Posts tonen met het label Loosduinen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Loosduinen. Alle posts tonen

donderdag 23 november 2023

Gedenknaald

Zeulen met een gedenknaald

door Hans Piët

DEN HAAG – Bij de naam Gevers Deynoot zal eenieder eerder aan de burgemeester van
’s-Gravenhage denken dan aan jonkheer, mr. Dirk Rudolph Gevers Deynoot, kantonrechter in Rotterdam. Hoewel de eerstgenoemde, jhr. en mr. François Gerard Abraham Gevers Deynoot, tijdens zijn ambtsperiode van 1 juni 1858 tot en met 31 mei 1882 diepe indruk maakt, wat onder meer op 18 juni 1882 tot uiting komt bij zijn begrafenis op 68-jarige leeftijd ‘wanneer een dichte menigte heeft post gevat voor de woning van de oud-burgemeester om hem vervolgens in samenhang met een lange stoet vol hoogwaardigheidsbekleders naar bergraafplaats Eik en Duinen te begeleiden’, is het Dirk, of liever een uit dankbaarheid vervaardigde gedenknaald, die in de eerste helft van de vorige eeuw veel stof doet opwaaien.
De medeoprichter en vervolgens algemeen secretaris van de op 19 april 1847 in Amsterdam gestichte Hollandsche Maatschappij van Landbouw maakt al die heisa niet mee. Hij overlijdt op 3 april 1877 op 77-jarige leeftijd in zijn kasteel op z'n landgoed Rusthoek nabij Loosduinen. Dat Dirk in de 24 jaar als secretaris veel voor de maatschappij en daarmee de agrarische sector in ons land heeft betekend, wordt op begraafplaats Crooswijk, waar hij drie dagen later in het bijzijn van familie, vrienden en dorpsbewoners wordt bijgezet in het familiegraf, op treffende wijze onder woorden gebracht door de voorzitter van het hoofdbestuur (de organisatie telt inmiddels 87 afdelingen).
Houtgravure van de gedenknaald uit 1878
door Hendrikus Franciscus Adam Bal.     

Deze mr. Willem van der Vliet benadrukt daarbij vooral zijn verdiensten voor de landbouw in de provincie Zuid-Holland. Maar ook in het buitenland doet hij van zich spreken. Zo is hij in 1851 aanwezig op de wereldtentoonstelling in Londen en in 1856 herhaalt hij dat uitstapje, maar nu naar Parijs. In eigen land is hij vanaf het begin nauw betrokken bij de grote landbouwtentoonstelling die vrijwel jaarlijks plaatsvindt, maar hij bezoekt ook de Nederlandsche Landhuishoudkundige Congressen en werkt mee aan de totstandkoming van de bijeenkomsten van de Nederlandsche Maatschappij ter Bevordering van Nijverheid. Spreker benadrukt dat de Hollandsche Maatschappij van Landbouw zijn troetelkind was, ‘die hij tot bloei en ontwikkeling heeft gebracht’. Een voorbeeld van het stimuleren van die vooruitgang is de prijs die de maatschappij in 1857 uitschrijft op initiatief van de jonkheer, die ook lid is van de Staten van Zuid-Holland en de decoraties Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw en van het Legioen van Eer opgespeld heeft gekregen. Er is  honderd gulden (€ 45) en een gouden medaille te winnen voor de meest volledig gedane proefneming van drooglegging van laag of middelmatig gelegen land in Noord- en Zuid-Holland. Maar Dirk, die tevens kolonel-commandant der Schutterij is, heeft ook zitting in talloze commissies die zich bezighouden met de ontwikkeling van landbouwwerktuigen, de bloembollenteelt en de veehouderij. In 1848 verschijnt er onder zijn leiding de eerste editie van een jaarboekje waarin naast de gebruikelijke handigheden over bijvoorbeeld kermissen, jaar-, paarden- en beestenmarkten ook allerlei wetenswaardigheden zijn te vinden. Zo wordt de eerste waterwindmolen van Nederland in 1430 geplaatst in de Polder Bon Repas in de Krimpener Waard, is de tabaksteelt omstreeks 1615 en de aardappelteelt omstreeks 1735 in ons land begonnen. De boekjes zijn nog altijd in te zien in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag.

