Posts tonen met het label kiosk. Alle posts tonen
Posts tonen met het label kiosk. Alle posts tonen

zondag 11 februari 2024

Boulevard

 

EEN ZEE VAN RECLAME AAN ZEE

De ontsiering van Scheveningen

door Hans Piët

SCHEVENINGEN – Met de aanwas van het automobielverkeer komt Scheveningen halverwege de jaren twintig van de vorige eeuw in de problemen. Tijdens het badseizoen staan de smalle straten zo vol, dat er geen doorkomen aan is. De geschiedenis leert dat het niet burgemeester en wethouders zijn die in eerste instantie een oplossing aandragen, maar Theodorus Adrianus Hendrikus Offerman. De chauffeur, die in de Rotterdamsestraat 10 woont, schrijft in december 1925 een brief naar Gemeentewerken. Daarin wijst hij een locatie in de kustplaats aan waar, volgens hem, de autolast kan worden teruggedrongen door middel van een stalling. Zijn ideale plek is te vinden aan de Strandweg vóór Grand Hotel Garni. Tegelijkertijd spreekt hij daarbij de wens uit dit nog te vormen parkeerterrein voor tien jaar te huren.
Aangespoord door Theo Offerman moet ook Cornelis Snethlage, als chef van de afdeling verkeerswezen, na een rondgang door de badplaats erkennen dat in de omgeving van de plek waar de Wandelpier de Strandweg snijdt, grote behoefte bestaat aan een geschikte locatie voor parkerende auto’s. Uiteindelijk is het tijdens het seizoen een brandpunt van gezelligheid. Daarbij meent hij dat de afstand van de auto tot dit kruispunt zo klein mogelijk dient te zijn. Al snel blijkt dat het door de adressant gevraagde terrein niet kan worden afgestaan in verband met andere plannen. Bovendien zijn aan het geschikt maken erg hoge kosten verbonden. Onder leiding van ir. Frederic Charles Jean van den Steen van Ommeren, adjunct-directeur Gemeentewerken, wordt een tiental andere plekken bekeken, maar steeds opnieuw is de conclusie dat het niet de ideale oplossing biedt. Zo ligt het plateau naast de Strandweg voor hotel Savoy (Zeekant 5) te ver weg. Dat geldt ook voor het gebied voor het Oranje Hotel en bij het Circus. Laatstgenoemde terrein heeft bovendien een ongunstige vorm. De plek aan het einde van de Strandweg, aan de noordoostzijde, is te klein evenals de ruimte bij het Casino aan de Utrechtsestraat. Daar kunnen hoogstens 50 auto’s staan. De adjunct-directeur stuurt zijn bevindingen naar ir. Pieter Bakker Schut. De directeur Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting concludeert in december 1925 dat van alle suggesties het voorgestelde deel van het Gevers Deynootplein, dat ten zuiden van de Kurhausbar ligt, het meest geschikt is, ook omdat er geen wijzigingen van betekenis behoeven te worden aangebracht. ‘Het plaatsen van enige palen met draad is voldoende’, laat de directeur weten. Nadeel is, dat Theo Offerman wel interesse heeft, maar voor niet meer dan zes maanden per jaar oftewel het badseizoen.
Al snel blijkt dat hij het vuurtje heeft aangewakkerd, want in juli 1926 nemen B&W het besluit om aan de Boulevard, voor het Grand Hotel, toch een ruim gelegen parkeerterrein aan te leggen, waar chauffeurs tegen
Kaart waarop de tien mogelijk parkeerruimtes zijn aangegeven.   Tekening: Archief. 
een geringe vergoeding, onder bewaking, hun automobiel kun-nen achterlaten. Het college van burgemeester en wethouders situeert die stalling aan de Strandweg tussen het Monument voor Leger en Vloot en de trap van het voorma-lige onderkomen van de prins Von Wied, het Paviljoen van de Nieuwe of Literaire Sociëteit De Witte. De werktekening geeft een openluchtgarage aan van 25 meter diep en 230 meter lang. Het moet stalling gaan bieden aan zo’n 200 auto’s. De aanleg wordt begroot op 50.000 gulden (€ 22.689). Daarbij zijn de bedrijfskosten van 5.000 gulden (€ 2.269) inbegrepen. Op 17 december 1926 beginnen de werkzaamheden. De N.V. Haagsche Bouwondernemingsmaatschappij, die het werk zal uitvoeren, wil voor Pinksteren 1927 klaar zijn. In die periode moet niet alleen 17.000 kubieke meter zand, middels een treintje, worden afgevoerd naar het uiteinde van de noord-Boulevard, maar het geheel ook worden bestraat. Om de kosten te drukken maakt de ondernemer voor die aanleg deels gebruik van de keien die uit de bestaande glooiing komen. Het nieuwe hellende vlak wordt opgebouwd uit korrelbeton. De uitvoering gebeurt in het kader van de werkverschaffing. Zo’n 25 werkeloze vissers, vaders van grote gezinnen, zijn voor de klus aangenomen die, mede dankzij de temperaturen, niet onder de beste weersomstandigheden plaatsvindt. Even wordt overwogen om tegelijkertijd de inmiddels geëlektrificeerde tramlijn 11 van de Haagsche Tramweg Maatschappij over de Boulevard door te trekken tot nabij het Kurhaus. In de stoomtramperiode was die verlenging een van de eisen van de in Amsterdam gevestigde Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij. Hij is echter nooit uitgevoerd. Hoewel raadsleden zich hardop de vraag stellen of met die aanleg zo’n groot parkeerterrein dan nog nodig is, wordt, opnieuw vanwege de aanzienlijke kosten van zo’n 180.000 gulden (€ 81.000), van het plan afgezien. George Pieter Johan Caspersz, voorzitter van de raad van beheer van de H.T.M. voegt daar tijdens een raadsvergadering aan toe: “Het doel, de reiziger tegemoet te komen, zal slechts ten dele worden bereikt wanneer die verlenging 300 meter voor het Kurhaus, bij het Paviljoen, zal moeten eindigen”.
Ondertussen onderhandelt de gemeente met Theo Offerman over de pacht van de parkeergelegenheid. Er wordt hem een driejarig contract aangeboden. Voorwaarden zijn onder meer dat de hoofdcommissaris van politie die gedeelte van het parkeerterrein aanwijst waar uitsluitend automobielen mogen staan, waarvoor op grond van artikel 97 der Algemene Politieverordening een vergunning is verleend. Worden de auto’s, op een ander deel van het terrein, door de inzittenden bewaakt, dan mag daar geen staangeld voor worden gevraagd en na elf uur ’s avonds mogen geen automobielen meer ter bewaking worden aangenomen. In het schrijven wordt ook vastgelegd dat, mocht de gemeente het terrein tussentijds nodig hebben voor andere doeleinden, de overeenkomst met evenredige terugbetaling van te veel betaalde pacht kan worden opgezegd. Offerman is bereid een huur van 3.000 gulden (€ 1.361) per jaar te betalen. Dat wordt aan het einde van het eerste seizoen teruggebracht naar 2.800 gulden (€ 1.270). De reden is, dat omwonenden hebben geklaagd over het hinderlijk geraas en getoeter van motorrijwielen met als gevolg dat wethouder van Openbare Werken Fredericus Nicolaas Vincentius Quant, in samenspraak met de hoofdcommissaris van politie, Theodorus Hendricus Johannes Besseling, die tijdelijk de plaats inneemt van de zieke François van ’t Sant, bepaalt dat zij niet meer op het parkeerterrein mogen worden gestald. Dat er ondertussen volop van de parkeergelegenheid gebruik wordt gemaakt, blijkt uit de cijfers. De bate over het eerste jaar bedraagt 7.000 gulden (€ 3.176).

