Posts tonen met het label Lindo. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Lindo. Alle posts tonen

donderdag 6 januari 2022

Trottoir

 

ZELFS DE KONINGIN MOET ERAAN GELOVEN

Van stoep naar trottoir

 door Hans Piët

DEN HAAG Het is ietwat moeilijk voor te stellen van een Hofstad, maar groots opgezet is het centrum van ’s-Gravenhage niet. Op een paar brede, veelal later aangelegde, lanen na vormen stegen (en hofjes) de hoofdmoot. Aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw begint dat een probleem te worden. De oorzaak is het fors toenemend verkeer en de komst van diverse (elektrische) trambanen, waarvan voetgangers vaak de dupe zijn. De oplossing die de Haagse gemeenteraad bedenkt, is het verwijderen van de voor het verkeer hinderlijke stoepen. En daarbij wordt zelfs koningin Wilhelmina niet gespaard.
Dat ingrijpen door burgemeester en wethouders ligt voor de hand. Kenmerkend voor de kom van de gemeente is namelijk, dat het gaat om (te) smalle stoepen, die bovendien op gelijke hoogte liggen met de rijweg en alleen worden gemarkeerd door een anders gekleurde stenenband. Daarbij telt de wijk een groot aantal kapitale huizen waarvan het deel dat als stoep zou kunnen functioneren, door de bewoner als eigenaar, is afgezet. Er staan palen (met gordingen), pilasters, hekken of, dankzij het architectonisch ontwerp, optreden met verdere toebehoren. Gevolg is, dat de voetganger de rijbaan moet kiezen om er langs te kunnen.
De gemeente besluit, dat het veiliger maken van de residentie alleen lukt wanneer de ondergrond van die stoepen in haar bezit komt. Op die manier kunnen ze worden verbouwd tot verhoogde trottoirs. Om dat doel te bereiken, wordt in de raadsvergadering van 15 mei 1885 een passend voorstel gedaan. Wat daarbij over het hoofd wordt gezien is, naast de financiële consequenties, dat het juridisch nog een hele klus kan zijn om het bezit te verwerven wanneer de eigenaar niet meewerkt. Op 2 juni 1885 wordt daar echter geheel aan voorbijgegaan. De raadsleden nemen het voorstel zonder hoofdelijke stemming aan. Zeven dagen later geeft ook Gedeputeerde Staten van Zuid Holland zijn goedkeuring. Uiteindelijk lijkt de praktijk uit te wijzen, dat een groeiend aantal eigenaren zijn stoep graag veranderd ziet in een trottoir. Ten grondslag hieraan ligt doorgaans het idee, dat het weggeven van die paar vierkante meter niet opweegt tegen de meerwaarde die de woning en daarmee de bewoner krijgt. Zo heeft het wel wat om aan familie, vrienden en kennissen te kunnen melden dat er tegenwoordig een trottoir voor de deur ligt. Bovendien is het verlaten van het pand een stuk veiliger geworden. Dankzij die reacties is bij burgemeester en wethouders het idee gerijpt de gemeenteraad te vragen of ze een machtiging mogen uitschrijven voor het kosteloos overnemen in eigendom van stoepen en de ondergrond daarvan. Voor zover deze laatste niet reeds in het bezit van de gemeente is. Als voorwaarden wordt gesteld, een bijzonder geval uitgezonderd, dat de gemeente alle kosten van de af te sluiten akte voor haar rekening neemt. Wie vermoedt dat ’s-Gravenhage daarmee in recordtempo tot een stad zonder stoepen wordt omgevormd, komt bedrogen uit. Tussen 1885 en 1917 gaat het om 106 are en 30 centiare, waarbij 1902 met 9 are en 31 centiare en 1905 met 12 are en 55 centiare de meeste trottoirs opleveren. Het dieptepunt wordt gevormd door 1915 met maar 84 centiare. In oktober 1923 telt Den Haag 1291 trottoirs.

Rechtbank

Dat er geen echte vaart achter zit, heeft, zeker later, met het spel te maken dat in de rechtbank moet worden gespeeld, wanneer de stoep niet uit vrije wil wordt afgestaan. Er is namelijk geen echte ondersteuning van de grondwet. Tegelijkertijd schiet ook de gemeenteverordening tekort. De artikelen zijn te algemeen. Zo verhaalt artikel 147 van de grondwet dat ‘niemand van zijn eigendom kan worden ontzet dan na voorafgaande verklaring bij de wet dat het algemeen nut de onteigening vordert’. Er moet dus steeds opnieuw specifiek worden aangegeven om wiens eigendom het gaat en wat de reden voor de onteigening is. In de regelgeving van de gemeente van 28 augustus 1851 ontbreekt eveneens enige helderheid waardoor bij een meningsverschil de gang naar de arrondissementsrechtbank voor de hand ligt. Pas op 4 november 1919 (Staatsblad 636), nadat de Haagse gemeenteraad er op 8 november 1918 per brief (met 71 bijlagen, waarvan 47 kadasteruittreksels) bij koningin Wilhelmina op heeft aangedrongen, wordt in de Tweede Kamer een op Den Haag gerichte onteigeningswet goedgekeurd. Hierin is het algemeen nut van het verkrijgen van eigendommen voor het aanleggen van trottoirs vastgelegd. Het gaat daarbij specifiek om stoepen in de straten die lopen van het zuidoosten naar het noordwesten van de stad ofwel van het station van de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij naar Scheveningen en om straten die zijn gesitueerd in de lijn van zuidwest naar noordoost oftewel van de Loosduinseweg naar de Bezuidenhoutseweg. In de eerste situatie zijn het minimaal 41 stoepen waarvan de meeste zich bevinden in de Zeestraat (21) en het Noordeinde (15). De tweede lijn telt in elk geval 14 stoepen, waarbij de meest hinderlijke voor voetgangers zijn gesitueerd in het Westeinde (7) en de Bezuidenhoutseweg (4).
Waar het bij de aangepaste wet kort gezegd op neer komt, is dat de juridische procedure wat minder tijd in beslag neemt. Dat komt onder meer omdat het gebied waarover het gaat, is vastgelegd en er in de rechtszaal niet eindeloos gediscussieerd hoeft te worden over de hoogte van de schadeloosstelling. Deze is voor aanvang door twee, soms drie deskundigen geschat en middels de rechter in bewaring gegeven. Tegelijkertijd vergt de werkwijze nog heel wat uren. Zo moet ’s-Gravenhage aan het begin van elk jaar aangeven om welke huizen en stoepen het deze keer zal gaan. In die grafiek zijn naast de naam en het adres van de betrokkenen ook de kolommen ‘Staat I’ en ‘Staat II’ opgenomen. In het eerstgenoemde vak is terug te vinden wat het kost om de ondergrond van de stoep te verkrijgen. Aangezien er bij de rechtbank, zeker de eerste jaren, steeds wordt gepleit voor 10 cent per vierkante meter, spelen kleine bedragen als 30, 50 of 80 cent. Later wordt het weleens f 1,80 of f 5,60. In ‘Staat II’ staan vaak grotere sommen geld genoemd omdat daar wordt vermeld wat mogelijk de kosten zijn van de uit te voeren werken na onteigening, als het leggen van treden, het plaatsen van roosters of het maken van een nieuwe kelderingang.

Faddegon

Van de stoepen die hun nieuwe functie moeten krijgen, worden grondplannen gemaakt die, voordat ze worden uitgevoerd, minimaal twintig dagen ter inzage moeten liggen op de afdeling Openbare Werken van de gemeente. Om zoveel mogelijk mensen hierop te attenderen, worden er, naast een aankondiging in de Nederlandsche Staatscourant, advertenties geplaatst in de Avondpost en de 
Poster  met daarop de  mededeling dat nieuwe
   onteigeningen voor de deur staan. Foto: archief.
Scheveningsche
Courant. Bovendien plakt de firma Faddegon posters op vijftig plekken in Den Haag en op acht plaatsen in Scheveningen. Tijdens die periode kunnen belanghebbenden bezwaren indienen die, zoals afgesproken in artikel 10 van de wet van 28 augustus 1851, door een commissie worden beoordeeld en met betrokkenen besproken. Op 1 december 1919, net geen maand na de introductie van de op de Haagse binnenstad gerichte onteigeningswet, nemen jonkheer. mr. Louis Eugene Marie von Fisenne en jonkheer mr. Dirk Jan de Geer, beiden lid van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, Joseph Limburg, advocaat en procureur, Marinus Caland, hoofdingenieur en directeur bij het Ministerie van Waterstaat en Pieter Droogleever Fortuyn, wethouder van Openbare Werken, zitting in die commissie. In artikel 17 en 18 van de onteigeningswet is terug te lezen dat de gemeente eerst moet proberen de voor het verkeer hinderlijke stoepen door minnelijke schikking in eigendom te krijgen. Wanneer dat niet lukt, is een gang naar de rechter toegestaan.
Wie eveneens een rol spelen in die onteigenings-procedure zijn Jurriaan Jurriaan Kok als directeur
van de Commissie voor de Plaatselijke Werken en Eigendommen en Isaac Anne Lindo als directeur der Gemeentewerken. Hun taak is vooral te bepalen welke stoepen zo snel mogelijk trottoirs moeten worden en of dat op minnelijke basis mogelijk is. En dan is er nog de rechtsgeleerden raadsman. Vanaf 4 juni 1920 mag Johan Rudolf Thorbecke de gemeente zijn adviezen verstrekken en zich in de rechtbank over de onteigeningszaken buigen. Met het aannemen van die functie streeft hij jonkheer mr. Willem Maurits de Brauw voorbij. Burgemeester mr. Jacob Adriaan Nicolaas Patijn, getrouwd met Elisabeth Wilhelmina Malwina de Brauw, had Willem graag in die functie gezien, maar belangenverstrengeling voorkwam dat. Zijn vader jhr. mr. Engelbert Nicolaas de Brauw is namelijk kort daarvoor, op 19 november 1919, overleden en heeft zijn twee historische panden: Westeinde 28 en Assendelftstraat 6/6a, aan zijn zonen Willem en Albert Karl Cornelis nagelaten. En net als hun vader een paar jaar eerder, heeft ook het tweetal de gemeente laten weten er nog niet uit te zijn of zij op minnelijke basis afstand van de stoepen willen doen.