Nagedachtenis

Het hoofdbestuur van de Hollandsche Maatschappij van Landbouw concludeert dat ‘mannen zoals Gevers Deynoot schaars voorkomende types zijn bij wie je nooit tevergeefs om hulp of bijstand hoefde aan te kloppen’. Er wordt een commissie van ‘invloedrijke mannen’ samengesteld, die uit bijdragen van Nederlandse landbouwers een gedenkteken moet doen verrijzen. ‘Wij zijn verplicht zijn nagedachtenis in levendige herinnering te bewaren’, aldus Van der Vliet. De afdeling Leiden en omstreken komt als eerste over de brug. Zij storten 25 gulden (€ 11). Na een aantal vergaderingen krijgt de op 15 januari 1842 in Rotterdam geboren architect Andreas Johannes Hermanus van den Brink de opdracht een gedenkteken te ontwerpen. Hij voorziet een naald van Bollendorfer zandsteen met witmarmeren wapenschild en vier witmarmeren inscriptieplaten. Dit alles wordt op een brede voet geplaatst. De inscriptieplaten zijn, evenals de kransen, met bronzen spijkers vastgehecht. De voet, de banden en hekpalen zijn uit Escausinesteen vervaardigd, terwijl het van koper gegoten hek is opgebouwd uit landbouwsymbolen. De naald heeft een hoogte van 7 ½ meter en wordt vervaardigd door de Dordtse steenhouwer Anthonie Pieter Schotel. De onthulling is op 27 mei 1878 op hofstede Rusthoek, waar de naald aan het begin van het Geversstraatje is geplaatst. Aanwezig zijn naast Dirks broers Willem, François, Adriaan en Eduard, het bestuur, met name afdeling Westland, vertegenwoordigers van de (bloembollen)vereniging Floralia, waarvan burgemeester François Gevers Deynoot erevoorzitter is, en het gemeentebestuur van Loosduinen. Afgesproken is dat Pieter Frederik Leonardus Waldeck, de nieuwe secretaris van de maatschappij, zorgdraagt voor het onderhoud. Dat gaat goed totdat hij op 21 juni 1897 overlijdt.
In samenhang met de ontwikkelingen van het terrein tot bouwgrond, dat inmiddels eigendom is geworden van tuinder en koopman Johannes Frederik Zuiderwijk, is de gedenknaald niet meer beschermd. Hij ligt, nadat op 20 juni 1900 drieëntwintig percelen bouwgrond zijn geveild, aan de geprojecteerde nieuwe oprijlaan naar Rusthoek, de latere Oude Haagweg. Het is wel de enige plek die niet mag worden bebouwd. In een brief van 30 maart 1906 aan het gemeentebestuur van ’s-Gravenhage verontschuldigt Klaas Jansz. Breebaart, voorzitter van het hoofdbestuur van de Hollandsche Maatschappij van Landbouw, zich dat het in orde houden van het gedenkteken niet meer mogelijk is sinds het aan die openbare weg ligt. ‘Er is toen overwogen om het bijvoorbeeld anderhalve meter te doen rijzen waardoor het uit de put zou raken waarin het door het verhogen van de straatweg, terecht is gekomen. Die daling heeft er namelijk voor gezorgd dat het monument hinderlijk is om te aanschouwen. Ook is bekeken of het verplaatst zou kunnen worden naar Rotterdam om het op het graf van jhr. mr. Gevers Deynoot neer te zetten, als de familie hiertoe haar toestemming zou verlenen. Beide plannen zijn gestrand op de hoge kosten die aan de uitvoering zouden zijn verbonden. Het hoofdbestuur heeft besloten het gedenkteken te laten staan maar wel opnieuw schoon te maken en waar nodig te restaureren. Verder hebben we de hulp van het hoofd der politie te Loosduinen ingeroepen om beschadiging en verontreiniging zoveel mogelijk te weren. Het hoofdbestuur vreest evenwel dat het laatste niet wel mogelijk zal zijn met het oog op de nabijgelegen volksbuurt’, aldus de in Winkel wonende voorzitter die ook lid is van de Provinciale Staten van Noord-Holland en beheerder van het grote landbouwbedrijf Johannes Kerckhovenpolder in noordoost Groningen.

Gehavend

De Officier in de Orde van Oranje-Nassau krijgt gelijk, want twee jaar later treffen bewoners het gedenkteken ernstig gehavend aan. De inscriptieplaten zijn geschonden en alle bronzen en koperen versierselen zijn er afgebroken en door dieven meegenomen. Het blijkt het begin te zijn van het zeulen
Logo van de landbouwmaatschappij. Foto: HGA
 
met een openbaar kunstwerk.
Want, voor het zomaar bij de asbak zetten, voelt zowel de Hollandsche Maatschappij van Landbouw als de familie Gevers Deynoot niets. Er moet een oplossing komen, maar die is niet zomaar voor handen. De Verfraaiingscommissie is in oktober 1908 de eerste die er weinig voor voelt het gedenkteken over te brengen naar het door de familie Gevers Deynoot geopperde Valkenbosplein en anders het Copernicusplein. In algemene zin is de commissie van oordeel ‘dat het vanuit esthetisch oogpunt zeer te betreuren zal zijn als een van de pleinen door dit ver van fraaie gedenkteken zal worden ontsierd’.
De pech is dat burgemeester en wethouders, in samenspraak met de Commissie voor de Plaatselijke Werken en Eigendommen, de familie al toestemming hebben gegeven het gedenkteken over te brengen naar ’s-Gravenhage. Dat neemt niet weg, dat er discussies in de gemeenteraad plaatsvinden. Pieter Hendrik van der Kemp, gemeenteraadslid voor de vrijzinnige vereniging ’s-Gravenhage, meent dat ‘de pleinen der residentie beschikbaar behoren te blijven voor monumenten van betekenis. Dit behoeft echter niet de producten van beeldende kunst van slechts beperkte waarde uit te sluiten. De straten der stad moeten door haar inbuigingen daarvoor gelegenheid bieden. Daar zijn dergelijke stukken te plaatsen. Zij breken op een aangename wijze het eentonige gezicht van huizenrijen en verlevendigen het aanzien der wegen’. Hij ziet als beste plaats voor het beeld de Loosduinseweg op de hoek met de Fahrenheitstraat.
De in Middelburg geboren ingenieur Joseph Jean Leonard Bourdrez laat tijdens de raadsvergadering van 15 maart 1909 weten dat hij zich schaart aan de zijde van Pieter van der Kemp waar hij de keuze van het Copernicusplein voor het monument afkeurt en het liever geplaatst ziet aan de Loosduinseweg. ‘Ik zou nog een eind verder willen gaan en het in zijn geheel niet plaatsen. Wordt het monument als gedenkteken beschouwd en moet het dus een groot publiek aanspreken, dan is er reden het neer te zetten op een opvallende plaats. Zonder de verdiensten van hem voor wie de gedenknaald is opgericht te kort te doen, laat dit monument het grote publiek volkomen koud, misschien een enkele landbouwer uitgezonderd. Ik zal tegenstemmen. Tegelijkertijd wil ik opmerken dat ik het niet eens ben met de gang van zaken. De enige vraag die wordt gesteld is: kost het geld en zo niet dan is men te beleefd het te weigeren. Daar protesteer ik tegen. Wij moeten onze pleinen zo goed mogelijk versieren’.
Architect Jurriaan Jurriaan Kok merkt op dat het ‘met monumenten al net zo gaat als met sigaren: de goede moeten worden gekocht, de slechte krijgt men cadeau’. Even verderop in de discussie kan hij het niet laten op te merken: ‘het plaatsen zou een beleefdheid tegenover de maatschappij zijn. Wel nu, ik kan meedelen, zo ik thans goed ben ingelicht, dat die maatschappij 500 gulden (€ 227) heeft betaald om van de gedenknaald af te zijn’. Niet veel later blijkt het iets anders te liggen. Het bedrag is een financiële bijdragen van de Hollandsche Maatschappij van Landbouw voor het kunnen verplaatsen en opnieuw opbouwen van het monument.
Ingenieur Cornelis Lely, wethouder van Openbare Werken, gaat verder niet in op de artistieke waarde onder de noemer ‘ik ben geen artiest, dus ik onthoud mij van een beschouwing. Bovendien zijn kunstenaars het in de regel ook niet met elkaar eens. Het is indertijd door een bekwaam architect gemaakt en mooi gevonden en het bestaat uit kostbare materialen’. Hij ziet het plaatsen als een beleefdheid tegenover de familie. ‘De man had nauwe relaties met Den Haag, heeft de stad ook economische voorspoed gebracht door het organiseren van bijvoorbeeld tentoonstellingen’.
Het voorstel de zuil aan het einde van de Fahrenheitstraat te plaatsen wordt met 24 tegen 13 stemmen verworpen. Het voorstel van burgemeester en wethouders het op het Copernicusplein neer te zetten wordt met 26 tegen 10 stemmen aangenomen. Saillant detail is, zo leert documentatie, dat de familie Gevers Deynoot helemaal niet tegen het neerzetten op de Loosduinseweg was. Ook blijkt dat Pieter van der Kemp zijn voorstel in de gemeenteraad pas doet na overleg met de familie. ‘En zij was ingenomen
met die plaats’, aldus het gemeenteraadslid.
Plaats waar de raadsleden het monument graag    
geplaatst zien. Tekening: Haags Gemeente Archief