Segboer

Gevoed door de sombere economische vooruitzichten van de wethouder van financiën, mr. Jacob Adriaan de Wilde, ziet het college van burgemeester en wethouders in de aanleg een uitgelezen kans wat extra geld binnen te slepen. Op het talud achter het parkeerterrein aan de Strandweg is namelijk volop ruimte voor reclames. Niet ondenkbaar is hiervoor contracten af te sluiten voor telkens een periode van vijf jaar. Directeur Gemeentewerken, dr. Jan Lely, laat na een verzoek van het college, zijn licht erover schijnen. Hij dient een ontwerp in trapvorm in, dat niet veel later wordt veranderd in een hellend vlak van plusminus acht meter en vijftig centimeter. Discussiepunt daarbij is of het op de werk-
                                                                                                                               tekening voorkomende
Ontwerp van de muur in trapvorm door dr. Jan Lely.                   Foto: archief.
  betonblok in het midden
  van de terrassen moet
  blijven. De Schoon-
  heidscommissie vindt
  van niet. Dr. Lely meent
  dat het hotel hierdoor
  juist een extra accent
  krijgt en de lange              vlakken op geschikte        wijze worden doorbro-
  ken. Tegelijkertijd zou
  hij de op het blok
  voorgestelde woorden
  ‘Grand Hotel’ achter-
   wege laten. Zijn advies
   luidt eerst de bepleis- tering uit te voeren en dan pas een besluit te nemen over het eventueel aanbrengen van reclame. “Op die manier wordt het gemakkelijker om zich ter plaatse een oordeel te vormen over de vraag of het aan-brengen vanuit welstandsoogpunt al dan niet zal zijn toe te laten”, aldus de directeur Gemeentewerken.
Hij heeft een situatietekening laten maken door de in Hongarije geboren kunstschilder Vilmos Huszár, die zulke werkzaamheden ook verricht voor Maatschappij Zeebad Scheveningen. “Het resultaat komt mij niet gelukkig voor. Vraag is of de werkelijkheid een ander beeld zal schetsen”, aldus dr. Lely.
Mocht voor reclame worden gekozen dan ziet hij als de meest ideale oplossing, ook voor de gemeente, om het hele vlak te verpachten aan een betrouwbare persoon of firma. Er wordt een ontwerpcontract opgesteld en twee firma’s worden uitgenodigd een offerte in te dienen. Het zijn het reclamebureau van Julius Dickhout jr. uit Amsterdam en de N.V. A.W. Segboer’s Uitgevers Maatschappij uit ‘s-Gravenhage. Alleen directeur en uitgever Arie Willem Segboer reageert. Hij zegt de glooiing voor het aanbrengen van reclame te willen pachten tegen betaling per jaar van zeventig procent van de opbrengst van de verhuurde oppervlakten gedurende het tijdvak 15 mei 1927 tot 15 mei 1930. Als garantie voor het nakomen van zijn verplichtingen is hij bereid 10.000 gulden (€ 4.538) te storten. Hij doet dat wat later in de vorm van aandelen.

Situatieschets van de Scheveningse Boulevard met reclames.                          Tekening: Vilmos Huszár.









Arie Segboer, die met zijn vrouw en vier kinderen aan de Nieuwe Parklaan 125a woont, krijgt een proefcontract voor twee jaar. Hij tekent zijn overeenkomst op 19 januari 1927 en verbindt zich daarmee aan een fors aantal verplichtingen. Zo moet een exemplaar van elk contract dat de directeur afsluit, voorzien van handtekeningen, binnen een week bij B&W zijn afgeleverd. Uit dat contract moet duidelijk worden hoe groot de verhuurde oppervlakte is, tegen welke prijs dat gebeurt en hoelang de overeenkomst duurt. De pachter mag de reclameoppervlakten tussen 15 mei en 1 oktober niet beneden de minimumprijs van 50 gulden (€ 23) per vierkante meter, of een gedeelte daarvan, verhuren. De reclame moet zijn goedgekeurd door burgemeester en wethouders, anders mag hij niet worden aangebracht. Bovendien moeten de advertenties in goede staat worden onderhouden. De verschuldigde pacht moet elk jaar in twee termijnen ten kantore van de gemeenteontvanger worden gestort. Die data zijn 1 mei en 1 oktober.   
 
Schoonheidscommissie
 
Het idee reclames aan te brengen ontstaat bij toeval. De burgemeester en zijn vijf wethouders zeggen de ingeving te hebben gekregen nadat, na de afgraving, het losgewoelde zand moest worden afgedekt met een laagje korrelbeton om verstuiving te voorkomen. De gemeenteraad wordt ondertussen in zijn geheel niet gekend in die reclameplannen. Het is een zelfstandige beslissing van B&W. En dat is op zijn zachts gezegd vreemd voor wie bedenkt dat op 18 april 1910 een uiteindelijk uit negen man bestaande Schoonheidscommissie in het leven is geroepen om de (bouwkundige) charme van ’s-Gravenhage te bewaken. Bovendien is in januari 1924 een algemene politieverordening van kracht geworden die ontsierende reclame moet tegengaan. Een van de vastgestelde bepalingen verbiedt het hebben van openbare advertenties in bepaalde, door het college aan te wijzen stadsgedeelten, tenzij burgemeester en wethouders daar een vergunning voor verlenen. Bij het aanwijzen van die gebieden speelt de Schoonheidscommissie een cruciale rol.
Het reclamevlak dat burgemeester en wethouders voor ogen
 hebben achter het aan te leggen parkeerterrein. Foto: archief. 
En zij heeft, in samenspraak, onder meer de Boulevard in Scheveningen aange-geven. De kritiek is dan ook niet mals 
als de niet meer terug te draaien twee-jarige proef naar buiten komt. Jan Kalf, directeur van het Rijksbureau voor Monumentenzorg, maar ook architect Julius Maria Luthmann, architect Joseph Crouwel, ingenieur Hielke Hoekstra, ingenieur Jos Klijnen, tuinarchitect
Henri Roeters van Lennep, bouwkundig ingenieur Adolf Broese van Groenou, rijksbouwmeester Gustav Cornelis en kunstschilder Gerard Antoine Henri van de Stok, allen lid van die Schoonheidscommissie, laten per brief weten dat een fraaie indeling en kleurcombinatie de ongeschiktheid van de helling voor het aanbrengen van opschriften niet kan camoufleren. ‘Geen enkele reclame kan, uit welstandsoogpunt bezien, ter goedkeuring worden aanbevolen. Het is esthetisch niet verantwoord. Naar alle waarschijnlijkheid zal met het aanbrengen een ware wantoestand worden geschapen. Als met meer uitvoerig advies of bemoeienis in deze zaak enig gunstig effect kon worden bereikt, dan zou de Schoonheidscommissie ten zeerste bereid zijn deze te verstrekken. We hebben echter op 2 maart met nadruk ontraden reclame aan te brengen’, laat voorzitter Hielke Hoekstra per brief weten. Op 27 juni 1927 neemt de commissie in haar onderkomen aan de Mauritskade 9-11 tijdens de 327ste vergadering de beslissing de aangeboden advertenties niet te zullen beoordelen.
 