Tekening van de panden van E.N. de Brauw in het Westeinde en de Assendelftstraat. Foto: archief.





































Vreemd is dat niet, want als de gemeente in september 1921 in de rechtbank heeft aangetoond dat aanpassing van de voorgevel van Westeinde 28 in verband met de veiligheid van het voetgangers-verkeer noodzakelijk is, krijgt jhr. mr. Albert de Brauw een brief van dr. Jan Kalf, voorzitter van de commissie tot voorlichting van de gemeenteraad bij het nemen van besluiten inzake de Monumenten-verordening 1920. Westeinde 28 zal (net als niet veel later Assendelftstraat 6/6a) van de lijst worden gehaald omdat de gevel te zeer zal lijden, wanneer de stoep van circa 17 ca, de palen en de hekken zijn verwijderd. ‘Hierdoor is handhaven op de monumentenlijst niet mogelijk’. Voordat het vonnis wordt gewezen, krijgt hij als compensatie voor dit verlies een bedrag van 240 gulden van de gemeente aangeboden. Albert en Willem - net als zijn vader, inmiddels kamerheer in buitengewone dienst en rechtsadviseur van het Huis van hare majesteit koningin Wilhelmina - gaan er niet mee akkoord. Gevolg is, dat de rechter op 21 november 1921 uitspraak doet en de door de deskundigen vastgestelde schadeloosstelling van f 2026,60 toewijst. Daar komt drie dagen later nog 50 gulden bij wanneer blijkt, dat de verwijderde materialen niet aan de eigenaar zijn gegeven. In het koninklijk besluit staat echter: ‘nadat de grond in eigendom is verkregen, wordt door en voor rekening van de gemeente de stoep en alle op de grond zich bevindende materialen opgeruimd en ter beschikking gesteld van de eigenaar, indien zulks is gewenst op een door hem aan te wijzen plaats binnen de gemeente’.

Monumentencommissie

Dat ’s-Gravenhage, als eerste gemeente in Nederland, over een Monumentencommissie beschikt, die vanaf september 1920 de historische panden van de stad in kaart brengt, zorgt voor nogal wat extra kosten bij het veranderen van de stoepen in verhoogde trottoirs. Om dat bij de percelen Noordeinde 142 en 144 (groot 1588 m2) voor te zijn, spelen burgemeester en wethouders met het idee een onteigeningsprocedure in te zetten. Ze kijken daarbij terug naar 1901. In dat jaar wisten ze de twee ernaast gelegen panden (138 t/m 140c), met een oppervlakte van 3175 m2, te bemachtigen voor 100.000 gulden. De gemeente gaat er vanuit dat het deze keer niet veel meer zal kosten. Werktekeningen tonen daarbij aan dat, na het in bezit krijgen, ze over een stoeplengte van 45 meter beschikken en een oppervlakte die genoeg is voor het neerzetten van een groot kantoorgebouw of winkelpand. De directeur van de op 1 juli 1918 in het leven geroepen Dienst der Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting, ir. Pieter Bakker Schut, rekent voor dat het een slecht idee is. Zo hebben de deskundigen van de rechtbank de waarde van beide percelen samen, geschat op 185.350 gulden. ‘Het betekent, dat er 117 gulden per vierkante meter zal worden betaald. Indien de rechtbank zich houdt aan de waardebepaling, wat voor de hand ligt, worden de percelen, zoals bij onteigening gebruikelijk, duur betaald. De prijs is vooral in verband met de gedrukte economische omstandigheden hoog’, laat hij burgemeester en wethouders weten.
De  panden van de familie Van  der Toorn (in het roze) naast
het gemeente-eigendom (in geel gekleurd).      Foto: archief.

Aangestuurd door de historische waarde van hun panden kiezen Maria Margaretha, haar zussen Catharina Wilhelmina Susanna, Margaretha Petronella en Adriana Jacoba samen met hun broer Alfred Adam Jacobus Hieronimus van der Toorn (Noord-einde 142) en hun andere broer, de gepensioneerde kapitein-luitenant ter zee Jacobus Jan Willem Hendrik van der Toorn (nr.144) niet voor een vrijwillig afstaan van hun stoepen. In de rechtszaal hebben ze vervolgens geen schijn van kans, ondanks dat de Monumentencommissie pleit voor behoud. Zo wordt bijvoorbeeld duidelijk dat de gevel van nummer 144 in historisch opzicht zijn waarde verliest wanneer de stoep met bordes wordt weggenomen. Het aanbod van de gemeente aan Jacob voor herstel, een bedrag van f 4406,60, wordt door de rechter niet toegewezen. Hij volgt de schadeloosstelling die de deskundigen hebben vastgesteld. Het is een bedrag van f 9701,60. De f 4311,40 die Maria van der Toorn en consorten van de gemeente aangeboden krijgen om de treden van de familiewoning binnen de rooilijn te brengen en een kelderingang met een licht- en luchtopening te laten maken, gaat ook de prullenmand in. De rechter volgt opnieuw de deskundigen met een bedrag van f 9631,10. Bovendien wordt overnamen door de gemeente van de percelen door de rechtbank afgewezen. Nu de gebouwen (officieel bij raadsbesluit van 16 januari 1922) hun historische waarde hebben verloren, kiezen de dochters en zonen van de inmiddels overleden jhr. ir. Jacobus van der Toorn, oud-hoofdingenieur bij Rijkswaterstaat en jonkvrouw Louise Teding van Berkhout, in december 1923 voor verkoop. De percelen worden in erfpacht overgenomen door de maatschappij tot exploitatie van onroerende goederen Noordeinde. Het plan na afbraak is er drie winkels, kantoorlokalen en een conciërgewoning neer te zetten. Deze nieuwbouw wordt echter nog dezelfde maand door de Schoonheidscommissie afgewezen. Dat gebeurt omdat het in strijd is met artikel 31 van de Bouw- en Woonverordening. Het pand zou namelijk in hoogte anderhalf keer de straatbreedte van ongeveer vier meter overtreffen. Bovendien lijkt het architectonisch op fröbelwerk.