Eigenlijk willen zowel B&W als Van der Kemp hetzelfde, de familie tegemoet treden en haar wens eerbiedigen. Daarom kiezen burgemeester en wethouders bewust voor het Copernicusplein. Het ligt in het zuidwesten van de stad, in een deel dat ooit tot Loosduinen behoorde, en waar Dirk eigenaar is geweest van een nabijgelegen uitgestrekte lap grond.
Wanneer jonkheer en mr. Willem Theodore Gevers Deynoot, spreekbuis van de familie, begin 1908 bij de gemeente een balletje heeft opgegooid over de verplaatsing, is het Isaac Anne Lindo (roepnaam Jack) als directeur van Gemeentewerken, die zich als eerste over de zaak buigt. Hij vindt het een mooi monument en ziet geen bezwaren het in de stad neer te zetten. ‘Het Valkenbosplein is echter niet geschikt met het oog op de wijzigingen die dit plein zal moe-ten ondergaan in verband met de snijding ervan door de Ceintuurbaan’. Het Copernicusplein, vernoemd naar de Poolse arts, wiskundige en astronoom Nicolaus Copernicus (1473-1543), komt wel in aanmerking. Jack Lindo: ‘Maar het zou kunnen zijn dat het publiek wellicht tot de conclusie komt dat het geplaatste monument betrekking heeft op Copernicus. Een geschiktere plaats schijnt mij een aan de Loosduinseweg, bij de samenkomst met de Fahrenheitstraat, te maken pleintje. Het is een punt waarlangs veel verkeer komt, zodat het monument ook meer gezien zal worden dan op het Copernicusplein’. Burgemeester en wethouders zien die verwarring niet ontstaan. ‘Er staat met grote letters op dat het om Gevers Deynoot gaat. Bovendien is het niet het enige monument in de stad dat niet overeenkomt met de straatnaam. Zo is er het borstbeeld van componist en dirigent Richard Hol op de Stadhouderslaan’.

Kosten

In zijn schrijven naar wethouder Lely, voorzitter van de Commissie voor de Plaatselijke Werken, verwoordt Lindo direct wat voorwaarden. Zo moet de gedenknaald worden geplaatst onder toezicht en ten genoegen van de directie der Gemeentewerken. Moet het monument na plaatsing in volle en vrije eigendom aan de gemeente worden overgedragen. Alle kosten van de wijzigingen aan gazon, plantsoen, wandelpaden, bestrating of riolering, die nodig mochten worden geacht in verband met het plaatsen, komen voor rekening van de familie Gevers Deynoot. Zij gaat akkoord, zoals ze ook de toegevoegde voorwaarde goedkeurt dat het gemeentebestuur zijn volle vrijheid van handelen behoudt wanneer te eniger tijd het gedenkteken mocht blijken bouwvallig te worden of verplaatsen raadzaam mocht voorkomen. Op 21 april 1909 adviseert de Commissie van Bijstand in het Beheer van Plaatselijke
Werken en Eigendommen de vastgestelde plaats goed te keuren. Ze heeft er geen bezwaar tegen dat wanneer de definitieve inrichting tot plantsoen door de tijd van het jaar niet meer mogelijk is, het
Unieke werktekening van de naald. Tekening: Hans Piët