Van der Bilt
 
Zij blijkt niet de enige met bezwaar. Zo dient raadslid professor Cornelis Lodewijk van der Bilt, hoogleraar elektrotechniek, een motie in om geen reclame aan te brengen, maar vindt in de gemeenteraad iemand als wethouder Quant tegenover zich. Hij meent dat een kale muur lelijker is dan een die met reclames beschilderd zal zijn. “Voor een badplaats die toch al een beetje ‘kermisachtig’ is, wordt de ‘levendigheid’ door de verf die op de muur wordt gestreken nog wat vergroot”.
De motie van afkeuring wordt op maandag 23 mei 1927 met 32 tegen 6 stemmen verworpen. De plaatselijke VVV spreekt zijn ongenoegen uit in een brief waarbij ze aangeeft ‘dat de reclame het gehele beeld van onze mooie badplaats van zeezijde af, in hoge mate afbreuk dreigt te doen en zal meewerken om er een kermisachtig aanzien aan te geven’. Schilderkundig genootschap Pulchri Studio voorziet een grove ontsiering, terwijl Horecaf, het verbond van werkgevers in hotel-, restaurant-, café- en aanverwante bedrijven laat weten ‘zich absoluut niet te kunnen vinden in de plannen’. Dat geldt ook voor de Bond Heemschut, pleitbezorger ‘voor het behoud van het oude dat schoon is’. Vilmos Huszár, die in Voorburg woont, stuurt op 24 mei 1927 een notitie aan burgemeester en wethouders waarin hij aangeeft dat de beschildering van de muur slechts op één bepaalde manier tot een esthetisch geheel kan worden gebracht. ‘Iedereen die er zijn reclame geplaatst wenst te zien, moet zich verbinden aan het feit dat de grijze achtergrond van de muur als basis voor de tekening, het figuur of de letters dient. Alleen zo komt het tot één geheel’.
Het helpt niet. Reden voor Exploitatie Maatschappij Scheveningen om op 28 juli 1927 een brief naar het gemeentebestuur te sturen waarin ze ferm uithaalt naar de inmiddels aangebrachte janboel op de muur. De kwalificatie ‘wanstaltige muurbeschildering’, waarover ze spreekt, heeft direct te maken met de beoordeling van haar eigen reclames elders in Scheveningen. Zij meent dat er met twee maten wordt gemeten met als gevolg dat er blijkbaar minder strenge voorwaarden worden gesteld aan de muurschilderingen op de Boulevard dan aan de reclames op haar gebouwen zoals op Palais de Danse. Pijnlijk daarbij is, dat onderzoek uitwijst dat de E.M.S. financieel veel meer aan haar advertenties overhoudt dan de gemeente. De Schoonheidscommissie mengt zich in dit geschil. In een schrijven aan het gemeentebestuur laat ze weten het ten zeerste te zullen betreuren indien Exploitatie Maatschappij Scheveningen gevolg geeft aan haar voornemen haar, tot nu toe zeer loyale houding bij het bevorderen van de welstand op haar terrein, te laten varen. Daarom zal de Schoonheidscommissie het toejuichen als, eventueel door toezegging van een zo spoedig mogelijke verwijdering van bedoelde reclames op de Boulevard, de exploitatiemaatschappij weer in het spoor van hare prijzenswaardige medewerking kan worden teruggebracht’.
Probleem voor de gemeente is, dat niets zomaar is terug te draaien. Het contract is getekend en ontbinding gaat de gemeente te veel geld kosten. Tijdens een raadsvergadering wordt aan de leden voorgerekend dat de schadevergoeding die dan aan Segboer moet worden betaald twee maal 7.000 gulden (€ 3.176) bedraagt. Daarbij komt nog eens 20.000 gulden (€ 9.075) waarop de opbrengst van de muur is geraamd. ‘En behalve dat hij dan verder moet worden afgemaakt met drie trapsgewijze plateau’s, waarvan de kosten rond de 25.000 gulden (€ 11.344) liggen, zijn er al veel aanvragen van firma’s bij de heer Segboer binnengekomen’, aldus wethouder Quant.
Na het eerste seizoen moet het gemeentebestuur toegeven dat de reclames op de muur niet in alle opzichten geslaagd zijn. Burgemeester Jacob Adriaan Nicolaas Patijn: “De oorzaak daarvan is te zoeken in de omstandigheid. De tijd heeft ontbroken om de uiteenlopende verlangens der gegadigden, die zich soms met vrij grote tussenpozen aanmeldden, in een stijlvol geheel te verenigen. Indien de muur na het eindigen van de overeenkomst opnieuw als reclameruimte zal worden verpacht, is het streven een meer bevredigend effect te bereiken”.
 
Pers
 
Uitgever Segboer kan aan het einde van 1929 niet terugkijken op een succes. De twee contractjaren hebben hem namelijk een nadelig saldo opgeleverd. Hij heeft weliswaar f 15.977,50 (€ 7.250) aan opbrengsten geïnd, maar daarvan heeft hij 13.532 gulden (€ 6.140) aan de gemeente moeten afdragen. De overgebleven f 2.445,50 (€ 1.110) blijken niet genoeg om zijn acquisitiekosten te dekken. Voor het laatste seizoen heeft Segboer twintig reclame-overeenkomsten weten af te sluiten. Daarbij legt het automobielbedrijf van directeur Wilhelm Carl Theodor Wiemann, gevestigd aan de Houtweg 7 in
’s-Gravenhage het meeste in. De bekende sportman die successen boekt met Mercedes en begin jaren twintig tijdens een K.M.-wedstrijd voor een grote sensatie in Scheveningen zorgt door op de Boulevard met zijn renwagen een topsnelheid van meer dan 160 km te bereiken, betaalt 1000 gulden
(€ 454) voor zijn advertentie. Andere klanten zijn Swarttouw uit Delft (f 350/€ 159), Ter Hall uit Rijswijk (f 200/€ 91), Boekholt uit Amsterdam (f 250/€ 113) en de Bijenkorf (f 800/€ 363) en Batenburg (f 500/€ 227) uit Den Haag. De totale opbrengst bedraagt f 7.062,50 (€ 3.205). Volgens Arie Segboer had er een beter resultaat uit kunnen rollen. Hij laat het gemeentebestuur weten: “Wij betreuren het ten zeerste dat wij, grotendeels door tegenwerking van de pers, geen betere opbrengst hebben kunnen bereiken”.
Die dagbladen en tijdschriften zijn niet mild in hun kijk op de zaak. Eén van hen meldt ‘Nu er een paar reclames zijn aangebracht kan eenieder er zich pas goed rekenschap van geven wat een onzalig denkbeeld het van B&W is geweest deze plek voor reclamevlakte te bestemmen en van de raad om er zijn goedkeuring aan te hechten. Het is in één woord monsterachtig’.
Niet onlogisch is dat de uitgever niet langer onder de oude voorwaarden de muur wil pachten. In het nieuwe voorstel, dat hij begin februari 1929 indient, staat, dat hij zich wil belasten met de exploitatie tegen een provisie van dertig procent zonder vaststelling van een minimumbedrag. “Door het aan mij over te laten, word ik in de gelegenheid gesteld de bij de eerste exploitatie verworven relaties te benutten en zo mogelijk iets van de geleden schade goed te maken”.

De door ir. Pieter Bakker Schut bedachte indeling. Op de nieuwe muur wordt tussen de pilasters één reclame afgewisseld met twee kleinere advertenties.                                                Tekening: archief.




Directeur Pieter Bakker Schut meent dat dit voor de gemeente niet aantrekkelijk is. Hij stelt voor het beheer in eigen hand te nemen. “Vooralsnog heeft de muur in de proefperiode zo’n 7.000 gulden
(€ 3.630) per jaar opgeleverd. Maar doordat er op dit moment nieuwe plannen voor het gebied worden ontwikkeld, is het niet mogelijk meerjarige overeenkomsten af te sluiten. Hierdoor zal de gemiddelde ontvangst, ondanks dat de duur met een maand, tot zeven maanden wordt verlengd, lager liggen. Stel dat het 5.000 gulden (€ 2.269) is. Dan ontvangt Segboer voor zijn zeer geringe bemoeienis toch nog 1.500 gulden (€ 680) provisie van de gemeente. Daartoe bestaat volgens mij geen enkele aanleiding”.
Het gevolg is, dat het gemeentebestuur de afdeling Openbare Werken, onderdeel van de dienst Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting, het recht verleent rechtstreeks aan gegadigden te verhuren en met hen contracten af te sluiten. Een afzonderlijk raadsbesluit blijkt hiervoor niet nodig te zijn aangezien het bestuur op basis van een machtiging van 22 oktober 1928 (bijlage nr. 690), tot verhuur bevoegd is. Het probleem dat de Schoonheidscommissie weigert advies over de ingebrachte advertenties uit te brengen wordt door ir. Bakker Schut eenvoudig opgelost. Hij neemt de beoordeling in eigen hand.
 