Kosteloos

Wie terugkijkt zal constateren, dat er van zulke forse bedragen in die eerste jaren absoluut geen sprake is. Zo levert koffiehuishouder Michiel Schuring bij een verbouwing van zijn pand aan de Korte Hoogstraat 22, hoek Korte Molenstraat, op 24 november 1896 kosteloos zijn stoep in. Fruithandelaar Dirk Antonie draagt op 24 december van dat jaar de 8,08 m2 grond over die is vrijgekomen door afschuining bij de verbouwing van zijn perceel aan de Driehoekjes 2, hoek Kerkplein. Winkelier Pieter Johannes de Gee die aan de Prinsegracht 30 huist, laat op 12 februari 1897 de gemeente de vier hardstenen palen, die voor zijn deur staan, weghalen zodat er een trottoir kan komen. Cornelis Johannes Evers jr., eigenaar van 12 huizen in Ledigerf, is samen met 15 andere bewoners uit die straat bereid de stoepen kosteloos in te leveren wanneer de gemeente het besluit neemt de straatnaam te veranderen in Bakkerstraat, naar een daar gevestigde garnizoensbakkerij. De praktijk heeft namelijk uitgewezen dat de verbastering in de volksmond van Ledigerf velen afschrikt om in die straat een huis te huren. De 
Door  een verbouwing van de winkel Driehoekjes 2 komt er
8,08 m2 grond vrij die naar de gemeente gaat. Foto: archief.
gemeente hoeft niet lang na te denken en komt op 4 april 1899 de bewoners tegemoet. Rijwielhandelaar Frans Ernst, die in Buitenhof 1, op de hoek met de Halstraat, woont en werkt, is in hetzelfde jaar genegen het ijzeren hek en het kippenhok, die voor zijn deur staan, door architect Fredericus Franciscus Marie Nieuwerkerk te laten weghalen als hij een deel van zijn kelderingang in het nieuwe trottoir, met scheepsglas van 5 cm dik en het andere deel met een ijzeren rooster, mag bedekken. Isaac Anne Lindo heeft geen bezwaren. Als kapelaan Joannes Lambertus Theodorus Waterreus, zelf woonachtig in Amsterdam, in hetzelfde jaar de ondergrond van zijn bijna 14 meter lange stoep aan de Keizerstraat 392 kosteloos wil afstaan, heeft ook hij wat wensen. Zo moet de grond voor de deur waarop de 147 bij 28 cm grote stoeptrede komt te liggen, zijn eigendom blijven en moet de gemeente de vernieuwing van de bredere hardstenen plint langs de voorgevel betalen. De directeur der Gemeentewerken rekent voor dat de klus, inclusief het trottoir van ironbricks, 140 gulden zal gaan kosten. Het blijkt een bedrag dat een bezoek aan de notaris niet in de weg staat. Op 4 september wordt de overeenkomst getekend.
Dat ligt anders wanneer in maart 1899 de tekeningen worden vrijgegeven van een fraaie herindeling van de Herengracht. Het idee is afkomstig van de in de Frederikstraat 99 woonachtige fabrikant Frederik Hendrik van Malsen en acht medebedenkers. Ze doen het voorstel aan de gemeenteraad omdat ze vinden dat de Herengracht voor voetgangers niet veilig genoeg is. In de bijgaande beschrijving wordt gesproken over een straat met bomen waar ruimte is voor twee tramsporen met daarnaast nog aan weerszijde een brede rijweg. Vrijwel alle bewoners komen in opstand wanneer blijkt dat aan beide zijden van de straat een zes meter brede stoep is voorzien. ‘Het is niet mogelijk anders dan door een wandeling over gezegd trottoir het rijtuig te bereiken, wat natuurlijk ’s avonds en bij slecht weer voor bewoners, maar ook voor mensen die op bezoek komen een groot bezwaar oplevert’, zo staat in het schrijven. Gevolg is dat de veranderingen op de lange baan worden geschoven.
Scheveninger Dirk Hoogenraad Jzn. zit op 18 april 1901 bij de notaris. Hij staat zijn stoepen aan de Wassenaarsestraat 139/141 groot 8,94 m2 en de aan de achterzijde liggende, ongenummerde Ankerstraat, groot 10,88 m2 kosteloos aan de gemeente af. Lindo biedt aan er inritten te maken. Hoogenraad is smid. Hij is bezig zijn percelen om te bouwen tot een woonhuis met smederij. De inrit in de Ankerstraat is handig omdat hij dan met de zwaar beladen handwagen vol ijzerwaren gemakkelijk de smederij kan bereiken. Hoewel die Ankerstraat slechts vier meter breed is, kan er volgens Lindo een trottoir worden gemaakt. Beide inritten wil hij verkrijgen door plaatselijk de rijweg te verhogen. Johannes Cornelis Mooijman wil in maart 1902 de ondergrond van zijn stoep van bijna zes vierkante meter, gelegen aan Laan 31, gratis inleveren wanneer de gemeente de kosten wil dragen voor het aanbrengen van een licht- en luchtopening met keermuren die wordt afgedekt met een ijzeren rooster met mazen. Zijn tweede wens is dat aannemer Willem Frederik Hessing, bezig met een verbouwing, een nieuwe plint mag plaatsen die vier centimeter buiten de rooilijn uitsteekt. Mooijman is dan bereid ook de drie hardstenen palen voor zijn voordeur, die middels gordingen onderling zijn verbonden, in te leveren. Zijn buurman, koopman Johannes Adrianus Nicolaas Meeuws, eigenaar van de tussen Laan 29 en 31 gelegen poort (L 1393) met erf sluit zich erbij aan en biedt zijn 1,16 m2 stoep gratis aan, wanneer er, net als bij Mooijman, een trottoir wordt aangelegd van ironbricks en voorzien van een hardstenen band. Lindo ziet geen bezwaar. Hij meent dat de gemeentebegroting de kosten, groot 30 gulden, moet kunnen dragen.

Heulstraat

Dat is in 1915 nog maar de vraag wanneer het verbreden van de Heulstraat tot twintig meter opnieuw (een eerste poging stamt uit mei 1903) op de gemeenteagenda komt te staan. Bij Koninklijk Besluit van 18 januari (nr. 10) is tot de onteigening besloten van twee vierkante meter van perceel 29, gelegen aan het Noordeinde. De nummers 29a/29b (53 m2) en Heulstraat 1 (48 m2) en 3 (41 m2), die de ingang van de straat zeer versmallen, moeten helemaal verdwijnen om ruimte te maken. De eigenaresse van Noordeinde 29, Anna Jacoba Cornelia Mijnlieff Overklift, weduwe van de op 19 augustus 1896 overleden Johannes Martinus Huyser, is heel meegaand. Zij is vooral gebaat bij het kunnen voortzetten van het korsetatelier, met fabriek en magazijnen, die de familie Huyser in 1826 is begonnen en die inmiddels ook vestigingen kent in Amsterdam, Rotterdam en Arnhem. Haar probleem is echter dat met de sloop van de nummers 29a/29b herbouw van haar perceel (E 2559) tot hoekpand noodzakelijk wordt. En dat moet (wettelijk) binnen drie jaar gebeuren. ‘In verband met de tijdsomstandigheden is het niet waarschijnlijk dat deze herbouw spoedig zal geschieden’, laat Lindo van Gemeentewerken, burgemeester en wethouders weten. ‘Door de afbraak van de drie percelen in de Heulstraat ontstaat een tijdelijke toestand, waarbij de noordwestelijke zijgevel van E 2559 als buitenmuur dienst zal doen. Om die reden moet hij worden voorzien van ankers en worden gepleisterd. Aangezien een gedeelte van de verdieping van perceel E 2559 in perceel E 2558 is gebouwd, is het nodig dit uitgebouwde gedeelte te ondervangen. In de nieuwe rooilijn zal de eigenaresse tijdelijk een schutting moeten plaatsen’.
Ze tekent de overeenkomst, maar niet voordat ze zekerheid heeft gekregen, bij nieuwbouw, eventueel ook twee winkels binnen de rooilijnen te mogen neerzetten. Bovendien schenkt ze 39 vierkante meter stoep, gelegen voor haar voorgevel aan de gemeente en neemt ze een strook van 24 vierkante meter in de Heulstraat over. Ze betaalt daar 2400 gulden voor. Die strook wordt later geïntegreerd in de nieuwbouw. In oktober 1916 laat de weduwe op eigen kosten een trottoir voor haar perceel Noordeinde 29 aanleggen. Daarin komt een kelderingang, die wordt afgedekt met een vlak liggend, draaibaar luik van geribd plaatijzer. In het contract dat ze tekent wordt vermeld, dat de kelderluiken mogen worden geopend van ’s morgens zeven uur tot zonsondergang ‘mits iemand aanwezig is ten einde voorbijgangers te waarschuwen’.
De drie percelen die moeten worden onteigend in een poging
de Heulstraat breder te maken.                            Foto: archief.
Het in bezit krijgen van Noordeinde 29a/29b en Heulstraat 1 en 3 verloopt minder vlot. Alida Theodora Maria van Reysen, weduwe van voormalig kastelein Vincentius Jacobus Paternotte en haar drie kinderen negeren het bod van 17.000 gulden, dat de gemeente voor Heulstraat 1 wil betalen. Johannes Jacobus Verbrugge, die in Noordeinde 29b een boekhandel heeft en ook eigenaar is van Heulstraat 3, gaat op 20 mei 1916 niet in op het bedrag van 72.500 gulden. Het duurt tot 3 maart 1917 voordat er met de weduwe Paternotte en haar kinderen een overeenkomst wordt bereikt. Bij de schadeloosstelling volgt de rechtbank het rapport van de op 1 augustus 1916 benoemde deskundigen Cornelis Leonardus Jacobus Bos te Zegwaard en Karel Evert Abbing en Simon Anton Spaarwater uit Den Haag. Zij geven het perceel een waarde van 20.000 gulden en tellen daar f 294,75 bij op vanwege de vervroegde aflossing der hypotheek. Verbrugge krijgt op 9 maart 1917 voor Noordeinde 29a/29b (E 2491) 48.000 gulden en voor Heulstraat 3 (E 2558) 23.000 gulden toegewezen. Dat is weliswaar 1500 gulden minder dan het bod van de gemeente, maar daar tegenover staat wel dat hij 3840 gulden ontvangt voor de verhuizing van 29b en 800 gulden voor het leeghalen van 29a. Voor het kwijt raken van klanten is er 1500 gulden compensatie. Bovendien krijgt hij 4800 gulden voor het verlies aan voordelen die zijn verbonden aan de exploitatie van de muur (als advertentieobject). De door Verbrugge gevorderde vergoeding voor de verkoop van paleiskaarten en het verhuren van plaatsen bij de opening van de Staten Generaal worden door de rechtbank niet toegekend.