bestemde terrein voorlopig met graszoden wordt bedekt.
Het is de firma van steenhouwer Gerardus Keuzekamp die, samen met aannemers Zegert Gelens en Jan van de Wal, het kunstwerk afbreekt. Voorzichtigheid is daarbij geboden omdat het door de baldadige dorpsjeugd ernstiger dan in eerste instantie gedacht, is beschadigd. Architect Fredericus Maria Nieuwerkerk en beeldhouwer Emilius Alphonsius Franciscus Bourgonjon krijgen de uitnodiging het opnieuw te modeleren. Het gaat hierbij niet om zomaar een tweetal. Zo groeit Frits Nieuwerkerk, ontwerper van onder meer het R.K.-ziekenhuis Westeinde, in zijn arbeidzame leven uit tot een van de meest deskundige architecten op het gebied van ziekenhuisbouw in ons land en is de in Brugge (België) geboren Bourgonjon van grote betekenis voor de monumentale beeldhouwkunst in Nederland. In Den Haag zijn karaktervolle gevelversieringen onder meer te vinden aan het gebouw van justitie, de St. Jacobskerk, de Ridderzaal en de kerk van Pierre Joseph Hubert Cuypers in de Parkstraat. Ook de Cremerbank bij de Waterpartij is van zijn hand.
Om het monument te herscheppen kiezen ze, meer aangepast aan de tijd, voor een obelisk in een neoklassieke revivalstijl waarbij wederom gebruik is gemaakt van onder meer Bollendorfer zandsteen, een witmarmeren wapenschild en vier witmarmeren platen met gouden inscripties. Er zijn nieuwe bronzen versierselen en het monument heeft een grondige schoonmaakbeurt ondergaan. Op 28 september 1909 wordt het overgebracht naar het Copernicusplein en voorzien van een houten huisje om de laatste werkzaamheden te kunnen uitvoeren. Als dat omhulsel op 9 oktober verdwijnt, krijgen omwonenden voor het eerst de pilaster te zien. Ondertussen heeft jhr. mr. Willem Gevers Deynoot, sinds 26 maart 1878 doctor in de rechten op een proefschrift over inkwartieringen, een rekening gekregen die aangeeft dat er de nodige werkzaamheden aan het Copernicusplein hebben plaatsgevonden. Het terrein is opgehoogd, de toegangskoker van de riolering is vernieuwd, maar ook een gedeelte van het plantsoenhek is weggenomen en opnieuw geplaatst. Deze kosten bedragen 23 gulden en 92-en-een-halve cent (€ 11). Bij de aanleg van het plantsoen is Pieter Westbroek, directeur der gemeenteplantsoenen, niet over een nacht ijs gegaan. Zo is het vak waarin het beeld staat (a), met groenblijvende planten gevuld. Aan de rand (b) heeft hij klimop evenals struikrozen (c) voorzien. Een pluk sierplanten (d) staat tegenover het beeld en in de uiterste rand zijn boompjes geplant (e). De som voor de aanleg bedraagt 163 gulden (€ 74). Willem, die aan de Mauritskade 23 woont en is getrouwd met Maria Ariane van Wassenaar van Sint Pancras, wordt gevraagd het eerste bedrag naar de gemeenteontvanger te sturen. De tweede schuld moet worden betaald aan de directeur der gemeenteplantsoenen.

Familieleden

Terwijl er druk maar onzichtbaar voor de buurt op het Copernicusplein wordt gewerkt, besluit burgemeester Emile Claude baron Sweerts de Landas Wyborgh (1904-1911) dat de overhandiging een feestelijke gebeurtenis moet worden. Om die reden nodigt hij alle familieleden uit die het verzoek hebben ondertekend om de gedenknaald naar Den Haag te krijgen. Het gaat naast Willem en zijn vrouw om jhr. Willem Anton, gepensioneerd generaal-majoor der artillerie, om jhr. Dirk Rudolph, gepensioneerd kapitein der infanterie, om jonkvrouw Martha Maria Jacoba Adriana, echtgenote van jhr. Frans Agathus Gerard Beelaerts van Blokland, gepensioneerd majoor der infanterie, om jkvr. Quirina Jacoba Louisa, om jkvr. Margaretha Catharina, echtgenote van jhr. Paulus Ocker Hendrik Gevaerts van Simonshaven, oud hofmaarschalk en oud-wethouder van ’s-Gravenhage, om jhr. Edmond Arnold Louis, kapitein bij de Grenadier en Jagers, om jkvr. Theodora, echtgenote van Sebald Godfried Manger Cats, burgemeester van het Hof van Delft en om jhr. François Gerard Abraham, een van de zonen van de overleden Haagse burgemeester en zelf oud-burgemeester van Kethel en Spaland.
Probleem is opnieuw dat de Haagse ambtelijke molen hapert. Er wordt geen datum geprikt met als gevolg, dat er van een onthulling geen sprake kan zijn. Het houten huisje verdwijnt, waardoor de gedenknaald voor iedere Hagenaar zichtbaar wordt, zonder dat burgemeester Sweerts de Landas Wyborgh, op vriendelijke wijze heeft kunnen terugblikken op de geschiedenis van het monument. Het is reden voor Willem Gevers Deynoot, inmiddels gemeenteraadslid, om op 27 december 1909 een brief naar de burgemeester te schrijven. ‘B&W wilden naaste familie uitnodigen ten stadhuize als de overdracht van het monument zou plaatsvinden. In verband daarmee gaf ik u de namen van diegenen die tot overplaatsing van het gedenkteken hebben bijgedragen. Thans schrijven we welhaast 1910. Enkele leden zijn op dit ogenblik uitstedig, anderen voor enkele dagen in het buitenland. Het is reeds drie maanden geleden dat het van zijn omhulsel werd ontdaan. Ware het niet beter de plechtigheid, hoe vriendelijk ook bedoelt, geheel achterwege te laten en aan de familie een schrijven te richten dat het monument in volle eigendom is overgenomen’.

De gedenknaald zoals hij is te vinden op het Burgemeester Françoisplein.                        Foto: Hans Piët