Kiosken
 
Medelijden hebben met Arie Segboer is niet echt nodig. Dat hij in 1927 voor de pacht van de muur kiest, houdt direct verband met de exploitatie van vijf kiosken op het trottoir aan de zeezijde van de Strandweg, middels zijn Haagsche Kiosk Onderneming. Daar wordt van 1 mei tot en met 30 september dankzij de verkoop van onder meer dagbladen, tijdschriften, tabak, bloemen en prentbriefkaarten elk seizoen een flinke winst geboekt. Toch legt de directeur na een aantal jaren een klaagt neer bij het gemeentebestuur over het ongeoorloofd venten dat op de Boulevard in Scheveningen gebeurt. Hoewel het verboden is, snellen de venters, zodra ze bemerken dat badgasten briefkaarten wensen te kopen, naar zijn onderkomens in de hoop hun waar aan de bezoekers kwijt te raken. De gemeente biedt geen oplossing, behalve het cliché een en ander nog scherper in de gaten te zullen houden. Segboer pacht de onderkomens vanaf 1922 van Maatschappij Zeebad Scheveningen. De onderneming heeft strenge regels opgelegd gekregen. Zo is het verboden om eet- en drinkwaren in de kiosken te verkopen. De gebouwtjes, welke het karakter van een getimmerte dragen, moeten zijn gemaakt volgens de door burgemeester en wethouders goedgekeurde tekening.
Ontwerp van een kiosk.            Tekening: archief.
Zij moeten ten genoegen van de directeur Gemeente-werken door de maatschappij worden onderhouden. In de kiosken mag slechts worden verkocht op de uren waarop, volgens artikel 1 der Verordening op de Winkelsluiting, het geoorloofd is winkels voor het publiek geopend te hebben. En dan moet er ook worden betaald voor de plaats die de kiosken jaarlijks op gemeentegrond innemen. De gebouwtjes zijn 3.17 m2. Daarvoor moet 40 gulden (€ 18) worden neer-geteld, dus in totaal 200 gulden (€ 91). Dat bedrag moet voor 1 mei worden betaald aan de gemeente-ontvanger die is gevestigd in de Alexanderstraat 2.
Naast inkomsten die worden verdiend met de
verkoop van allerhande producten aan binnen- en buitenlandse badgasten, komt er ook geld binnen middels de op de vijf kiosken geplaatste advertenties. De vergoeding die de maatschappij aan de afdeling reclame van de Dienst der Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting (Van Speykstraat 75) voor het aanbrengen moet betalen is 500 gulden (€ 227) per seizoen. Eind 1925 blijkt dit niet langer haalbaar. Francis Frederik Hendrik van Gheel Gildemeester, directeur-generaal van Maatschappij Zeebad Scheveningen, verzoekt een verlaging tot 200 gulden
(€ 91) ‘omdat gebleken is dat, gezien de grote onkosten en de te betalen hoge provisies voor het aanbrengen van dergelijke reclame-orders het door uw college gevorderde bedrag te hoog is, zodat een redelijke winst niet is te maken’. Voor de vijf verschillende advertenties, waarvan er op elke kiosk een aan de bovenkant wordt aangebracht, gaat de maatschappij vanaf 1926 een bedrag van 400 gulden
(€ 181) per seizoen betalen. Het gaat in alle gevallen om sigarettenmerken te weten Clysma, Soussa, Maspero, Players en Three Castles. De ingezonden tekeningen dragen, ter goedkeuring, de handtekening van Vilmos Huszar. Ook Julius Luthman, commissie C-voorzitter van de Schoonheids-commissie laat in zijn schrijven weten geen enkel bezwaar te hebben tegen de ontwerpen en dus het aanbrengen ervan. Dat geldt eveneens voor het Gemeentelijk Bouw- en Woningtoezicht en voor Gemeentewerken. “Bij mij bestaan geen bedenkingen mits het bevestigen van de reclameborden wordt
                                                                                              uitgevoerd ten genoegen van mijn directie”,  
Voorbeeld van een reclamebord.          Tekening: archief.
   aldus dr. Jan Lely.
   Ondertussen wordt er volop nagedacht over
   een nieuw uiterlijk voor het parkeerterrein en
   de muur. Uitgangspunt is een esthetisch en
   technisch meer bevredigende toestand ter
   plaatse te scheppen. In maart 1929 wordt
   gekozen voor een rechtstandige muur. Er
   vinden besprekingen plaats tussen Fred
   Quant, wethouder van Openbare Werken,
   mr. Edouard Polis, directeur van de N.V.
 Exploitatie Maatschappij Scheveningen, ir. Pieter Bakker Schut, directeur van Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting en dr. Jan Lely, directeur Gemeentewerken. Zij menen dat het een tweeledig project moet worden. Wenselijk daarbij is eerst een terras met voorliggende muur voor het Grand Hotel aan te leggen. De N.V. Exploitatie Maatschappij Scheveningen heeft interesse dit terras te huren. Opmerkelijk in het nieuwe ontwerp voor het parkeerterrein is, dat in de muur zo'n 36 boxen als autostalling zijn voorzien. Het plan wordt al snel naar de prullenbak verwezen. Kortgezegd komt het er namelijk op neer dat, in verband met het in- en uitrijden, het totaal aan nuttige parkeerruimte wordt verminderd in plaats van vermeerderd. Bovendien komt door de ongeveer zes meter lengte, die voor elke box nodig is, de achterkant zeer dicht in de buurt van de voorgevel van het Grand Hotel, wat niet zonder bedenkingen is voor de stabiliteit van het gebouw. En behalve de hoge kosten die het vervaardigen met zich meebrengt, ontraadt ook de politie, in verband met de verkeersveiligheid, de bouw. Voorzien in de nieuwe aanleg zijn twee kleine wachthuisjes aan de in- en uitgang en een servicestation met toiletten bij de inrit. De bedoeling is het gebouwtje uit te rusten met enige urinoirs die zomer en winter kunnen worden gebruikt. Daarnaast moet er ook een aparte toiletinrichting komen met wc’s voor dames en heren welke alleen gedurende het seizoen zal worden geëxploiteerd.
Aangezien de
Ontwerp van de nieuwe parkeergelegenheid met rechte muur.    Tekening archief.
betonafdekking van het talud voor het Grand Hotel vanaf het begin een tijdelijk karakter heeft gedragen, ligt het kiezen voor een definitieve oplos-sing voor de hand, ook omdat het de onderhoudskosten zal reduceren. De keuze voor een rechte muur betekent dat er een aangenamer uiterlijk ontstaat en de eventueel aan te brengen reclame in vakken kan worden ingedeeld. Berekeningen geven aan dat het zal gaan om tien vakken variërend van twee tot vier meter in hoogte en twintig tot 21,5 meter in breedte. Vraag is hoe die vakken, vanuit esthetisch oogpunt gezien, verhuurd gaan worden. Directeur Pieter Bakker Schut betwijfelt of elk vak in zijn geheel door één reclame in beslag zal worden genomen. Zijn ideaalbeeld is, ook om kleinere zakenmensen een kans te geven, de verhuur in een op te delen vlak af te wisselen met een vlak dat door slechts één reclame in beslag wordt genomen. Om harmonie te creëren moet de gemeente vooraf bepalen welke kleur als achtergrond zal dienen. Hij ziet daarin een belangrijke taak weggelegd voor de Schoonheidscommissie, ‘maar deze wenst zich te onthouden een oordeel over de aan te brengen reclame uit te spreken. Ik acht om die reden de beste oplossing de beoordeling voor te leggen aan een bevoegd decorateur in overleg met de ontwerper van de muur’.
Voor de beoordeling van de reclames op esthetische waarde kiest de gemeente Antoon Pet. De architect, die bij de dienst Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting werkt, is de ontwerper van het nieuwe parkeerterrein. Na zijn pensionering in mei 1950 wordt deze functie overgenomen door ir. Frits van der Sluys, die vanaf 1956 als directeur Stadsontwikkeling volop meedenkt over de ontplooiing van Scheveningen. Dat het herscheppen van muur en parkeerterrein tijd nodig heeft, is onder meer te danken aan timmerman en gemeenteraadslid Isaac van der Loo. Zijn inbreng, als de plannen al in een vergevorderd stadium verkeren, is de aanleg van een weg voor doorgaand wandelverkeer. Deze moet komen onder het te verhuren terras doch boven het parkeerterrein, op ongeveer halve hoogte. Gebleken is dat die weg zeer goed uitvoerbaar is. Aangenaam daarbij is, dat het publiek zijn wandeling behoudt, maar ook dat het parkeerterrein niet behoeft te worden verkleind, terwijl tevens het terras voor het Grand Hotel niet smaller hoeft te worden gemaakt. Het voor het hotel liggende gedeelte van de Zeekant kan namelijk zonder bezwaar bij het terras worden gevoegd. Aan de strandzijde kan de weg door middel van enkele treden worden bereikt. Op dit punt wordt een kleine uitbouw ontworpen, die een aardig zitje voor het publiek oplevert. Beneden is een urinoir voor chauffeurs te vinden. Op het dak van het servicestation aan het zuidwestelijk einde van het parkeerterrein is ook een zitje ontworpen. Zowel langs het terras voor het hotel als langs het nieuw aan te leggen pad moet een lage borstwering komen. Het voorstel wordt op 30 juni 1930 aangenomen.
 