Zuid Hollandsch Koffiehuis

Een bijna even grote financiële hobbel is er in oktober 1920. In die maand hebben burgemeester en wethouders het voorzien op de stoepen die behoren bij het Zuid Hollandsch Koffiehuis aan de Groenmarkt 37 en Hotel de Hertenkamp aan de Bezuidenhoutseweg 19. Krachtens de drankenwet is er een vergunning verleend voor de verkoop van sterke drank die ingevolge artikel 24 van die wet ook geldt voor de stoepen, waar in de zomerperiode stoelen, tafels en tochtschermen worden neergezet. Wat het college in juli 1919 vergeet, is om die vergunningen in te trekken waardoor onteigening lastig wordt. Mr. Thorbecke laat weten dat bij vroegere gelegenheden in overeenkomstige gevallen voor de te onteigenen grond een hoger bedrag dan de 10 cent per m2 is betaald wegens bedrijfsschade. ‘Ik raad aan een deskundige aan te wijzen die met de eigenaren onderhandelt over de te bieden schadeloosstel-ling, ten einde tot een minnelijke schikking te komen. De bedrijfsschade bij het Zuid Hollandsch Koffiehuis zal meevallen, want gebleken is, dat het publiek maar weinig gebruik maakt van de mogelijkheid om op de stoep te gaan zitten. Het tegenovergestelde geval doet zich voor bij de Hertenkamp. De winst in een gunstig seizoen ligt, door het gebruik van de stoep, op minstens honderd gulden per dag. Het is waarschijnlijk dat door de eigenaar een aanzienlijk bedrag wegens bedrijfsschade zal worden verlangd. Het is dus beter om 10 cent per vierkante meter te bieden en af te wachten met welke eisen de eigenaren komen’, aldus Thorbecke.
Die bedragen blijken, wanneer de partijen eindelijk in de rechtszaal zijn beland, fors. Zo krijgt Wilhelmus Josephus de Louw als directeur van Hotel de Hertenkamp op 17 mei 1922 een bedrag van 12.000 gulden toegewezen voor grondplan 49 (34,84 ca). De nv maatschappij tot exploitatie van het Zuid Hollandsch Koffiehuis procedeert tot aan de Hoge Raad en hoort op 26 oktober 1922 dat de gemeente Den Haag wordt veroordeeld tot een schadeloosstelling van f 15.560,60 voor grondplan 46 (38,41 ca). Op 15 december kan worden overgegaan tot het opruimen van de stoepen.
Dat het ombouwen naar trottoir niet altijd even eenvoudig is, wordt in maart 1921 weer eens duidelijk wanneer het pand van schoenmaker Willem Leendert Segboer aan het Noordeinde 45 (E 89) in de rechtszaal ter sprake komt. Net als bij een flink aantal andere panden in de binnenstad is hier sprake van een souterrain. De begane grond bij grondplan 6 ligt dus voor een deel onder straatniveau. De geringe hoogte die hierdoor is ontstaan, laat het volledig opruimen van de stoep niet toe. Gevolg is, dat het nieuwe trottoir niet breder kan worden dan vijftig centimeter. De overige stoepbreedte moet namelijk worden gebruikt voor het aanbrengen van een door hardstenen banden afgedekte keermuur, alsmede treden. Segboer laat in de rechtszaal weten de werkzaamheden over te laten aan de gemeente. Deze biedt vervolgens aan in de onderste tree een rooster te maken met aansluiting op het gemeenteriool. Ook worden ijzeren roeden aangebracht voor het lichtraam. Segboer krijgt 80 cent voor de 8,16 ca grond die hij inlevert. De gemeente is 265 gulden kwijt aan de aanpassing.
In hetzelfde jaar wordt ook de Zeestraat flink aangepakt. Het gaat in totaal om 14 panden. De grootste ingreep is voor Zeestraat 55. Dit pand wordt bewoond door jonkheer mr. Joan Mathias Margarethus van Asch van Wijck, die vooral als curator van zich doet spreken. De veranderingen die de gemeente moet uitvoeren, zijn behalve het aanbrengen van een licht- en luchtopening, het aanleggen van treden voor de bel-etage en het souterrain. Kosten 623 gulden.

Tramlijnen

Welke stoepen en dus straten moeten worden bewerkt en welke nog wel even kunnen wachten levert door de jaren heen menige discussie op. Zo meldt de directeur der Gemeentewerken Isaac Anne Lindo in augustus 1904 aan de directeur van de Commissie voor de Plaatselijke Werken en Eigendommen
Jurriaan Jurriaan Kok, dat de straten waar de, soms beoogde, twaalf tramlijnen doorheen lopen of zullen gaan rijden in verband met de veiligheid van de voetganger als eerste aan de beurt zijn. Hij heeft uitgerekend dat er voor Lijn 1 zesenvijftig stoepen moeten verdwijnen. Voor Lijn 8 zijn dat er vijfendertig. Het duurt echter niet lang voordat hij, mede ingegeven door de gemeenteraad, wijzigingen aanbrengt in die plannen. Zo worden de stoepen van de Amsterdamsche Veerkade, het Spui en het Lange Voorhout, deel van het Lijn 1-traject, voorlopig uitgesloten. Maar ook andere, bredere straten waar een trambaan is voorzien als Grote Markt, Noordwal, Kneuterdijk en Lange Beestenmarkt

Tramlijn 3 wordt vanaf 1906 enige jaren door het Binnenhof geleid.                             Foto: archief.

ontspringen, mede doordat het gemeentebestuur over de loop der trambanen, een weloverwogen beslissing wil nemen, (tijdelijk) de dans. Wel onderschrijft hij de suggestie van Jurriaan Kok om de kosten van de onteigeningen te verhalen op de Haagsche Tramweg Maatschappij.
Anders dan de directeur van de Commissie voor de Plaatselijke Werken en Eigendommen kiest Lindo voor het tot dusver gevolgde stelsel, waarbij de gemeente geleidelijk, zonder noemenswaardige kosten, de ondergrond van stoepen in eigendom probeert te verkrijgen. Dat is niet zo vreemd gezien de bijna jaarlijkse overschrijding van het gemeentebudget. Deze wordt mede veroorzaakt doordat bij het vaststellen van die begroting niet bepaald kan worden wat de schadeloosstelling wegens waarde-vermindering van percelen dat jaar zal zijn. Zo moet de begroting van 1919 met 400.000 gulden worden verhoogd om het verruimen van enkele straten en het afronden van hoeken te kunnen financieren. In dat jaar staat ook het breder maken van de verkeersweg bij de Gevangenpoort op het programma en is het de bedoeling die verbreding door te trekken tot aan de Lange Vijverberg. Om dat te bereiken moeten er negen huizen sneuvelen, waarvan er twee al gemeente-eigendom zijn. Het blijkt een kostenpost van 341.480 gulden.
Gezien de financiële situatie van de gemeente moet er ook veel worden uitgesteld. En dat niet altijd tot genoegen van ondernemers. Zo koopt de spaarbank Tot Nut Van ’t Algemeen in juni 1915 voor
f 128.332,50 het Geneeskundig Gesticht voor Minderjarige Idioten aan het Westeinde 2. De reden voor die aankoop is het besluit van de gemeenteraad om de verkeersweg Prinsegracht – Elandstraat te gaan aanleggen. Die ingreep betekent dat een deel van het pand waarin de bank sinds 1894 is gehuisvest, Westeinde 4, zal moeten wijken. Vlak na die aankoop laat burgemeester Patijn echter weten, ‘door niet te voorziene tijdsomstandigheden’, de totstandkoming voorlopig uit te stellen, zoals ook de verkeers-wegen Grote Marktstraat – Fluwelenburgwal en Prins Willemstraat – Stadhuiskade op de lange baan worden geschoven. Behalve dat mr. Hendrik Jan Marie de Vries, als voorzitter van de bank, zijn ongenoegen uitspreekt over dit besluit, is ook de Bond van Nederlandsche Architecten niet blij. ‘Tegenover de door burgemeester en wethouders wegens tijdsomstandigheden genoemde financiële bezwaren staat, dat binnen de kortste keren een bouwbedrijvigheid langs die verkeerswegen kan worden verwacht welke aan de hele stad ten goede komt’, aldus de bond.
Hoewel ze Jurriaan Kok aan hun zijde vinden, helpt het niet. De directeur is vooral bezorgd over de te smalle straten. Hij ziet dat de breedte gemeten tussen de rooilijnen in bijvoorbeeld het Westeinde, maar ook de Korte Poten en de Herderstraat onvoldoende mag worden geacht. In een brief van 1 augustus 1917 wijst hij het gemeentebestuur er nog eens op dat zijn commissie meent dat alle stoepen langs de hoofdverkeerswegen van de binnenstad zo snel mogelijk dienen te worden omgevormd. Wat hij vooral pijnlijk vindt, is de bepaling, dat eerst langs minnelijk weg moet worden geprobeerd de stoepen te bemachtigen. ‘Het snel toenemend verkeer langs de hoofdwegen zorgt ervoor dat je niet kunt wachten totdat de eigenaren, wellicht na vele jaren, genegenheid tonen om ten behoeve van de gemeente van hun stoepen afstand te doen. Mijn commissie meent dat deze stoepen, ook al zijn er aanzienlijke kosten aan verbonden, moeten worden onteigend, hetgeen volstrekt niet hoeft buiten te sluiten dat ten aanzien van afgesloten stoepen in minder belangrijke straten wordt voortgegaan’.

