommezwaai lijkt mede te danken aan de brieven die Jacob Hendrik van Riessen, redacteur bij het christelijk weekblad Timotheüs en penningmeester bij de Vereeniging Kijkduin, op 19 juli en 3 oktober 1923 namens 39 Kijkduiners naar de Haagse gemeenteraad stuurt. In zijn laatste brief schrijft hij blij te zijn dat de Laan van Meerdervoort wordt doorgetrokken naar de Loosduinse Strandweg, maar dat zowel adressanten als bezoekers ‘op zondagen met mooi weer al snel 8000 tot 10.000 mensen’, verstoken blijven van een behoorlijke verbinding met Den Haag. Ook wijst hij er op hoe gevaarlijk het verkeer op de Haagweg en Loosduinseweg is voor fietsende kinderen op weg naar school. In zijn eerdere brief heeft hij de grote omweg, die inwoners van Kijkduin moeten maken om in Den Haag te komen, aangestipt. ‘De snelste weg is via Quick. Fietsen over Loosduinen scheelt al snel tien minuten. Het is een omweg van vijf kilometer’. Hij dringt er, namens de andere inwoners, op aan die verbinding door de duinen snel in orde te maken. ‘Het tot stand komen daarvan hoeft niet kostbaar te zijn’.

Deze tekening van het rijwielpad geeft aan waar verbeteringen moeten worden aangebracht. Het rode deel ver-
keert in behoorlijke staat. Het gele gedeelte is dankzij het zand niet te berijden.      Foto: Haags Gemeentearchief

Voetbalvereniging Quick sluit zich daar, middels een brief van secretaris Nicolaas J. de Groot, bij aan. ‘Het intensieve verkeer van berijders van motorrijwielen, wielrijders, voetgangers en bezoekers van en naar wedstrijden of het strand maakt de weg, zeker in periodes van droogte, vrijwel onbegaanbaar. Ik denk, dat ook andere verenigingen die in de Segbroekpolder zijn gelegen, baad hebben bij een goede toegangsweg’.
Wat, niet voor het eerst, op de achtergrond meespeelt, is de zuinige inborst van Den Haag. Bouwbureau Gebr. Van der Houwen heeft echter zijn lesje geleerd. Nog voor Bakker Schut in een raadsvergadering roept dat “blijkbaar stilzwijgend van de veronderstelling wordt uitgegaan dat de kosten der verbetering door de gemeente wordt gedragen”, heeft John van der Houwen al overleg gevoerd met Leo C. Steffelaar, secretaris-penningmeester van de ANWB en Willem H. J. Dicke, secretaris van de Vereeniging Rijwielpad Zuid-Holland. Laatstgenoemde vereniging, die zich middels Dicke jarenlang inzet voor het verwezenlijken van een pad door de duinen tussen Den Haag en Hoek van Holland, zegt toe voor de aanleg te zullen zorgen. Wethouder voor Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting Machiel Vrijenhoek en de directeur van die dienst, Bakker Schut, zijn tevreden. “Ook omdat het pad een tijdelijk karakter heeft. Naar gelang de bebouwing vordert, verdwijnt de weg om plaats te maken voor straataanleg”, aldus Bakker Schut. “Daarbij is deze oplossing ook de goedkoopste omdat het onderhoud ten laste van de vereniging blijft”, laat hij de gemeenteraad weten.
De kosten voor aanleg, zo blijkt uit de begroting, worden geraamd op 4000 gulden. Het grootste deel (3000 gulden) is voor rekening van het bouwbureau. De gemeente neemt 25 procent tot een maximum van 1000 gulden voor haar rekening. Wat door de Vereeniging Rijwielpad Zuid-Holland wordt aangelegd, zo geeft de op 30 november 1923 goedgekeurde tekening aan, is een 1350 meter lang pad, dat een breedte krijgt van twee meter. Een lengte van 425 meter, met een breedte van vier meter, wordt verbeterd. Om het hele pad te verharden worden sintels gebruikt (het is de grootste kostenpost: f 1760,-). Het afdekken gebeurt middels teer en schelpen. Langs de duinweg worden 160 eiken paaltjes geplaatst plus vier bordjes met de mededeling ‘Rijwielpad’.