Openbare inschrijving
 
Echt goedkoop is het niet. De begroting laat een bedrag van 220.000 gulden (€ 99.000) zien, maar daarbij is inbegrepen het laagje beton dat over de keibestrating komt te liggen waardoor een effen vlak wordt bereikt op het parkeerterrein. Om een deel van de investering terug te verdienen, besluiten burgemeester en wethouders om het parkeerterrein met zijn servicestation en toiletinrichting bij openbare inschrijving te verhuren. Het eerste jaar gaat dat, vanwege alle werkzaamheden niet. Theo Offerman mag van 15 april tot en met 31 december 1930 onder de oude voorwaarden huurder blijven. Halverwege het jaar krijgt hij van B&W de aanbieding 760 m2 gemeentegrond aan de Kijkduinsestraat in Kijkduin (gemeente Loosduinen) voor drie jaar te huren tegen een prijs van 125 gulden (€ 56) per jaar ten einde deze in te richten en te gebruiken als parkeerterrein. Er zijn voor Offerman wel kosten verbonden aan het in orde brengen. Er is namelijk een afgraving van ongeveer een meter nodig om hem op gelijke hoogte te krijgen met de aangrenzende straat, de Zandvoortse laan. Theo Offerman laat weten deze kosten geheel voor zijn rekening te nemen. Jammer blijft, dat hij er niet volop van heeft kunnen genieten, want de ex-chauffeur overlijdt, 56 jaar oud, op 23 november 1932.

Blik op de Boulevard. Op het bovenste deel van de muur (rechts) komen reclames.    Tekening: archief.







Met de N.V. Exploitatie Maatschappij Scheveningen wordt voor het terras in principe een overeenkomst van 25 jaar afgesloten. Dat als einddatum van de huur van 4.000 gulden (€ 1.800) per jaar, 31 december 1955 geldt, komt omdat op die datum ook de erfpacht van de gemeentegrond, waarop het hotel staat, afloopt. Afgesproken wordt die huur bij vooruitbetaling te voldoen in halfjaarlijkse termijnen.
Twistpunt blijven de reclames. Dr. Jan Lely wijkt niet van zijn standpunt af de muur geheel zonder advertenties te laten aangezien deze niet in overeenstemming zijn met het karakter van de Boulevard. Burgemeester en wethouders denken daar ook nu anders over. Gevolg is, dat het besluit wordt genomen, dat op het bovenste deel van de onderste muur, reclames kunnen worden aangebracht. ‘In vakken ingedeeld zullen ze op deze loodrechte muur zeker niet misstaan’ is het idee. Al snel blijkt dat mr. Edouard Polis, directeur N.V. Exploitatie Maatschappij Scheveningen, interesse heeft de muur te huren voor 10.000 gulden (€ 4.500) per jaar plus een vergoeding van vijftig procent van hetgeen de exploitatie der reclamevakken meer opbrengt dan 4000 gulden (€ 1.800) netto per jaar. Het gaat niet door, want de verhuur komt in december 1932 in handen van de dienst Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting. In februari 1934 meldt directeur Pieter Bakker Schut vol enthousiasme hoe voortvarend die verhuur is verlopen. ‘De minimum huurprijs is 350 gulden (€ 157) per jaar per vak. Op een na zijn alle vakken verhuurt tegen prijzen die variëren van 450 gulden (€ 202) bij een contract van een jaar tot 400 gulden (€ 180) per twee jaar en 375 (€ 169) of 350 gulden bij een driejarige overeenkomst. Vak 7 is door een minder gunstige ligging achter een ver naar voren springende pilaster niet te verhuren geweest. Reden voor mij om hem te laten beschilderen om zo een goed geheel van de muur zoveel mogelijk te bevorderen. Met enige trots kan ik nu melden dat het mij is gelukt om ook voor dit vak een gegadigde te vinden. Het gaat om de N.V. Internationale Automobiel Maatschappij uit de Scheldestraat 2. Het bedrijf wil een overeenkomst voor drie jaar sluiten tegen een prijs van 1000 gulden (€ 450) die vooruit wordt betaald. Hoewel dit bedrag 50 gulden (€ 22) lager ligt dat de minimumprijs is het acceptabel’. Het college is het met hem eens waardoor ir. Bakker Schut het contract kan afsluiten. Hoewel de directeur ook de vijf in de muur aangebrachte pilasters had willen benutten voor vooral kleine reclames, krijgt hij daarvoor geen toestemming.
Het verhuren van de grote vlakken is, zeker de eerste jaren, geen probleem. Steeds opnieuw kiezen bedrijven voor een advertentie die het volledige vlak in beslag neemt. Het gaat dan bijvoorbeeld om Krul bonbons, Hotel-kasteel Oud Wassenaar, het Duitse automerk Horch, Sinclair benzine, Pall Mall sigaretten, het schoonmaakbedrijf Cemsto en Het Warenhuis uit de Spuistraat.
Voor het pachten van het parkeerterrein melden zich op 23 maart 1931 veertien gegadigden in de oude raadszaal van het stadhuis aan de Groenmarkt. Willem van der Zwan wordt de nieuwe pachter. Hij is bereid 9.500 gulden (€ 4.275) per jaar te betalen voor zowel het parkeerterrein met servicestation aan de Strandweg, als voor de openbare toiletinrichting. In juli 1932 vraagt hij om een verlaging. “Voor het plusminus 100 meter verderop gelegen Palais de Danse worden vrijwel dagelijks twintig tot dertig auto’s op het trottoir geparkeerd”, laat hij weten. “Bij de inschrijving werd mij verzekerd dat er streng de hand zou worden gehouden aan het fout parkeren. Er staan ook overal paaltjes met de bordjes ‘niet parkeren’ ook achter het Kurhaus, maar aan dat verbod wordt niet de hand gehouden. Door de slechte tijdsomstandigheden wordt er ook minder geparkeerd. Ik vraag om een vermindering van mijn pachtsom van 8.500 gulden (€ 3.825) met 3.000 gulden (€ 1.350)”.
De gemeenteraad laat het niet zover komen. Voor het seizoen 1933 wordt besloten geen enkele parkeergelegenheid meer te verpachten. Voor alle gemeenteterreinen worden bewakers aangesteld die kenbaar zijn door een platte uniformpet met het opschrift ‘autobewaker’ en een geëmailleerde plaat op de borst. Het tarief wordt vastgesteld op tien cent per auto ongeacht de tijd dat hij staat geparkeerd. Voor het Grand Hotel op de Boulevard moet vijftien cent worden betaald. Het verschil houdt volgens een woordvoerder verband met de hoge kosten welke de aanleg van het terrein heeft gevergd. Afgesproken wordt de parkeerterreinen te bewaken van negen uur ’s ochtends tot een uur ’s nachts.
 