Koningin Wilhelmina

Een van die niet echt meewerkende eigenaren is het koninklijk huis. Zo staat koningin Wilhelmina niet te springen om haar stoepen aan het Noordeinde op minnelijke wijze weg te schenken. Op een schrijven van 5 november 1918 wordt niet gereageerd. Het is reden voor burgemeester en wethouders om op 21 januari 1919 de minister van binnenlandse zaken en landbouw, Charles Joseph Marie Ruys de Beerenbrouck aan te schrijven. Ze menen dat er geen reden bestaat om ten aanzien van de kadastrale registers van hare majesteit de koningin een uitzondering op de onteigeningen te maken. En aangezien de poging tot een minnelijke schikking is mislukt, zien de partijen elkaar op 27 januari 1921 voor het eerst tijdens een openbare zitting in de arrondissementsrechtbank te ‘s-Gravenhage. Daarbij wordt burgemeester Patijn vertegenwoordigd door deurwaarder Johannes Augustus Witschey. Hare majesteit Wilhelmina Helena Paulina Maria, koningin der Nederlanden, prinses van Oranje Nassau enz., enz. is zelf aanwezig. Krachtens de wet van 4 november 1919 en bij koninklijk besluit van 11 februari 1920 (nr. 14) worden de wensen van de eiser toegewezen. Deze houden in dat koningin Wilhelmina iets meer dan 17 ca van Noordeinde 66 (D 113), ruim 13 ca van nummer 70 (D 1281) en bijna 14 ca van nummer 72 (D 1280) moet inleveren. Ze krijgt daarvoor f 1,70, f 1,30 en f 1,40 uitbetaald. Het uitvoeren van de benodigde werkzaamheden laat ze over aan gemeentewerken. In de door vicepresident mr. Coenraad Willem Schlingemann, in aanwezigheid van de rechters mr. Willem Frederik Karl Cost Budde en mr. Anne Willem Kist op 10 maart 1921 voorgelezen uitspraak valt te lezen, dat ‘de ingang van het gebouw van het kroondomein geheel en al naar de eis van het werk in orde wordt gemaakt en opgeleverd zulks ten gevolge van de verplaatsing van de treden nodig zal blijken te zijn’. Dit houdt in dat voor grondplan 9 (nr. 66) een kelderingang met treden binnen de rooilijnen zal worden gebracht en drie licht- en luchtopeningen zullen worden gemaakt. De gemeente heeft de kosten geschat op 2300 gulden. Het uiteindelijke bedrag blijkt 3910 gulden te zijn. Voor grondplan 11 (nr. 70) moet een lucht- en lichtopening worden vervaardigd. Ook hiervoor wordt een lagere kostenpost berekend namelijk 59 gulden in plaats van 105 gulden. Grondplan 12 (nr. 72) behelst het leggen van een kelderluik en het aanbrengen van twee roosters en twee treden. Die klus blijkt geen 246 maar 440 gulden te kosten.

De stoepen die aan weerszijden van het koninklijke paleis moeten worden aangepakt. Foto: archief.

Wat door de jaren heen een hoofdpijndossier blijft, is de Heulstraat. Zo is het niet ondenkbaar dat koningin Wilhelmina heel blij is geweest met de aanpak van haar vader, koning Willem III. Hij besluit eind april 1882 zijn paleis met alle toebehoren als een erf, tuin, nevengebouwen, galerijen, torens, gotische zaal, stallingen en koetshuizen, gelegen aan de Kneuterdijk, de Heulstraat, het Noordeinde en de Oranjestraat aan de gemeente te verkopen. Aardig detail is, dat die tuin in de vijftiende eeuw ‘buiten de uitgestrektheid der stad ’s-Gravenhage’ viel. Doel van burgemeester jhr. mr. François Gerard Abraham Gevers Deynoot is er een gemeentemuseum van te maken. Het bedrag dat Den Haag, na goedkeuring van de raad op 22 april 1882 en Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland op 2 mei, bereid is te betalen voor de bijna 192 are grond, is 500.000 gulden. Het wordt door Willem Carl baron Snouckaert van Schauburg als gemachtigde van Willem Alexander Paul Frederik Lodewijk, koning der Nederlanden bij notaris Hendrik Wilhelmus Franciscus Ligtenberg in een koopakte (nr. 1276) op 26 mei vastgelegd. De betaling volgt op 1 juni 1882. Jaren later plukt koningin Wilhelmina daar de vruchten van. Zo heeft ze geen hoofdbrekens over hoe de verbreding van de Heulstraat, wanneer hij in 1924 weer ter sprake komt, daadwerkelijk tot stand moet komen. Meest voor de hand zou zijn geweest om een deel van het koninklijk domein af te breken. Nu lijkt er een conflict te gaan ontstaan met de uitbreidingsplannen van het agentschap der Nederlandsche Bank die aan het Noordeinde, hoek Heulstraat, is gevestigd. Bovendien moet bij het doorgaan van de plannen de ambtswoning van de minister van buitenlandse zaken belangrijk worden verbouwd.

De uit  dertien winkels  bestaande  Juliana Galerij, die  langs de  Stadhouder Willem III-laan  en
  de Koningin Marielaan had moeten komen wanneer de plannen waren uitgevoerd.   Foto: archief.

Aanstichter van deze, mogelijk, forse ingreep is architect Zacharias Hoek, met Johannes Thomas Wouters eigenaar van bureau Het Valkenbosch. Hij dient op 22 december 1924 bij wethouder en architect Machiel Vrijenhoek een plan in voor een nieuwe verkeersweg die loopt van het Lange Voorhout via de Heulstraat naar de Prinsestraat en de Noordwal. Om dit idee, dat met andere stedenbouwkundige plannen in februari 1925 tentoon wordt gesteld in kunstzaal Arti, te kunnen verwezenlijken zal koningin Wilhelmina een deel van haar paleistuin moeten afstaan. Hoek noemt als voordeel dat zij er een hoge afsluitmuur voor terugkrijgt. ‘Dat zal haar veiligheid verhogen. Maar belangrijker is, dat de nieuwe verkeersweg van grote waarde is voor het verkrijgen van een goed tramwegnet’, laat hij als voorzitter van het Comité Voor Snel Goedkoop Tramverkeer Door Een Goed Verdeeld Tramnet weten. ‘In 1923 is mijn plan reeds goedgekeurd door Anne Willem Elie Weyerman, directeur van de HTM. Hij ziet het als enige goede oplossing. Dat komt deels omdat het de kortste weg van Lijn 3 naar zijn eindpunt is, maar ook omdat het Plein, de Korte Poten en de Herenstraat worden ontlast. Uw adviseur de heer Berlage is eveneens enthousiast’, aldus Hoek.
Nog voor de gemeenteraad over het voorstel kan vergaderen, komt de architect met een volgend idee. ‘Met de nieuwe verkeersweg in beeld, zou het paleis een andere bestemming kunnen krijgen. Voor de hand ligt er een Oranje Nassau Museum in te vestigen. De tuin, die op de grens tussen oud en nieuw Den Haag ligt, is dan de ideale plek voor een nieuw stadhuis. Met dit afstaan zou hare majesteit de stad echt een grote dienst bewijzen’.

Zorgvliet

Op een enkel raadslid na, wordt er vanuit ambtelijk Den Haag nauwelijks enthousiast gereageerd. Zo zijn burgemeester en wethouders van oordeel dat de noodzaak van deze ingreep niet aanwezig is. Directeur van Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting Bakker Schut laat op 25 maart 1925 weten dat hare majesteit altijd tegen het voorstel tot nieuwbouw van een paleis in Zorgvliet is geweest. ‘Ze wil haar woning aan het Noordeinde niet verlaten. Ik kan mij dan ook niet voorstellen dat ze nu wel gaat meewerken. Zeker niet als een vleugel van het paleis aan een drukke verkeersweg komt te liggen. Bovendien wordt de tuin verknoeid. En dan heb ik het nog niet eens over de ingrepen die nodig zijn in de Heulstraat. Door het gereed komen van de Torenstraat, de Jan Hendrikstraat, Grote Markt en Hofweg is het centrum van de binnenstad aan drie zijden door ruime verkeerswegen omgeven. Het is dus beter te wachten op gunstiger economische omstandigheden tenzij er een onverwacht snelle toename van het verkeer tot maatregelen dwingt’.

Schetsontwerp van Hoek voor een verkeersweg tussen Noordeinde en Prinsessewal.    Foto: archief.

Het weerhoudt Zacharias Hoek er niet van om op 25 mei 1925 een onderhoudt te hebben met Joost William Jan baron Taets van Amerongen, kamerheer in buitengewone dienst van de koningin. Hij verklaart zich later geen tegenstander van de plannen en is gecharmeerd van het idee om langs de verkeersweg, met de namen Stadhouder Willem III-laan en Koningin Marielaan, een galerij met dertien winkels (de Juliana Galerij) aan te leggen om zo meer levendigheid te creëren. ‘De koningin begrijpt het grote verkeersbelang door de nieuwe verkeersweg verkregen en wil daaraan ook meewerken’, laat hij weten. Tegelijkertijd speelt de baron de bal terug naar de gemeenteraad door op te merken. ‘Ze wil alleen haar steentje bijdragen als er van burgemeester en wethouders enig teken van instemming wordt vernomen door tenminste aan de ontwerper de opdracht te geven een definitief plan met kosten-berekening te maken’. Op voorhand wordt duidelijk dat dit niet zal gebeuren. Zacharias Hoek heeft namelijk al eerder aangegeven hiervoor een honorarium van 5000 gulden te vragen.