De burgemeester beslist anders. Op 4 januari 1910 nodigt hij de familie alsnog uit om op 11 januari in het stadhuis langs te komen. Jhr. François laat al snel weten, dat hij niet op de gekozen datum aanwezig kan zijn. ‘Ik zou het erg op prijs stellen als de ondertekening van de akte van overdracht bij mij thuis zou kunnen plaatsvinden’, meldt hij in een schrijven. En dat gebeurt. Jhr. Willem en zijn vrouw Johanna Wilhelmina Pels Rijcken haken af wegens ongesteldheid en ook jkvr. Martha Beelaerts van Blokland Gevers Deynoot kan niet komen. De ondertekening vindt bij haar thuis plaats in de Van der Spiegelstraat 14. De rest van de familie is op de bewuste dag wel aanwezig. Tijdens een plechtige bijeenkomst in de burgemeesterskamer wordt het kunstwerk ten overstaan van burgemeester en wethouders overgedragen aan de gemeente van ’s-Gravenhage. Na het tekenen van het op de overdracht betrekking hebbende protocol houdt baron Sweerts de Landas Wyborgh een rede waarin hij herinnert aan de geschiedenis van het monument en hoe B&W zal proberen de oprichter in duurzame herinnering te houden.
Echt lang staat het Gevers Deynootmonument niet op het Copernicusplein. De nieuwe tramroute van lijn 12 is aan begin van 1928 de spelbreker. Met de komst van de baan tussen de Fahrenheitstraat en de Paul Krugerlaan wordt het Copernicusplein een kruising van de lijnen 12 en 14. De pech daarbij is, dat de ruimte ontbreekt om de tramsporen om het plantsoen te leiden. En aangezien de verkeersbelangen zwaarder wegen dan een openbaar kunstwerk moet het verdwijnen. Er wordt gekozen voor het Burgemeester Françoisplein in Loosduinen. Daarmee wordt het min of meer teruggezet in zijn oude omgeving al heeft deze een behoorlijke metamorfose ondergaan dankzij Franciscus Lodewijk Johannes Lourijsen. De op 5 februari 1934 op 44-jarige leeftijd overleden architect is in 1923 namelijk de ontwerper van 216 beneden- en bovenwoningen met plat dak in deze burgemeestersbuurt. De gedenknaald wordt op het plein neergezet in wat eerder het middelste bloemenperk was. Sindsdien is het niet meer verplaatst. De laatste werkzaamheden vonden in 2005 plaats. In dat jaar is het opnieuw gerestaureerd.

© Haags Nieuws Bureau 2023

zondag 19 mei 2019

Kijkduin


Fietspad eerste verbinding
tussen Den Haag en Kijkduin

door Hans Piët

DEN HAAG – De verbinding tussen Den Haag en Kijkduin heeft niet altijd zo’n luxe uitvoering gekend als momenteel het geval is. In eerste instantie bestond er zelfs helemaal geen aansluiting tussen de twee stadsdelen. Echt vreemd is dat niet. Behalve dat het grondgebied van Kijkduin eerst toebehoorde aan (de op dat moment zelfstandige gemeente) Loosduinen, is het een nog jonge woonplaats. Bijzonder daarbij is, dat ze niet, zoals elders aan de Nederlandse kust, is voortgekomen uit een vissersdorp. Ze is direct gebouwd als badplaats met de bedoeling landgenoot en vreemdeling ruimte en gastvrijheid te bieden in een decor van zee en duin.
Het exploiteren van Kijkduin (op het grondgebied Meer en Bosch) is een initiatief van de in
‘s Gravenzande geboren broers Van der Houwen. Johannes Daniël (31-10-1874), de bouwer, en Pieter Gerrit (25-05-1884), de administrateur, (hij was onderwijzer, later hoofd, op diverse openbare lagere scholen in Den Haag) zien het bouwen van een dorp met 126 landhuisjes wel zitten. Burgemeester en wethouders van Loosduinen, die vlak voor zij het tweetal in augustus 1917 voor het eerst ontmoeten, een discussie hebben gevoerd of ze de verdere ontwikkeling van hun woonplaats in eigen hand zullen nemen of overlaten aan ondernemers, gaan vrij gemakkelijk overstag. Raadsleden eigen verloopt dat natuurlijk niet geheel zonder discussie. Zo is er op 8 februari 1921, bij de eerste vergadering waarin de plannen, van het inmiddels aan de Marconistraat 39 in Den Haag residerende bouwbedrijf, serieus worden besproken, angst over een eventueel financieel verlies door de gemeente. In de bijeenkomst van 2 juni van dat jaar blijkt deze ongegrond. Loosduinen is er nog net op tijd bij geweest om (in het kader van groeiende woningnood) een bouwkrediet aan te vragen. Het Rijk heeft namelijk besloten om bijdragen in de vorm van voorschotten, bouwpremies en hypotheken per 1 juni 1921 stop te zetten. Loosduinen, die haar aanvraag op 21 februari van dat jaar heeft ingediend, mag echter rekenen op 250.000 gulden (zo’n 114.000 euro). De gemeenteraad besluit dat dit bedrag pas mag worden aangesproken, nadat de eerste 30 villaatjes gereed zijn. In de vergadering van 14 juni wordt duidelijk dat B&W, om er zeker van te zijn dat de broers hun verplichtingen zullen nakomen, een bankgarantie van 115.000 gulden hebben bedongen. Ook draagt het bouwbureau de risico’s van de straataanleg. Een simpele rekensom vertelt de raadsleden dat de kosten in arbeidsloon en stenen zo’n 200.000 gulden zijn. Een bedrag waarvoor geen premie wordt verleend. “En zijn de straten gereed en naar de wens van B&W, dan moeten ze in eigendom aan de gemeente worden overgedragen”, aldus gemeentesecretaris Jacobus Boezer.

Bouwplan uit 1921 van villadorp Kijkduin zoals bedacht door Van der Houwen.    Foto: Haags Gemeentearchief.
 
Een ander discussiepunt is het aan het werk helpen van werkeloze dorpsgenoten. Ook daar wordt een oplossing voor gevonden. De broers zien het niet als een probleem, zo blijkt ook uit het contract, om twee-derde van hun ongeschoold personeel te laten bestaan uit bij de arbeidsbeurs ingeschreven werkloze Loosduiners. Het gemeentebestuur is blij met alle ontwikkelingen. Zij zien dat het al jaren heel slecht gaat in de tuinbouw, dus dat er andere bronnen van welvaart moeten komen. De verdere ontwikkeling van Kijkduin als badplaats past daarin. Bovendien zijn er onderhandelingen gestart met Den Haag, dat in snel tempo in haar richting aan het uitbreiden is.
Op 20 oktober 1921, tien dagen nadat het definitieve besluit in de raad is gevallen, kan het contract worden getekend. De kosten voor de bouw (met straataanleg) worden geschat op 1.250.000 gulden (zo’n 570.000 euro). Behalve dat het tot stand komen wordt ondersteund met het bouwkrediet van het Rijk, sluiten de gebroeders Van der Houwen een hypotheek af van 900.000 gulden (zo’n 409.000 euro). Dwingend in de overeenkomst is, dat het villadorp binnen twee jaar tot stand moet zijn gebracht. ‘Tenzij de raad uitstel nodig acht’, aldus het contract.