Geschonden dorp
 
De Tweede Wereldoorlog zorgt ervoor dat van het terrein weinig overblijft. In 1946 stelt de gemeenteraad ietwat teleurgesteld vast dat het niet mogelijk is om in een jaar tijd van een geschonden dorp weer een aantrekkelijk vakantieverblijf te maken. Daar gaan uiteindelijk wat jaren overheen. Zo stagneert de restauratie van het Grand Hotel en moet in 1949 worden vastgesteld dat het Oranje Hotel er nog even verwaarloosd en geschonden uitziet als het net na de oorlog werd aangetroffen. In 1946 blijkt bij het deels slopen van de betonmuur dat er twee schuttersopstellingen in de fundering zijn gevat. Het is iets dat volgens ir. Pieter Bakker Schut niet vooraf kon worden geconstateerd. De Nederlandsche Basalt Maatschappij uit Zaandam die als de laagste inschrijfster het werk voor 44.600 gulden (€ 8.635) heeft aangenomen, vraagt aan het College van Algemeene Commissarissen van den Wederopbouw, gevestigd aan de Van Alkemadelaan 350, een extra bedrag van 3.705 gulden (€ 1.630). Dat de muur met de sloop flinke schade oploopt, wordt niet door die paar overgebleven adverteerders gewaardeerd. Rudolf Blik, eigenaar van een elektrische apparaten en metaalwarenhuis uit de Waldorpstraat 38 – 44, die twee muurvlakken huurt, constateert dat door de herstelwerkzaamheden zijn reclame geheel moet worden gerestaureerd. ‘En aangezien dit van buitengewone aard is, ontstaan er extra kosten. Hopelijk wordt er een oplossing gevonden’, laat hij per brief weten. Gevolg is, dat hij voor de twee reclamevlakken in het eerste jaar 450 gulden (€ 198) ofwel 225 gulden per stuk betaalt. In de drie jaren die daarop volgen, telt hij 900 gulden (€ 396) ofwel 450 gulden per stuk per jaar neer. De gemiddelde huurprijs per vlak is op dat moment 600 gulden  
(€ 264) per twaalf maanden.
Badgasten in Scheveningen. Tekening: Carlo Jung.
Na voltooiing keren ook de advertenties op de muur terug, al zijn er, net als eind jaren dertig, vaker lege plekken. In juni 1949 komt vast te staan dat de laatste maanden moeilijkheden worden ondervonden met niet alleen het verhuren maar ook met het invorderen van huursommen. Het bedrijfs- en zakenleven blijkt duidelijk te bezuinigen op de uitgaven voor reclames. Gevolg is, dat besloten wordt tot lagere prijzen en een ruimere afbetalingstermijn.
Ondertussen is er, mede door de snelle voortgang in rijkswegen, de toename in autoverkeer. In de tweede helft van de jaren vijftig bezorgt die ontwikkeling de gemeenteraad hoofdbrekens. Niet alleen is er de vraag wat de beste oplossingen zijn om het autotoerisme soepel door de badplaats te loodsen. Ook het enorme gebrek aan parkeercapaciteit speelt een belangrijke rol. Waar is die ruimte in dit kleine dorp te vinden! Heel Scheveningen wordt doorgelicht. Het gevolg is dat een voormalige garage in de Gevers Deynootstraat en de muren en fundering van een vervallen huis in de Harstenhoekstraat worden afgebroken en worden omgevormd tot een parkeergelegenheid, maar een echt passende oplossing blijft vooralsnog achterwege. Hubertus Johannes Marie van der Heijden doet ondertussen goede zaken. Als pachter van het servicestation op het (vernieuwde) parkeerterrein aan de Strandweg, tegenover de Harteveltstraat, krijgt hij in 1958 dan ook vergunning tot het uitbreiden en wijzigen van het laad- en smeerstation en het plaatsen van door elektromotoren gedreven aftapinrichtingen voor benzine en diesel.
Het advertentieaanbod lijkt begin jaren zestig terug te keren naar het oude niveau. Dat is echter maar van korte duur. Mogelijk omdat de intensieve manier van werven, waarvan in de eerste jaren sprake was, nu volledig vervangen lijkt door de wens een uitgelezen recreatief centrum aan zee te bouwen. Pijnlijk is, dat brandstichting, zo constateert de politie, in bijvoorbeeld het Grand Hotel, maar ook het Palais de Danse, die vernieuwingsdrang een zetje in de goede richting lijkt te moeten geven. De gebouwen afbreken ligt vervolgens niet alleen voor de hand, maar gebeurt ook.

Het nieuwe Scheveningen met de hoogbouw van het Princelandt-complex (midden). Tekening: archief.




Wie de nieuwbouw nu bekijkt zal constateren dat er van architectonische speelsheid en creativiteit nauwelijks sprake is. Hoogbouw lijkt het kenmerk van het nieuwe Scheveningen. Ondertussen blijft de natuur zijn eigen rol kiezen. Zo is er in januari 1976 een zware storm met windstoten tot 100 kilometer per uur. Gevolg is dat heel Scheveningen wordt bedolven onder een flinke laag zand. De hele Boulevard moet worden afgesloten. Om de kustplaats nog beter te wapenen tegen het zeewater krijgt de muur een nieuwe bekleding. En daarmee komt er een einde aan de reclames. De nieuwe bedekking op het gewapend beton is er namelijk niet geschikt voor.
Opmerkelijk aan die verandering is wel dat de advertenties geruisloos verdwijnen. De enorme ophef die bij het aanbrengen van de eerste exemplaren ontstond, is bij het weghalen volledig afwezig. Nergens klinkt een vreugdekreet of is er een mededeling over hoezeer de badplaats zijn uiterlijke charme heeft teruggekregen. In de gemeenteraad wordt door geen enkele partij gereageerd. Kranten en tijdschriften maken er geen letter aan vuil en ook de organisaties, die eind jaren twintig op de eerste rij stonden, laten niets van zich horen. Blijkbaar zijn de ideeën over het nieuwe Scheveningen nu de aandachttrekkers geworden.

© Haags Nieuws Bureau 2024 

maandag 14 juni 2021

Fles als strandtent

 

Een nooit geplaatste fles

door Hans Piët

DEN HAAG – Als ondernemer is het starten van een bedrijf, dan wel het uitbouwen ervan geen eenvoudige zaak. Zeker bij de keuze van een net iets andere aanpak. Ook in de Residentie is er dan de confrontatie met een gemeenteapparaat dat zich weinig flexibel opstelt. Er zijn regels en daar dient iedereen zich aan te houden. Kiezen voor een uitzondering wordt zelfs niet overwogen, want als er een schaap over de dam is, volgen er meerdere. Wie vermoedt dat dit protocol er een van de laatste jaren is, zal bij het terugbladeren in de Haagse geschiedenis vaststellen dat het al honderden jaren speelt.
Een voorbeeld uit die lange reeks is terug te vinden in de jaren dertig van de vorige eeuw. De jaren van de grote depressie met haar enorme werkloosheid. In zo’n klimaat lijkt het stimuleren van de economie prioriteit. De geschiedenis leert echter dat Haagse ambtenaren daar heel anders over dachten. Het gevolg van die stugge houding is, dat het zomerseizoen van 1933 een belangrijke toeristische trek-
 Krantenadvertentie van het roomijs dat iedere huisvrouw
 haar gasten zou moeten aanbieden.                    Foto: PR.

pleister misloopt.
Melkinrichting De Nieuwe Landbouw, op 28 januari 1925 bij koninklijk besluit goedgekeurd en ontstaan uit het samensmelten van de bedrijven De Landbouw en De Hoop, heeft namelijk plannen om op het Stille Strand in Scheveningen een plaats te verwerven. Het bedrijf van de in 1874 in Soerabaja geboren directeur Herman Beer kiest daarbij voor een verrassend onderkomen. Dat de melkinrichting heel creatief is in het zichzelf aan klanten presenteren, bewijzen onder meer de krantenadvertenties waarin de letters N en L - niet alleen verwijzend 
naar De Nieuwe Landbouw maar ook naar een worstelend Nederland - een centrale rol spelen. Zo worden producten als room, yoghurt, en eieren in die reclames omschreven als N(ergens) L(ekkerder). Beer, afkomstig uit Amsterdam, maar inmiddels woonachtig aan de Van Merlestraat 102, wil met die publicaties tevens een melkmonopolie in Den Haag voorkomen en Rotterdammers buiten de deur houden. ‘Bent u het daar mee eens betrek dan uw melkproducten van de N.V. De Nieuwe Landbouw. Zo werkt u mee aan het handhaven van de vrije concurrentie in Den Haag’.
 