Had architect Zacharias Hoek zijn zin gekregen, dan was paleis Noordeinde nu een museum
en stond het stadhuis niet op het Spui maar in de paleistuin aan de Hogewal.    Foto: archief.

Dat het, ook als de Heulstraat niet wordt meegeteld, om een forse kostenpost gaat, wordt duidelijk bij het beschouwen van de tekeningen. Zo moet voor de doorbraak van de zeventien en een halve meter brede weg tussen het Noordeinde en de Prinsessewal, naast de aanpassingen aan het paleis, ook het pand van de fabrikant van brood Lambertus Gerardus Waterreus aan het Noordeinde 62 worden afgebroken. Verder zal de tuin en een zijvleugel van sigarenhandelaar Pantheleon Gerard Coenraad Hajenius, die is gevestigd in gebouw ‘De Rijnstroom’ op nummer 64 moeten sneuvelen. En om het beoogde plein te kunnen aanleggen is het verwijderen van in elk geval drie huizen in de Molenstraat noodzakelijk.
Op 27 juli 1925 valt de definitieve beslissing. Burgemeester en wethouders zijn van oordeel, ondanks het vele goede van het plan, dat de noodzakelijkheid van deze aanleg niet aanwezig is. ‘Het centrum is al genoeg ontlast’, aldus burgemeester Patijn tijdens de raadsvergadering. ‘Aangezien bovendien in de naaste toekomst tal van urgente verkeersverbeteringen de aandacht zullen vragen, waarvoor niet geringe uitgaven gedaan zullen moeten worden, is het uit deze hoofde reeds niet geraden tot uitvoering van het plan over te gaan. Ik moet dus afwijzend antwoorden’.

Bouwpolitie

Wat de gemeente bij het verkrijgen van stoepen soms behoorlijk in de weg zit, is artikel 11 van de verordening der bouwpolitie (verz. nr. 3 van 1894). Die komt er kort gezegd op neer dat wanneer een bouwer binnen de rooilijnen blijft, die zijn vastgesteld bij de aankoop van het stuk grond, en zich aan de bouwvoorschriften houdt, hij zijn gang kan gaan. Zo’n bepaling helpt veelal niet bij het bemachtigen van hinderlijke stoepen. Een mooi voorbeeld is terug te vinden in 1896. Op 2 maart van dat jaar krijgt de Scheveningse architect Lambertus Faber, die handelt namens het kerkbestuur van de Sint Willibrorduskerk in de Assendelfstraat 51, toestemming tot het vernieuwen en verhogen met dertig centimeter van het ijzeren hek en het opnieuw, nu aflopend, bestraten van het plein voor de kerk. Hoewel Lindo probeert het hek teruggeplaatst te krijgen omdat het zeer belemmerend is voor het verkeer, is de in Maassluis geboren pastoor Franciscus Josephus Gribling niet van plan daaraan toe te geven. Ook niet voor geld. En aangezien de Commissie voor de Plaatselijke Werken en Eigendommen, mede gehouden aan artikel 11, op 26 februari toestemming voor de werkzaamheden heeft gegeven, kan de overeenkomst niet worden veranderd. Er zijn uiteraard wel voorwaarden. Zo moet het werk geschieden volgens de aanwijzingen van de bouwpolitie (een uit een inspecteur en vier adjunct-

Werktekening van de Scheveningse architect Lambertus Faber voor de aanpassingen in 1896 van de
Sint Willibrorduskerk in de Assendelfstraat 51.                                                              Foto: archief.

inspecteurs bestaand team) en in overleg met en ten genoegen van de directie der Gemeentewerken. De beweegbare delen van het hek mogen niet buitenwaarts opendraaien en er moet bij de gemeente een som van tien gulden worden gestort om eventuele beschadigingen aan de bestrating te kunnen herstellen. Het duurt tot 21 november 1921 voordat bij vonnis wordt bepaald dat het hek moet worden teruggeplaatst. Dat is een jaar voordat het eeuwfeest wordt gevierd. De St. Willibrorduskerk is namelijk de eerste katholieke kerk welke na de hervorming in Den Haag wordt opengesteld. De gemeente wordt veroordeeld tot een bijdrage in de kosten van 5950 gulden. Pastoor Cornelis Antonius Bulters O.F.M. van de H.H. Antonius en Lodewijkkerk in de Casuariestraat 46/48/50 pakt het in 1925 anders aan. Hij geeft ’s-Gravenhage toestemming de ongeveer 46 m2 stoep in trottoir te veranderen. ‘Voorwaarden is wel dat wij een doorlopende vergunning krijgen voor het behoud van een tamboer over de intrede van het gebouw (nr. 50)’. Bulters noemt als voordeel dat de kerk het strookje grond, dat verder geen nut heeft, niet meer hoeft te onderhouden. De gemeente is blij omdat in de nauwe straat het hek kan worden verwijderd, waardoor een trottoir mogelijk wordt. ‘Van die tamboer zal niemand veel last hebben, omdat hij slechts 31 centimeter buiten de gevel steekt’, aldus de gemeente.
In het voetganger-vriendelijk maken van de stoep, probeert ook het Openbaar Ministerie op de overgang van de negentiende naar de twintigste eeuw zijn steentje bij te dragen. Zo worden er dankzij artikel 108 diverse rechtszaken gevoerd tegen winkeliers, die hun waar uitstallen op de stoep voor de deur. Volgens de verordening is dit ten onrechte, want hoewel ze eigenaar zijn, gaat het, door het ontbreken van bijvoorbeeld een hek, om openbare weg die voor eenieder toegankelijk dient te zijn. Hun spullen mogen daar dus niet staan, behalve wanneer dit voor het laden en lossen nodig is.
Met het voltooien van de transformatie van stoep naar trottoir in de binnenstad, begin jaren dertig van de vorige eeuw, ontstaan er nieuwe ideeën. Een ervan wordt opgeworpen in 1938 door de nv Silko Licht. Het bedrijf wil in de trottoirs lichtbakken gaan aanbrengen, die vervolgens gebruikt kunnen worden voor reclamedoeleinde. Al snel blijkt dat de gemeenteraad niet erg enthousiast is. Na ingewonnen advies komen er vier bezwaren op tafel: de aansluiting van tegels en bak zal door ongelijkmatig verzakken aanleiding geven tot klachten. De glazen noppen zijn hinderlijk voor het voetgangersverkeer. De ijzeren dekplaat zal glad worden en gevaar opleveren, vooral bij nat weer. En de elektrische kabelaansluiting zal in veel gevallen, vooral in de binnenstad, waar in hoofdzaak dergelijke reclames mogen worden verwacht, moeilijkheden kunnen opleveren aangezien de trottoirs rijkelijk zijn voorzien van buizen, kabels en aansluitputjes. Het is reden om geen toestemming te geven tot uitvoering, waardoor de Haagse trottoirs in de loop der jaren niets van hun klassieke uitstraling hebben verloren.

© Haags Nieuws Bureau 2022

donderdag 14 mei 2020

Valkenbosplein


HET MEEST BESPROKEN PLEIN VAN NEDERLAND

Annie M.G. Schmidt kiest
bewust voor Valkenbosplein

door Hans Piët

DEN HAAG – Dat Annie Maria Geertruida Schmidt in haar door Conny Stuart gezongen liedje ‘Wat voor weer zou het zijn in Den Haag’ uit 1966 verwijst naar het Valkenbosplein, is een bewuste keuze. De schrijfster woont er in studiejaar 1930/31, tijdens haar al snel afgebroken notarisopleiding, enige tijd op kamers bij de familie Hartman op nummer 21. Het riante pand, dat grenst aan het begin van de Valkenboslaan, wordt bewoond door Gerardus Martinus Hartman en zijn vrouw Helena Christina Johanna Gostelie. Zij worden in het liedje vernoemd met de zinsnede ‘zou het pension er nog zijn, op het Valkenbosplein, met die mensen uit 1902’. Gerard wordt namelijk in dat jaar geboren, zijn vrouw in 1905.
Dat Annie er terecht kan, is te danken aan haar acht jaar oudere broer Wim. Tijdens zijn notariaatopleiding in de Residentie is hij bevriend geraakt met medestudent Franciscus Jacobus Rudolf Gostelie. Doordat hij regelmatig bij de van oorsprong Brabantse familie over de vloer komt, weet hij dat Helena, de jongere zus van Frans, is getrouwd met bouwkundige Gerard Hartman. Het echtpaar is op 26 maart 1929, acht dagen na de huwelijksvoltrekking in ’s Hertogenbosch, in het
Ingekleurde bouwtekening van het herenhuis, waarin Annie M.G. Schmidt verblijft
 tijdens haar studie. Het ligt op het Valkenbosplein, aan het einde van de Valkenbos-
 laan. De originele  tekening is niet  meer  aanwezig  in  het Haags Gemeentearchief.
                                                                                                      Tekening: Hans Piët