Huiskamer

Hoewel er volop wordt gebouwd, krijgen de broers dat niet voor elkaar. De ongerepte natuur van de duinrand, waar binnen het villadorp ontstaat, speelt daarin een belangrijke rol. Aanvoer van materiaal verloopt, zeker bij slecht weer, niet altijd even soepel. De Strandweg lijdt het meest. Hij is al snel stuk gereden door de file aan zandauto’s. Hierdoor ook is het Koningin Wilhelmina Zeebadhotel nauwelijks meer bereikbaar. Een gevolg is, dat begin februari 1923, zo’n 74 van de 126 kleine villa’s, naar een ontwerp van Jan Duiker en Bernard Bijvoet, klaar zijn. De architecten ontwerpen zeven verschillende types. Zo zijn er vrijstaande landhuizen, maar ook geschakelde. Waar het duo vooral lof mee oogst, is de ruime huiskamer als centrum van de woning. Minder geslaagd wordt een aantal jaren later het ontbreken van een badkamer, in een deel van de huizen, gevonden. Toch blijkt de verhuur (ook aan toeristen) en later verkoop geen enkel probleem. Het landelijk wonen in combinatie met alle gemakken van de grote stad maakt Kijkduin zeer aantrekkelijk.
Met de flinke toename aan inwoners ontstaat er een vraag naar een verbinding met Den Haag. Niet onlogisch gezien het feit, dat de meeste bewoners een baan in de Residentie hebben en hun kinderen daar op school zitten. De ‘burgemeester’ van Kijkduin, John D. van der Houwen, doet op 12 februari 1923 in een officieel schrijven, een poging de Haagse gemeenteraad ervan te overtuigen dat zo’n verbinding noodzakelijk is geworden. ‘Langs het voetbalveld van Quick (dat zich halverwege Kijkduin en Den Haag zuidwest bevindt) ligt een voetpad dat, op zondag, ook door veel wandelaars wordt gebruikt. Bewoners der villa’s nemen het weggetje om zich lopend of per fiets naar de stad te begeven. Er is echter een klein gedeelte van dit pad, in de buurt van Quick, dat heuvelachtig en daardoor slecht begaanbaar is. Met een beetje grondwerk en kolengruis is het in goede staat te brengen. Reden waarom ik u beleefd verzoek dit hulpweggetje op eigen kosten te mogen opknappen. Met het plaatsen van wat borden kan ik dan ook de richting naar het villadorp aangeven’.
Zijn verzoek volgt op dat van de gemeente Loosduinen. Burgemeester Hendrik W. Hovy heeft 

De ligging van Kijkduin ten opzichte van Den Haag met een schets van
de nieuwe straatweg.                                                                  Foto: archief.
 op 2 juli 1922, aangeboden een tegelpad aan te leggen tussen het villadorp en het terrein van de voetbalvereniging. ‘Met dat pad zal er, wanneer Den Haag op eigen grond meewerkt, een goede verbinding ontstaan met de Bomen- en Bloemenbuurt. Er is weliswaar een fietspad van de Geraniumstraat naar Quick, maar dat verkeert in zeer slechte staat’.
De voetbalvereniging heeft in oktober 1921 een poging gedaan dat pad belegd te krijgen met oude scoriasbricks. Die aanvraag is door de Haagse gemeenteraad positief ontvangen. Enige voorwaarde: Quick betaalt twee-derde van de begroting van 4400 gulden. En dat geld heeft de voetbalvereniging niet. Het verzoek van Loosduinen wordt op 7 juli 1922 definitief afgewezen. Dr. ir. Pieter Bakker Schut, directeur Dienst der Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting, vat het compact samen: “Het ligt niet op de weg onzer gemeente de vestiging van forensen sterk in de hand te werken door het scheppen van een directe verbinding. Wat bovendien meespeelt, zijn de onderhandelingen over de samensmelting der beide gemeenten. Zolang er geen overeenstemming is, wordt er niets ondernomen”.
Ruim een jaar later, op 24 november 1923, slaat hij, nadat de grenswijziging is doorgevoerd en Loosduinen (de laatste raadsvergadering was op 28 juni 1923) onderdeel is geworden van Den Haag, een andere toon aan. “Hoewel het villadorp, met de daarop rustende door de gemeente gegarandeerde hypotheken, een erfenis is van het gemeentebestuur van Loosduinen, heeft de Residentie er ook financieel belang bij als het villadorp geen mislukking wordt. Ik meen daarom dat er aanleiding bestaat, te bevorderen dat de deels clandestien in het leven geroepen weg over privaatrechtelijk gemeenteterrein, een behoorlijke fietsweg wordt”.

Van Riessen

Die ommezwaai lijkt mede te danken aan de brieven die Jacob Hendrik van Riessen, redacteur bij het christelijk weekblad Timotheüs en penningmeester bij de Vereeniging Kijkduin, op 19 juli en 3 oktober 1923 namens 39 Kijkduiners naar de Haagse gemeenteraad stuurt. In zijn laatste brief schrijft hij blij te zijn dat de Laan van Meerdervoort wordt doorgetrokken naar de Loosduinse Strandweg, maar dat zowel adressanten als bezoekers ‘op zondagen met mooi weer al snel 8000 tot 10.000 mensen’, verstoken blijven van een behoorlijke verbinding met Den Haag. Ook wijst hij er op hoe gevaarlijk het verkeer op de Haagweg en Loosduinseweg is voor fietsende kinderen op weg naar school. In zijn eerdere brief heeft hij de grote omweg, die inwoners van Kijkduin moeten maken om in Den Haag te komen, aangestipt. ‘De snelste weg is via Quick. Fietsen over Loosduinen scheelt al snel tien minuten. Het is een omweg van vijf kilometer’. Hij dringt er, namens de andere inwoners, op aan die verbinding door de duinen snel in orde te maken. ‘Het tot stand komen daarvan hoeft niet kostbaar te zijn’.