Roomijs
 
Waar de melkinrichting vooral trots op is, is haar roomijs. Zij is de eerste die haar klanten drie kleuren ijs kan aanbieden. Bovendien heeft de firma ook hygiënisch verpakte vanille- en chocoladewafels in haar assortiment. Hoewel er in de zomer in de Haagse straten wordt rondgereden met opvallende ijscarriers, hoeft de huisvrouw, bij het mislopen ervan, niet naar de winkel in de Stevinstraat 1, het filiaal in de Piet Heinstraat 51A (op de hoek met de Jacob van der Doesstraat) en later het onderkomen in de Wassenaarsestraat 127 in Scheveningen, te komen. ‘U belt ons even en wij bezorgen het bij u
  Het drie kleuren ijs dat in de zomer bij de voordeur wordt
   afgeleverd door de zogenoemde wijkknechten.  Foto: PR. 

thuis op elk gewenst uur van de dag’.
Het bedrijf heeft er speciale, zogenoemde wijkknechten voor in dienst, die niet alleen Den Haag, maar bijvoorbeeld ook Wassenaar en Loosduinen bedienen. Een halve liter ijs kost 70 cent. Voor een liter moet 125 cent worden neergeteld. Om die dienst te kunnen aanbieden is wel een verklaring nodig van de directeur van de Keuringdienst van Waren voor het gebied 's-Gravenhage. Voldoet de aanvraag niet aan het Consumptie-ijsbesluit van 1929 (nr. 321) en 1930 (nr. 476) dan is het bereiden, vervoeren, behandelen of in voorraad hebben verboden.
Hoewel het met bijvoorbeeld de in 1879 begonnen firma De Sierkan om een stevige concurrent gaat, doet De Nieuwe Landbouw, met een bedrijfskapitaal van 100.000 gulden, goede zaken. Gevestigd aan de Noord-West Buitensingel 50 in Den Haag krijgt de naamloze vennootschap in 1931 van burgemeester & wethouders toestemming tot het uitbreiden van de door elektromotoren gedreven zuivelinrichting met stoomketel in perceel Noord-West Buitensingel 51. Wat De Nieuwe Landbouw bij velen populair maakt, is de prijs van haar boter, die zo’n tien cent per pond lager is dan bij concurren-ten. Zo kan ze Delftsche grasboter aanbieden voor 80 cent per pond en verse Australische grasroom-boter voor 55 cent per 5 ons. Al die boter is alleen te koop in de groothandel (tevens filiaal) die is gevestigd in de Piet Heinstraat 51A.
Begin 1933 wil het bedrijf, dat handelt in zuivelproducten, fijne vleeswaren en conserven, zijn inkomsten nog wat stimuleren en bedenkt een uit hout opgetrokken flesvorm. In afmeting is deze 7 meter hoog en 3 meter in doorsnede. Volgens Herman Beer, getrouwd met de in Italië geboren Emma Giulia Longo en vader van twee kinderen, is het geen zitgelegenheid. Hij dient slechts voor de verkoop aan voorbijgangers van melk per glas, gazeuse dranken als sodawater en consumptie-ijs. ‘De aan te wijzen plaats op het Stille Strand laat ik graag aan uw college over’, schrijft hij.
In dezelfde brief van 17 mei 1933 merkt hij op voor nog drie andere plaatsen in Den Haag in aanmerking te willen komen namelijk de Duinlaan bij het eindpunt van buslijn M (Kijkduin), de Benoordenhoutseweg bij halte ‘Boschhek’, tegenover het benzinestation, en de Loosduinsekade hoek Apeldoornselaan.
 
Ludieke vondst
 
Hoewel Herman Beer, op 26 mei 1958 op 83-jarige leeftijd overleden, een foto van zijn fles meestuurt, wordt er op het stadhuis nauwelijks enthousiast gereageerd op deze, toch op zijn minst, ludieke vondst.
   De trekpleister, die in 1933 was bedoeld voor het Stille Strand.  Foto: PR.

Op 29 mei volgt er een zakelijk antwoord. ‘We hebben vorig jaar al vergunningen ver-leend aan twee verver-singstenten op het Stille Strand. Een aan het einde van het pad in het verlengde van het Nieuwe Slag
.
Die plek was vergeven aan de heer J.W.C. Spaargaren. De andere plek, aan het einde van het pad in het verlengde van de Kwartellaan’.
Die standplaats was naar de heer S.T.M. Roodenrijs ge-gaan. Zodoende kunnen wij geen vrijheid vinden voor het plaatsen van nog meer van dergelijke tenten op genoemd strand en kunnen we aan het in uw brief gedaan verzoek niet voldoen’.
Wat de ambtenaar niet vermeld, is dat de beslissing om niet meer dan die twee tenten toe te laten al werd genomen op10 april 1932. Gevolg is, dat nog zes andere aanvragen voor een plek op hetzelfde Stille Strand ook worden afgewezen. Dirk Middelkoop van de Laan van Meerdervoort 26 onderstreept in zijn schrijven dat er van concurrentie geen sprake zal zijn omdat de tenten ver genoeg uit elkaar liggen. Pierre Henri de Cates uit de Rochussenstraat 75, die hoopt op het einde van de Kwartellaan terecht te komen schrijft: Ik heb die plaats heel hard nodig om voor mij en mijn gezin brood te verdienen’. De ambtenaar laat, aan al degenen die achter het net vissen, weten nog wel een standplaats voor een verversingstent beschikbaar te hebben aan het einde van de Kranenburgweg. ‘Nabij de Steigerweg. Mocht u in aanmerking willen komen dan moet u contact opnemen met de Dienst der Gemeentewerken aan het Groenewegje 171. Bij zijn brief aan De Nieuwe Landbouw voegt hij de alinea toe: Belangrijk is wel, op voorhand op te merken, dat ingevolge het bepaalde van artikel 11 der Verpachtigingsvoorwaarden de eventueel op te richten kiosk moet worden gebouwd overeenkomstig de door ons vastgestelde tekening. Dat betekent dat de in uw bezit zijnde kiosk niet kan worden geplaatst. Ook maken wij u er op attent dat een eventuele pacht aan de Kranenburgweg niet langer zal kunnen duren dan tot 31 december 1934’.
En hiermee stierf het op z’n minst grappige ontwerp een stille dood en was de poging van De Nieuwe Landbouw om op een positieve manier bij te dragen aan de groei in toerisme definitief van de baan.

Tekening die Dirk Middelkoop maakte om aan te tonen dat er van concurrentie geen sprake zou zijn. Behalve de al bestaande strandtenten, waarvan hij graag de tweede wilde pachten, is er tot aan Kijkduin slechts een politiepost en een kanoloods aanwezig.                                                              Tekening: PR.

© Haags Nieuws Bureau 2021






woensdag 11 november 2015

Volksvoedsel

Vis als volksvoedsel jubileert

door Hans Piët

DEN HAAG - Het blijft wonderlijk, dat het tot 1915 heeft geduurd, voordat vis ook regelmatig op het bord van de gewone man terecht kwam. Tot die tijd was het een delicatesse, vooral voorbehouden aan mensen met geld. "Vis eten is een kostbare zaak. Voor katvis betaal je een kaviaarprijs", concludeert de sociaal-democraat Leendert Hoejenbos (38) wat somber tijdens een Haagse gemeenteraadsvergadering in februari 1914. "Hierdoor is de smaak van bijvoorbeeld schelvis bij duizenden Hagenaars onbekend".
Wie de statistieken uit die periode bekijkt, verwacht een heel ander verhaal. De cijfers onderstrepen de status van Nederland als een land van vissers. Zo blijken de Noordzee en de Zuiderzee jaarlijks goed voor de vangst van zo'n 20 miljoen kilogram vis. Ruim voldoende om de meeste Nederlandse monden, tegen een schappelijke prijs, te vullen, zou je denken. Ook omdat de visser met die vangst geen wereldsalaris verdient. Hij krijgt (in 1913) gemiddeld 19,2 cent per kilo. Dat komt omdat de prijs van horsmakreel rond de 3 cent per kilo ligt. Spiering brengt 2 cent op, bot 14 cent en schol 25 cent per kilo. Dezelfde statistieken geven echter aan dat 62 procent naar het buitenland wordt geëxporteerd met Berlijn, Brussel, Parijs en Londen als belangrijkste ankerplaatsen. Het jaarverslag uit IJmuiden (een belangrijke vissersplaats in die periode) verklaart dat in 1914 met: 'Duitsland is bereid om meer geld uit te geven dan Nederland voor het 'Hollandse zeebanket'. Hier zien we opnieuw een verdere daling van de visverkoop'.
"Is ons volk nu werkelijk zo afkerig van visgebruik?". Joseph Bottemanne (40), hoofdinspecteur der zeevisserij, gelooft er niets van. Reden om onderzoek te doen met een lijvig rapport in februari 1914 als resultaat. Een van de conclusies luidt: 'de voedingswaarde van vis is van dien aard, dat uitbreiding van het gebruik aanbeveling verdient'.
Na het lezen komt het Ministerie van Binnenlandse Zaken direct in actie. Bij het leger start een proef met vis als voedingsmiddel. De middagmaaltijd bij de garderegimenten Grenadiers en Jagers bestaat in het vervolg uit kabeljauw. Tevens krijgen de Gedeputeerde Staten in alle provincies het verzoek de aandacht der gemeentebesturen te vestigen op het rapport. Het gebruik van vis in Nederland dient sterk te worden bevorderd. Elke gemeente mag zelf bepalen op welke manier zij de vis wil laten uitgroeien tot volksvoedsel. Een van de resultaten is, dat in 1915 het Centraal Bureau voor den Afzet van Visscherijproducten wordt opgericht. 