Onderhoud

Na de feestelijke met fanfare opgeluisterde opening op 7 juni 1924, waarbij ook wethouder Vrijenhoek aanwezig is, heeft de motorrijder het nakijken. Hij mag zich met zijn tweewieler niet langer op het pad vertonen. Dat het druk wordt bezocht, blijkt uit een schrijven van 26 juli 1924. Volgens de gemeente laat het onderhoud ernstig te wensen over. ‘Het pad is in zo’n slechte staat dat zand boven komt en dus bij avond gevaar oplevert voor wielrijders. Na ingewonnen deskundig advies is gebleken dat er niet voldoende teer is gebruikt’. In de brief wordt gewezen op het raadsbesluit van 3 december 1923. Daarin staat dat de vereniging verantwoordelijk is voor het onderhoud. Wat de ambtenaar echter over het hoofd ziet, is de clausule die vermeldt, dat wanneer door intensief gebruik de kosten abnormaal hoog worden, een bijdrage aan de gemeente mag worden gevraagd. Wanneer zij begin september van dat jaar bij de gemeente aanklopt voor die financiële bijdrage, geeft Den Haag niet thuis. ‘Er zijn wat slechte delen, maar gevaarlijke plekken zijn er niet’, is plotseling haar mening.
Wat bij dat antwoord meespeelt, is dat er inmiddels vergevorderde plannen bestaan voor de aanleg van een rijweg tussen Kijkduin en Den Haag. Ir. Jan Lely, directeur gemeentewerken, is in juni 1924 onderhandelingen gestart met de gebroeders Van der Houwen over die aanleg. Het opknappen van het rijwielpad is volgens hem dan ook niet langer noodzakelijk. “De meeste bezoekers maken er alleen in de zomermaanden gebruik van. Aangenomen kan worden, dat in het voorjaar van 1925 de nieuwe weg naar Kijkduin, die deels op kosten van de broers, gedeeltelijk voor rekening van de gemeente door Gemeentewerken zal worden aangelegd, gereed is. Afgewacht zal kunnen worden of na het tot stand komen van die weg nog aan het rijwielpad behoefte zal bestaan. Het lijkt mij toe, dat dit vermoedelijk niet het geval zal zijn”, aldus ir. Lely.

Motortram

Het voorstel van de directeur gemeentewerken wordt door de broers met enthousiasme ontvangen. “We zijn gaarne bereid mee te werken”, staat er in een brief van 8 juli 1924. Wat daarbij meespeelt, is dat de financiële positie van het bouwbedrijf zwak is geworden. Zo wordt er al enkele weken overleg gevoerd met de directie van de Gemeentelijke Hypotheekbank in verband met een achterstand in de betaling van rente en aflossing. Met die nieuwe weg hopen ze dat nog meer mensen voor Kijkduin zullen kiezen waardoor ook de laatste 22 huizen worden verhuurd of verkocht. In dat kader is tevens het plan ontstaan voor de aanleg en exploitatie van een motortram tussen het villapark en het eindpunt van lijn 7 aan de Sportlaan.

 De weg die de motortram volgens de broers Van der Houwen tussen het villapark en de Sportlaan zou kunnen
 afleggen.                                                                                                                               Foto: Haags Gemeente Archief
 
Op 24 december 1923 vraagt het bureau toestemming aan de gemeenteraad. Deze laat weten met de HTM te zullen overleggen. Haar toestemming is namelijk nodig voor de exploitatie. De Haagse Tramweg Maatschappij laat op 18 januari 1924 weten geen bezwaar te hebben. Bij een aantal raadsleden ligt dat anders. Aanleg en exploitatie zal het financiële risico voor de gemeente alleen maar vergroten. Uiteindelijk ligt een faillissement van het bouwbureau al op de loer. Om die reden ook vraagt wethouder Vrijenhoek het college in de vergadering van 30 mei 1924 nog even goed na te denken over het voorstel. Drie dagen later, op 2 juni, gaat de gemeenteraad toch akkoord. Zij is er van overtuigd, dat de broers de lijn niet in exploitatie kunnen nemen zonder de hulp van de gemeente. En voor haar bestaat er geen enkele aanleiding die steun te verlenen. Zeker niet nu de plannen worden uitgewerkt voor een verharde weg tussen Kijkduin en de Daal en Bergselaan. Een brief vertelt, dat toestemming wordt verleend. ‘De vergunning gaat in op 1 september 1924. De inwerkingtreding ervan wordt bepaald op 1 december en geldt voor vijf jaar. De kosten voor het gebruik van de gemeentegrond zijn 150 gulden per jaar. Wanneer de lijn op 1 maart 1925 niet in exploitatie is genomen, vervalt de vergunning’, staat er te lezen.