Deze tekening van het rijwielpad geeft aan waar verbeteringen moeten worden aangebracht. Het rode deel ver-
keert in behoorlijke staat. Het gele gedeelte is dankzij het zand niet te berijden.      Foto: Haags Gemeentearchief

Voetbalvereniging Quick sluit zich daar, middels een brief van secretaris Nicolaas J. de Groot, bij aan. ‘Het intensieve verkeer van berijders van motorrijwielen, wielrijders, voetgangers en bezoekers van en naar wedstrijden of het strand maakt de weg, zeker in periodes van droogte, vrijwel onbegaanbaar. Ik denk, dat ook andere verenigingen die in de Segbroekpolder zijn gelegen, baad hebben bij een goede toegangsweg’.
Wat, niet voor het eerst, op de achtergrond meespeelt, is de zuinige inborst van Den Haag. Bouwbureau Gebr. Van der Houwen heeft echter zijn lesje geleerd. Nog voor Bakker Schut in een raadsvergadering roept dat “blijkbaar stilzwijgend van de veronderstelling wordt uitgegaan dat de kosten der verbetering door de gemeente wordt gedragen”, heeft John van der Houwen al overleg gevoerd met Leo C. Steffelaar, secretaris-penningmeester van de ANWB en Willem H. J. Dicke, secretaris van de Vereeniging Rijwielpad Zuid-Holland. Laatstgenoemde vereniging, die zich middels Dicke jarenlang inzet voor het verwezenlijken van een pad door de duinen tussen Den Haag en Hoek van Holland, zegt toe voor de aanleg te zullen zorgen. Wethouder voor Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting Machiel Vrijenhoek en de directeur van die dienst, Bakker Schut, zijn tevreden. “Ook omdat het pad een tijdelijk karakter heeft. Naar gelang de bebouwing vordert, verdwijnt de weg om plaats te maken voor straataanleg”, aldus Bakker Schut. “Daarbij is deze oplossing ook de goedkoopste omdat het onderhoud ten laste van de vereniging blijft”, laat hij de gemeenteraad weten.
De kosten voor aanleg, zo blijkt uit de begroting, worden geraamd op 4000 gulden. Het grootste deel (3000 gulden) is voor rekening van het bouwbureau. De gemeente neemt 25 procent tot een maximum van 1000 gulden voor haar rekening. Wat door de Vereeniging Rijwielpad Zuid-Holland wordt aangelegd, zo geeft de op 30 november 1923 goedgekeurde tekening aan, is een 1350 meter lang pad, dat een breedte krijgt van twee meter. Een lengte van 425 meter, met een breedte van vier meter, wordt verbeterd. Om het hele pad te verharden worden sintels gebruikt (het is de grootste kostenpost: f 1760,-). Het afdekken gebeurt middels teer en schelpen. Langs de duinweg worden 160 eiken paaltjes geplaatst plus vier bordjes met de mededeling ‘Rijwielpad’.

Onderhoud

Na de feestelijke met fanfare opgeluisterde opening op 7 juni 1924, waarbij ook wethouder Vrijenhoek aanwezig is, heeft de motorrijder het nakijken. Hij mag zich met zijn tweewieler niet langer op het pad vertonen. Dat het druk wordt bezocht, blijkt uit een schrijven van 26 juli 1924. Volgens de gemeente laat het onderhoud ernstig te wensen over. ‘Het pad is in zo’n slechte staat dat zand boven komt en dus bij avond gevaar oplevert voor wielrijders. Na ingewonnen deskundig advies is gebleken dat er niet voldoende teer is gebruikt’. In de brief wordt gewezen op het raadsbesluit van 3 december 1923. Daarin staat dat de vereniging verantwoordelijk is voor het onderhoud. Wat de ambtenaar echter over het hoofd ziet, is de clausule die vermeldt, dat wanneer door intensief gebruik de kosten abnormaal hoog worden, een bijdrage aan de gemeente mag worden gevraagd. Wanneer zij begin september van dat jaar bij de gemeente aanklopt voor die financiële bijdrage, geeft Den Haag niet thuis. ‘Er zijn wat slechte delen, maar gevaarlijke plekken zijn er niet’, is plotseling haar mening.
Wat bij dat antwoord meespeelt, is dat er inmiddels vergevorderde plannen bestaan voor de aanleg van een rijweg tussen Kijkduin en Den Haag. Ir. Jan Lely, directeur gemeentewerken, is in juni 1924 onderhandelingen gestart met de gebroeders Van der Houwen over die aanleg. Het opknappen van het rijwielpad is volgens hem dan ook niet langer noodzakelijk. “De meeste bezoekers maken er alleen in de zomermaanden gebruik van. Aangenomen kan worden, dat in het voorjaar van 1925 de nieuwe weg naar Kijkduin, die deels op kosten van de broers, gedeeltelijk voor rekening van de gemeente door Gemeentewerken zal worden aangelegd, gereed is. Afgewacht zal kunnen worden of na het tot stand komen van die weg nog aan het rijwielpad behoefte zal bestaan. Het lijkt mij toe, dat dit vermoedelijk niet het geval zal zijn”, aldus ir. Lely.

Motortram

Het voorstel van de directeur gemeentewerken wordt door de broers met enthousiasme ontvangen. “We zijn gaarne bereid mee te werken”, staat er in een brief van 8 juli 1924. Wat daarbij meespeelt, is dat de financiële positie van het bouwbedrijf zwak is geworden. Zo wordt er al enkele weken overleg gevoerd met de directie van de Gemeentelijke Hypotheekbank in verband met een achterstand in de betaling van rente en aflossing. Met die nieuwe weg hopen ze dat nog meer mensen voor Kijkduin zullen kiezen waardoor ook de laatste 22 huizen worden verhuurd of verkocht. In dat kader is tevens het plan ontstaan voor de aanleg en exploitatie van een motortram tussen het villapark en het eindpunt van lijn 7 aan de Sportlaan.