Snelle stappen

Niemand kan ontkennen, dat de Eerste Wereldoorlog (1914 - 1918) heeft bijgedragen aan snelle stappen in de goede richting. Zo legt Christiaan Cornelissen (50), als voorzitter van een combinatie van werkliedenorganisaties, in april 1915 aan de Haagse gemeenteraad uit, dat vlees thans door de arbeidende stand als weeldeartikel wordt beschouwd.

Situatietekening van de plaats waar de 'Kiosk 
voor de verkoop van visch' op het Newtonplein
   moet komen. Tekening: Haags Nieuws Bureau.   
"Menige inwoner kan er slechts spaarzaam gebruik van maken", betoogt hij. "Door het ingetreden oorlogsbestand stijgen de prijzen van vlees tot ongekende hoogte".
Vervolgens houdt hij een warm pleidooi voor het verkrijgbaar stellen door de gemeente van vis als volksvoedsel. Daarbij kan hij het niet laten de gemeenteraadsleden nog even fijntjes te wijzen op een plan uit 1913. In die periode pleit hun collega J.J. Verburg (Katholieke Staatspartij) voor de bouw van een nieuwe vismarkt tussen de Twentstraat en Kortenbosch, in het centrum van de Residentie. Die nieuwbouw wordt ingegeven door de praktijk dat vis snel bederft. Een goede en vooral hygiënische inrichting voor het verhandelen van grote partijen, maar ook voor de geringere verkoop aan particulieren, is dus essentieel en is in Den Haag niet aanwezig. De bestaande markt is een smerig zooitje. Verburg wil tevens viswinkels met koel- en ijsinrichtingen, die bovendien telefonisch bereikbaar zijn waardoor vragen van hotels, restaurants en particulieren dadelijk kunnen worden bevredigd. ''Anders krijg je, wat onlangs gebeurde, namelijk, dat een aantal vrachtwagens met haring, uit Scheveningen afkomstig, naar de vuilnisbelt moet omdat de aanvoer op dat ogenblik te groot was en een geschikte gelegenheid tot dadelijke verkoop ontbrak", aldus Verburg. "Met een goed functionerende vismarkt kun je duurdere vissoorten aan koopkrachtiger publiek slijten, terwijl ook de man met de kleine beurs er iets van zijn gading zal vinden. Hij kan voor 6 tot 8 cent per pond terecht en bij overvloedige aanvoer zelfs voor minder".
Ook Den Haag laat, begin vorige eeuw, zien over een zeer beperkt aantal viswinkels te beschikken. Omdat de waar heel snel onverkoopbaar is, wagen middenstanders zich er liever niet aan. Doen ze het wel, dan kiezen ze voor een kleine voorraad. Om daar vervolgens enige winst op te maken, moet het tegen een hoge prijs over de toonbank. En dat is geen stimulans om vis tot volksvoedsel te transformeren.
 De voorkant van de houten kiosk.
 Tekening:  
Haags Nieuws Bureau.
                                                   
Dat met de oorlog het verschil in prijs tussen vlees en vis flink oploopt, bewijzen de statistieken. Een Haagse woordvoerder laat begin 1915 weten dat een regeringsvarken tussen de 80 en 83 cent per kilo kost. "En de vrije varkens zijn nog duurder namelijk 1 gulden en 8 cent per kilo. De prijs van vis ligt veel lager. Schol kost slechts 8 cent per kilo. Voor schelvis betaalt u 10 cent en voor kabeljauw 12 cent per kilo".
Na de oproep van het ministerie gaan de verschillende gemeenten aan het werk. Uitgangspunt is de vis per gewicht en tegen een vaste prijs aan te bieden. Om de toonbankgang verder te stimuleren, wordt de koper een beknopte handleiding voor het bereiden geboden. In een poging de prijs zo laag mogelijk te houden, stelt de Vereeniging van Kleine, Stedelijke en Plattelandsgemeenten voor de vis groot in te kopen en tegen inkoopsprijs te bestellen bij het Centraal Bureau voor den afzet van Visscherijproducten. Een groot aantal gemeenten omarmt het plan. Dat dit niet altijd goed afloopt, blijkt op een dag in Wassenaar. De in IJmuiden opgekochte vis wordt nauwelijks verhandeld. Gelukkig biedt een groep welgestelde ingezetenen redding. Zij kopen de partij op, waardoor de gemeentebegroting sluitend blijft, en delen de vis uit aan behoeftige dorpsgenoten.

Kiosk   

Den Haag roept bij het uitwerken van haar plannen de hulp in van het Centraal Bureau voor de Zeevisscherij, dat in de stad is gevestigd. Zij is bereid de verkoop op zich te nemen. Om op te vallen in het straatbeeld wordt een 'kiosk voor de verkoop van visch' ontworpen. De uit hout opgetrokken behuizing (van 3.25 bij 2.70 meter) komt op een negental plaatsen in de Residentie te staan. "We kiezen daarbij bewust voor volksbuurten", aldus burgemeester Herman van Karnebeek , "zoals op het Newtonplein, de Brouwersgracht, Vaillantlaan en het Paul Krugerplein. De prijs van de verse vis, die dagelijks op een raambiljet in de kiosken is af te lezen, zal rond de 16 cent per kilo liggen. Ik denk dan aan vissoorten als de kleine schelvis, wijting, haring, schol, rog en schar. Het bureau staat garant voor de kwaliteit".
De burgemeester is er als de kippen bij om te verklaren, dat het bureau niet over de nodige fondsen beschikt om de kiosken te financieren. "De gemeente zorgt voor het oprichten en het beschikbaar stellen. De bedoeling is ze aan de exploitant te verhuren of te verkopen".
Of de kiosk een lang leven beschoren is, weet de 
Echt winstgevend bleek de viskiosk niet te zijn.
Tekening: Haags Nieuws Bureau.

burgervader niet. "Het is een nood-
maatregel. Zo is ook niet te zeggen
hoelang het Centraal Bureau voor de 
Zeevisscherij erbij betrokken zal zijn".
Het plaatsen levert geen problemen op. Binnen een maand is er toestemming van Bouw- en Woningtoezicht, waardoor op 28 juni 1915 de eerste kiosk de stad siert.
Nu, honderd jaar later, kan worden opgemerkt, dat die viskiosk geen blijvertje was. Hij is nergens in Den Haag meer terug te vinden, al is de visverkoop middels een kraam niet helemaal verloren gegaan. Een troost is misschien, dat de geschiedenis aangeeft hoe razend moeilijk het is om van zo'n kiosk een echt succes te maken. Een sprekend voorbeeld is de viskiosk, die was terug te vinden op het Sumatraplein. In de zomer van 1929 besloot de exploitant zijn huurovereenkomst met de gemeente niet meer te verlengen. Reden, ondanks een goede omzet, leverde de kiosk een jaarlijkse verliespost op van zo'n 2165 gulden.
Wel een blijvertje is de vis. De cijfers geven aan, wat Joseph Bottemanne al dacht: we zijn liefhebbers, al ging daar een aarzelende start aan vooraf. Cijfers tonen hoezeer de verschillende vissoorten voldoen als volksvoedsel. Zo werd er vorig jaar 47 miljoen kilo omgezet. Met gerookte zalm als favoriet.

© Haags Nieuws Bureau 2015