herenhuis gaan wonen. Zo blijft het in de familie. Het pand werd in januari 1905 door aannemer en bouwkundige Rins Cornelis Hartman, de in Benschop geboren vader van Gerard, neergezet. De woning, waarin tevens het kantoor is gevestigd van Rins' bedrijven Het Klaverblad (samen met zijn broers Dirk en Jacob) en de Zuid-Hollandse Bouwgrond Maatschappij, maakt onderdeel uit van acht panden naar een ontwerp van de in Arnhem geboren architect Willem Gerardus Eberson. De ouders kiezen voor de Alexander Gogelweg 6. Dat gebeurt vooral op aandringen van Geerdina Sophia Batenburg, de stiefmoeder van Gerard. Ze wil een wat rustiger bestaan. Haar man is namelijk, vanaf het begin, zeer betrokken bij de ontwikkeling van het plein en het daaraan grenzende Valkenbos. De eerste plannen voor dit stadsdeel worden in oktober 1851 gepresenteerd. Zo ontwikkelt hij er, met zijn maatschappijen, menige bouwactiviteit, maar moet tegelijkertijd met lede ogen toezien hoe de gemeenteraad niet altijd de meest handige beslissingen neemt. En dat levert heftige discussies op. Zo staat Rins in april 1914 vooraan om er voor te zorgen dat de klinkerbestrating van het plein wordt veranderd in een plantsoen. Daarvoor wordt de voorwaardelijke vergunning met bloemist Krul, tot grote opluchting van de omwonenden, die het groen geverfde bloemenstalletje verafschuwen, door de gemeente ingetrokken.
Als de vraag komt of Gerard en Helena onderdak willen bieden aan Annie stemmen ze direct toe. Het grote huis biedt meer dan genoeg ruimte. Bovendien zien ze de aanwezigheid van zo'n huisgenoot als een gezellig intermezzo tot eigen kinderen zich aandienen. Dat gebeurt op 3 augustus 1931 met hun eerste zoon Rins Jan. Er zullen er nog twee volgen: Gerardina Martinus (op 17 juli 1934) en Petronella Helena (op 22 mei 1936). Heel lang blijft Annie er niet wonen. Dat komt omdat ze helemaal niets ziet in de haar min of meer opgedrongen notarisstudie. Ze verhuist al snel als au pair naar Hannover. Gerard en Helena moeten na enige tijd vaststellen, dat het huis op het Valkenbosplein toch echt te groot is. Ze vertrekken eind mei 1936 naar de Daal en Bergselaan 64.
Hartman is niet de eerste die op het plein kost en inwoning biedt. Die eer valt te beurt aan de familie Tammenga. De uit Leeuwarden afkomstige Gerrit, fabrikant in vleeswaren, die op 26 juni 1902 is getrouwd met Meiltje Kamminga, betrekt in december 1913 Valkenbosplein 5 (huur: 600 gulden per jaar). Het pand, onderdeel van een serie van zes winkels met bovenhuizen, is enkele maanden eerder door bouwkundige Hendrik Rutgers neergezet. Het pension, onderdeel van 289 officieel geregistreerde Haagse kost- en inwoninghuizen, wordt bestierd door zijn vrouw. Gerrit werkt als slager in de vleeshouwerij van Gerard Blonk aan het Valkenbosplein 3. Hij dankt die baan deels aan het feit, dat hij is gehuwd. Zo vermeldde Blonks advertentie: ‘Gevraagd: een bekwame slagersknecht, liefst getrouwd’. Een paar jaar na de komst naar Den Haag strandt het huwelijk. Gerrit vertrekt naar Miami in Florida om als fabrikant van vleeswaren goede zaken te doen. Meiltje, die achter blijft met drie dochters (Lea Hendrika – 1902, Durkje Meino – 1904 en Harmke – 1905)  vindt als pensionhoudster in 1922 nieuw (kortstondig) geluk bij Johannes Crijnen (boekhouder). Het paar gaat op 30 januari 1929 officieel uit elkaar. Het leeftijdsverschil van 16 jaar blijkt een struikelblok.

Tentoonstelling

De ligging van het herenhuis van Hartman verraadt dat Annie M.G. Schmidt ruim zicht had op het plein, dat burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage, door de jaren heen, een record aantal uren vergaderen kostte, voordat de ‘definitieve’ vormgeving een feit was. Het plein, dat bij
Het eerste schetsontwerp van Valkenbosch-
  plein 21 met op de eerste etage een lang-      
werpig balkon.               Tekening: Hans Piët

raadsbesluit van 25 juli 1904 zijn naam krijgt, is zo lang zo'n zooitje, dat de bewoners, wiens klachten niet worden gehoord door de gemeente, in juni 1914 besluiten een commissie op te richten. Doel is om in dat najaar met een kleine tentoonstelling vol fotografieën en tekeningen te herdenken dat het Valkenbosplein tien jaar overhoop ligt. Daarbij moet door middel van statistieken duidelijk worden welke verliezen winkeliers, zoals banketbakker P. Nieuwerkerk (nr.1), slagerij G. Blonk (nr. 3), delicatessen-winkelier H.G.J.M. Liesker (nr. 11d), sigarettenhandel J.N. Herman (nr.12) en horlogemaker en opticien C.A. van Monsjou (nr.15) hebben geleden. De commissie heeft het plan de wethouder van openbare werken, mr. Drooglever Fortuyn, uit te nodigen het erelidmaatschap te aanvaarden. Die expositie is er nooit gekomen. Wel schudden de berichten hierover, die in zo'n beetje alle landelijke en regionale dagbladen terecht komen, de gemeenteraad wakker.
Dat een definitieve vormgeving van het plein uiteindelijk bijna 25 jaar op zich laat wachten, heeft verschillende oorzaken. Grootste ‘boosdoeners’ zijn, in eerste instantie, stedenbouwkundige Hendrik Petrus Berlage, volgens verschillende Haagse raadsleden uit die tijd ‘de man aan wie Den Haag zijn toekomst heeft toevertrouwd’, en architect Johannes Gerardus Vos. Eerstgenoemde ontwerpt aan het begin van de twintigste eeuw verschillende stratenplannen voor Den Haag. De eerste is voor Valkenbosch waarmee hij veel lof oogst. Nadat deze (fantasievolle) indeling op 25 januari 1904, met enige gretigheid, door de gemeenteraad is goedgekeurd en even later ook de plannen voor wat de bomenbuurt moet worden, klaarliggen, ontstaat bij Berlage het idee een Ceintuurbaan te ontwerpen. Wat is er efficiënter dan, met het toenemend (auto)verkeer, een rondweg aan te leggen die de buitenwijken van de stad verbindt met het centrum. Het gemeentebestuur is enthousiast. "Een mooiere verbinding tussen twee gedeelten der gemeente is niet te bedenken", meent het liberale raadslid Samuel Vas Dias.
Gevolg is, dat het oude plan moet worden aangepast. Berlage presenteert het in maart 1908. Wat hij voor deze Ceintuurbaan heeft voorzien is een 27 meter brede straat. In zijn idee loopt deze weg in noordelijke richting via de Fahrenheitstraat met een flauwe bocht naar een nieuw te ontwerpen brug over het Afvoerkanaal. Op die manier ontstaat er een verbinding met het Stadhoudersplein, de Stadhouderslaan en het stratenplan Zandoord (Het Statenkwartier). In zuidelijke richting moet de weg lopen van de Fahrenheitstraat, die tussen de Laan van Meerdervoort en de Valkenboslaan aan de westzijde moet worden verbreed, tot de Cartesiusstraat. Daar moet de Ceintuurbaan hoekig worden omgebogen om vervolgens middels een brug over de Loosduinsche Vaart verder zuidwaarts te worden geleid.
De begeleidende Commissie van Fabricage blijkt nogal wat bezwaren te hebben. Behalve dat ze vindt, dat je een vier jaar eerder goedgekeurd plan niet zomaar opzij kunt schuiven, zijn het vooral financiële motieven die spelen. De drie raadsleden in die commissie roepen in koor, dat niet is te voorzien wat de financiële gevolgen zullen zijn en of die extra uitgaven wel rechtvaardig genoemd mogen worden. Zo staat bijvoorbeeld vast dat het gewijzigde plan 400 m2 meer straatoppervlak bevat en dat het stratenplan op de terreinen van maatschappij Houtrust ingrijpend moet worden aangepast. Er is uitgerekend dat de kosten wel eens zouden kunnen oplopen tot 190.000 gulden (€ 86.218).