Autoweg

Op dat moment hebben de broers al elke interesse in het uitbaten van de motortramverbin-ding verloren. Zij zien meer heil in de straatweg, die bijna voor de helft (1250 meter) voor hun rekening komt. Den Haag betaalt de overige twee kilometer. Een eerste berekening door ir. Lely geeft een bedrag aan van 45.000 gulden. De straat tussen het villadorp en de Quickweg wordt vijf meter breed en voorzien van klinkerbestrating. Kosten: 28.000 gulden. De duiker in de Quickweg kost 1000 gulden. Verbetering, verbreding en verlenging van de Quickweg komt neer op 16.000 gulden. “Die verbreding is nodig omdat bij de bestaande breedte twee omnibussen elkaar niet veilig kunnen passeren. Gaat u akkoord dan ben ik bereid burgemeester en wethouders voor te stellen van gemeentewegen de rijweg vanaf de H.B.S. aan de Geraniumstraat en de omliggende, aan te leggen straten tot aan de Quickweg, te financieren. Wat betreft uw deel kan ik u meedelen, dat de directie van de Gemeentelijke Hypotheekbank bereid is aan B&W voor te stellen het bedrag aan u te verstrekken onder tweede hypothecair verband op alle thans nog aan u toebehorende huisjes van het villadorp en overige, op nader overeen te komen, voorwaarden”.
De broers laten weten over het financiële deel nog geen uitsluitsel te kunnen geven omdat ze nog niet alle belanghebbenden hebben kunnen spreken. Bovendien verzoeken ze de gemeente hun gedeelte van de weg zelf te mogen aanleggen. ‘Geheel onder controle van de gemeente’, aldus John D. van der Houwen in zijn brief. ‘Maar u begrijpt dat elke duizend gulden, welke we op deze wijze lager uitkomen dan de voorgelegde begroting, ons goed uitkomt’.

Werktekening van  de autoweg die in 1925 tussen Den Haag en  Kijkduin wordt aangelegd. Het  blauwe deel  is
definitief. Het rode gedeelte is niet in het concept-uitbreidingsplan opgenomen.    Foto: Haags Gemeentearchief

Op 22 augustus 1924 vraagt burgemeester Jacob A. N. Patijn advies aan ir. Lely. Hij wil de werkzaamheden in Kijkduin combineren met het uitvoeren van het stratenplan Laan van Meerdervoort III. “Een spoedige afwikkeling van deze aangelegenheid achten wij ter bevordering van een goede exploitatie van de woningen in Kijkduin gewenst”, aldus de burgemeester.
Wat hij ook wil weten, is aan welk verkeer de weg tussen Den Haag en Kijkduin wordt opengesteld. “De aanleg ten behoeve van personenvervoer wordt door ons bevorderd. Wat moet worden geweerd, is dat de als tijdelijke klinkerweg bedoelde straat spoedig om belangrijk onderhoud vraagt”.
Eind september 1924 besluit ir. Jan Lely, gezien de terreingesteldheid, de weg te projecteren aan de zuidoostzijde van het bestaande fietspad. Vervolgens blijkt dat het geheel duurder wordt dan begroot. John D. van Houwen laat in een brief van 26 november 1924 weten daar niet blij mee te zijn. ‘In de besprekingen over de aanleg is mij verteld, dat de Quickweg  zou worden verbeterd, doch niet dat hij zou worden omgevormd tot een officiële weg met trottoirs en een volledige klinkerbestrating. Hiermee wordt de voorgestelde speling van f 6000,- die in de begroting van f 45.000,- aanwezig was, geheel teniet gedaan. Behalve dat ik meen, dat met de weg een Haags belang wordt gediend omdat de gemeente er de meeste baat bij heeft, kan de aanleg goedkoper. Nu is gekozen voor een dikke laag van puin. Volgens ons kan hij ook gemakkelijk en afdoende verhard worden middels kolengruis, kolen en teer’.
Den Haag besluit de broers te ontzien, waardoor met de aanleg kan worden begonnen. Het bouwbureau zet vaart achter het leggen van de waalklinkerbestrating. De 1250 meter is op 25 april 1925 klaar. De gemeente Den Haag doet iets langer over haar twee kilometer. Deels omdat de aanvoer van de trottoirbanden uit het buitenland meer tijd vergt en de weg wordt geasfalteerd. Maar, voor de zomer van 1925 is het geheel gereed en ligt er tussen Kijkduin en Den Haag een rijweg.


© Haags Nieuws Bureau 2019