 De weg die de motortram volgens de broers Van der Houwen tussen het villapark en de Sportlaan zou kunnen
 afleggen.                                                                                                                               Foto: Haags Gemeente Archief
 
Op 24 december 1923 vraagt het bureau toestemming aan de gemeenteraad. Deze laat weten met de HTM te zullen overleggen. Haar toestemming is namelijk nodig voor de exploitatie. De Haagse Tramweg Maatschappij laat op 18 januari 1924 weten geen bezwaar te hebben. Bij een aantal raadsleden ligt dat anders. Aanleg en exploitatie zal het financiële risico voor de gemeente alleen maar vergroten. Uiteindelijk ligt een faillissement van het bouwbureau al op de loer. Om die reden ook vraagt wethouder Vrijenhoek het college in de vergadering van 30 mei 1924 nog even goed na te denken over het voorstel. Drie dagen later, op 2 juni, gaat de gemeenteraad toch akkoord. Zij is er van overtuigd, dat de broers de lijn niet in exploitatie kunnen nemen zonder de hulp van de gemeente. En voor haar bestaat er geen enkele aanleiding die steun te verlenen. Zeker niet nu de plannen worden uitgewerkt voor een verharde weg tussen Kijkduin en de Daal en Bergselaan. Een brief vertelt, dat toestemming wordt verleend. ‘De vergunning gaat in op 1 september 1924. De inwerkingtreding ervan wordt bepaald op 1 december en geldt voor vijf jaar. De kosten voor het gebruik van de gemeentegrond zijn 150 gulden per jaar. Wanneer de lijn op 1 maart 1925 niet in exploitatie is genomen, vervalt de vergunning’, staat er te lezen.

Autoweg

Op dat moment hebben de broers al elke interesse in het uitbaten van de motortramverbin-ding verloren. Zij zien meer heil in de straatweg, die bijna voor de helft (1250 meter) voor hun rekening komt. Den Haag betaalt de overige twee kilometer. Een eerste berekening door ir. Lely geeft een bedrag aan van 45.000 gulden. De straat tussen het villadorp en de Quickweg wordt vijf meter breed en voorzien van klinkerbestrating. Kosten: 28.000 gulden. De duiker in de Quickweg kost 1000 gulden. Verbetering, verbreding en verlenging van de Quickweg komt neer op 16.000 gulden. “Die verbreding is nodig omdat bij de bestaande breedte twee omnibussen elkaar niet veilig kunnen passeren. Gaat u akkoord dan ben ik bereid burgemeester en wethouders voor te stellen van gemeentewegen de rijweg vanaf de H.B.S. aan de Geraniumstraat en de omliggende, aan te leggen straten tot aan de Quickweg, te financieren. Wat betreft uw deel kan ik u meedelen, dat de directie van de Gemeentelijke Hypotheekbank bereid is aan B&W voor te stellen het bedrag aan u te verstrekken onder tweede hypothecair verband op alle thans nog aan u toebehorende huisjes van het villadorp en overige, op nader overeen te komen, voorwaarden”.
De broers laten weten over het financiële deel nog geen uitsluitsel te kunnen geven omdat ze nog niet alle belanghebbenden hebben kunnen spreken. Bovendien verzoeken ze de gemeente hun gedeelte van de weg zelf te mogen aanleggen. ‘Geheel onder controle van de gemeente’, aldus John D. van der Houwen in zijn brief. ‘Maar u begrijpt dat elke duizend gulden, welke we op deze wijze lager uitkomen dan de voorgelegde begroting, ons goed uitkomt’.

Werktekening van  de autoweg die in 1925 tussen Den Haag en  Kijkduin wordt aangelegd. Het  blauwe deel  is
definitief. Het rode gedeelte is niet in het concept-uitbreidingsplan opgenomen.    Foto: Haags Gemeentearchief

Op 22 augustus 1924 vraagt burgemeester Jacob A. N. Patijn advies aan ir. Lely. Hij wil de werkzaamheden in Kijkduin combineren met het uitvoeren van het stratenplan Laan van Meerdervoort III. “Een spoedige afwikkeling van deze aangelegenheid achten wij ter bevordering van een goede exploitatie van de woningen in Kijkduin gewenst”, aldus de burgemeester.
Wat hij ook wil weten, is aan welk verkeer de weg tussen Den Haag en Kijkduin wordt opengesteld. “De aanleg ten behoeve van personenvervoer wordt door ons bevorderd. Wat moet worden geweerd, is dat de als tijdelijke klinkerweg bedoelde straat spoedig om belangrijk onderhoud vraagt”.
Eind september 1924 besluit ir. Jan Lely, gezien de terreingesteldheid, de weg te projecteren aan de zuidoostzijde van het bestaande fietspad. Vervolgens blijkt dat het geheel duurder wordt dan begroot. John D. van Houwen laat in een brief van 26 november 1924 weten daar niet blij mee te zijn. ‘In de besprekingen over de aanleg is mij verteld, dat de Quickweg  zou worden verbeterd, doch niet dat hij zou worden omgevormd tot een officiële weg met trottoirs en een volledige klinkerbestrating. Hiermee wordt de voorgestelde speling van f 6000,- die in de begroting van f 45.000,- aanwezig was, geheel teniet gedaan. Behalve dat ik meen, dat met de weg een Haags belang wordt gediend omdat de gemeente er de meeste baat bij heeft, kan de aanleg goedkoper. Nu is gekozen voor een dikke laag van puin. Volgens ons kan hij ook gemakkelijk en afdoende verhard worden middels kolengruis, kolen en teer’.
Den Haag besluit de broers te ontzien, waardoor met de aanleg kan worden begonnen. Het bouwbureau zet vaart achter het leggen van de waalklinkerbestrating. De 1250 meter is op 25 april 1925 klaar. De gemeente Den Haag doet iets langer over haar twee kilometer. Deels omdat de aanvoer van de trottoirbanden uit het buitenland meer tijd vergt en de weg wordt geasfalteerd. Maar, voor de zomer van 1925 is het geheel gereed en ligt er tussen Kijkduin en Den Haag een rijweg.


© Haags Nieuws Bureau 2019