Moeilijkste weg

Waar veel problemen hadden kunnen worden vermeden, ook omdat de Zuid-Hollandsche Bouwgrondmaatschappij, eigenaar van grote stukken te ontwikkelen weiland, bij hoge uitzondering en onder bepaalde voorwaarden wil meewerken en de Vogelwijk nog bestaat uit ongerept duinzand, kiest de gemeenteraad - niet voor het eerst - voor de moeilijkste weg. Berlage laat even later, in zijn bijgestelde plan, de Valkenboslaan en daarmee de Ceintuurbaan doorlopen tot aan het (grotendeels nog in ontwikkeling zijnde) Valkenbosplein. In zijn visie kruist de baan daar de Laan van Meerdervoort, loopt verder over wat nu de Ieplaan is en komt met een flauwe bocht alsnog bij die nieuwe brug en de Stadhouderslaan terecht.
En dan beginnen de problemen. De grond aan de kant van Valkenbos (een deel van het voormalige landgoed Valkenbosch) die nodig zou zijn voor een rechte oversteek van de Ceintuurbaan, is al bebouwd. Timmerman en bouwondernemer Gerrit de Boer heeft op 25 september 1902, de tijd dat het weiland nog aan Loosduinen toebehoorde voor 12.450 gulden
(€ 5649) vijf kavels gekocht van de NV Het Valkenbosch. Het stuk grond aan de kant van de latere Valkenboslaan (kadasternummer AM 146) verkoopt hij, na een aantal maanden, aan de directeur van die naamloze vennootschap,
Plattegrond  van  de  plaats  waar
Gerrit de Boer als eerste  zijn hui-
zen optrok.        Tekening archief

Nicolaas Johannes Boon. Op de andere kavels zet hij, zoals contractueel is vastgelegd, vier herenhuizen neer. Die bouw heeft heel wat voeten in de aarde. Zo leert de geschiedenis, dat De Boer op 23 maart 1903, zijn eerste tekeningen inlevert. Ze worden door de Bouwpolitie afgewezen. Een belangrijke reden hiervoor is niet terug te vinden in ondeugdelijke schetsontwerpen. De gemeenteraad grijpt terug op een raadsbesluit van 21 april 1891. Daarin staat dat er in Den Haag alleen huizen mogen worden neergezet aan door de gemeenteraad aangewezen openbare straat. 'Overwegend dat de bedoelde bouw niet is ontworpen aan een straat aangelegd ter plaatsen en het stratenplan nog niet is goedgekeurd, wordt u verzoek afgewezen', staat er in een schrijven van 3 april te lezen. Op 13 mei van dat jaar doet hij een nieuwe poging. De Boer meent dat zijn huizen wel degelijk aan een straat liggen namelijk 'de verlengde Laan van Meerdervoort' en aan de diagonale straat aldaar. Op 2 juni meldt de Commissie voor de Plaatselijke Werken en Eigendommen 'geen termen  te hebben gevonden om op het besluit van april terug te komen'.
Vreemd daarbij is, dat hij eerder wel toestemming heeft gekregen om zijn woningen op het gemeenteriool aan te sluiten. Ook mag de bouwkundige gebruik maken van de Duinwaterleiding. Zolang hij de aanleg van de buizen en leidingen zelf betaalt. Dat goedkeuring voor de bouw ontbreekt, komt, zo is er in de brieven van 4 en 23 maart 1903 te lezen, 'omdat de (bij Berlage in schetsontwerp zijnde, onbenoemde) straten (aangeduid als liggend 'ten westen van de Beeklaan') nog niet in eigendom zijn gegeven aan de gemeente'.
De oorspronkelijk uit Munnekeburen, Weststellingwerf, Friesland afkomstige Gerrit de Boer heeft echter geen tijd om te wachten. Hij schrijft al huurders te hebben voor zijn panden. Om die reden besluit hij om, zonder schriftelijke toestemming, opdracht te geven tot het neerzetten van de herenhuizen. Dat levert hem op 22 juli 1903 weliswaar een proces verbaal op van adjunct-inspecteur Nicolaas Johannes Luken, maar dan is de bouw al zo ver gevorderd, dat hij niet meer kan worden stilgelegd. Erg lang plezier van zijn prestatie heeft Gerrit de Boer - in 1895 in Den Haag getrouwd met de voormalige dienstbode Apolonia Rossie - niet. Hij overlijdt op 16 februari 1905 op 35-jarige leeftijd, maar wel met de zekerheid de eerste bouwer van het Valkenbosplein te zijn. Bijna onvermijdelijk daarbij is, dat hij ook de eerste bewoners levert. Het zijn de directeur en lithograaf van de N.V. Lithografie v/h Lankhout & Co. Deze Henri Lankhout, een in vak- en kunstkringen zeer beminde Joodse ondernemer (zo was hij penningmeester van de Haagse Kunstkring) neemt begin 1904 met z'n gezin zijn intrek in nummer 7. De keuze voor het pand valt samen met de ligging van zijn eigen steen- en boekdrukkerij en binderij. Deze is gevestigd in de Noorderbeekdwarsstraat 47. De nummers 6 en 8 worden verhuurd aan de weduwen Mees-Del Campo en Hos-Passtoors. Wanneer de bouw op het plein is voltooid veranderen de huisnummers in 17, 18 en 19. Spijtig daarbij is misschien, dat de panden inmiddels plaats hebben moeten maken voor nieuwbouw.

Onmogelijk

Dat de bouw van Gerrit de Boer het recht oversteken van de Laan van Meerdervoort onmogelijk heeft gemaakt voor de Ceintuurbaan, is niet het enige probleem voor burgemeester & wethouders. Het land aan de andere kant dat nodig is voor die aansluiting, de Duinrustkant, is in het bezit van Johannes Gerardus Vos. Als jonge ondernemer heeft hij in april 1905 AN 236 (1289 m2) en AN 63 (156 m2) voor 15 gulden per m2 van de maatschappij tot exploitatie van onroerende goederen Houtrust gekocht. Zijn plan is er acht herenhuizen neer te zetten. De toestemming hiervoor volgt in mei van dat jaar. Wat de gemeente echter nalaat, is het bepalen van de rooilijn waardoor Vos niet kan gaan bouwen. Elk verzoek tot vaststelling blijft vervolgens onbeantwoord. Het duurt ruim drie jaar voordat hierover, voor het eerst, contact met de bouwkundige wordt opgenomen. Isaac Anne Lindo (roepnaam Jack), directeur der Gemeentewerken, wil in oktober 1908 weten voor hoeveel hij zijn bezit verkoopt. Vos vraagt 30 gulden per m2. De gemeente betaalt echter veelal niet meer dan 2 tot 6 gulden en liever veel minder. Zo wil ze bijvoorbeeld voor de aankoop van duingronden maximaal een gulden per m2 neertellen. Er zijn natuurlijk uitzonderingen. Zo wordt het in 1917 niet als een probleem ervaren 128 gulden per m2 neer te leggen voor grond in de huidige Vogelwijk.
Schetsmodel van het Valkenbosplein begin vorige eeuw, waarbij het huizenplan met de naar boven opgeschoven bocht van de Ceintuurbaan zichtbaar is.                                                                                                                   Tekening: Hans Piët

Het stuk land dat Vos de gemeente in eerste instantie aanbiedt, behelst meer dan de 14 are en 45 centiare van AN 236 en AN 63. Twee bevriende bouwgronddirecteuren - ir. Jan van de Wall (‘Houtrust’) en Martinus Zanen (Maatschappij tot exploitatie van onroerende goederen ‘Laan van Meerdervoort’) - hebben aan die Duinrustkant namelijk nog wat, voor hun, weinig winstgevende percelen liggen. Het gaat om 210 m2 van AN 156, het ten noordwesten daarvan gelegen strookje AN 155 (76 m2) en AN 235 (33 m2). Zij zien het als een zegen wanneer Vos ook die voor 30 gulden per m2 zal weten te slijten. Zodoende is het bedrag dat de gemeente zal moeten neertellen 58.950 gulden (€ 26.750). Zakenman als Vos is, geldt het aanbod tot 1 januari 1909. Bovendien is er een aantal voorwaarden. Wordt AN 235 geen openbare straat dan moet de gemeente het hele perceel aankopen. Het bedrag van de transactie moet voor 1 februari 1909 op zijn rekening staan. Zo niet, dan gaat de gemeente tot de uitbetaling 5 procent rente betalen. Directeur Lindo stelt al snel vast "dat zo'n bedrag niet rechtvaardig mag worden geacht voor het verbeteren van de verkeerssituatie". Bovendien, zo merkt hij op, zal het land van Vos waarschijnlijk niet snel bebouwd gaan worden. "Want, ook het stratenplan van Duinrust heeft uitgangen naar andere wijken nodig".

Te tochtig

Wat op dat moment mogelijk meespeelt in zijn oordeel, is dat ook hij een rondweg om Den Haag heeft ontworpen. Deze is in goede aarde gevallen bij sommige raadsleden. Zo meent architect Wilhelmus Bernardus van Liefland (lid van de Katholieke Kiesvereniging), "dat de heer Lindo haar brengt op de plaats waar zij eigenlijk hoort, namelijk zoveel mogelijk om de stad heen".
In zijn ogen is Berlage heel verkeerd bezig. "Hij kiest niet voor het kruisen der straten maar voor pleinen in ronde vorm. Bijna alle buitenlandse geleerden in zaken stedenaanleg veroordelen deze werkwijze. Het grootste bezwaar daarbij is, dat pleinen veel te open, te tochtig en bij het passeren, te gevaarlijk zijn".
De gemeenteraad stelt een paar vergaderingen later vast (op 22 mei 1909), dat ze slechts AN 63 helemaal en AN 236 voor het grootste deel nodig heeft voor de aansluiting. Het noopt Vos beide stukken, met tegenzin, voor 20.500 gulden (€ 9300) aan te bieden. De praktijk heeft namelijk uitgewezen, dat de grond bijzonder gunstig is gelegen voor bouwdoeleinden. Particulieren zijn bereid er fikse bedragen voor te betalen.
Het nieuwe aanbod kan door de gemeente niet zomaar worden geaccepteerd. Het gaat opnieuw door de ambtelijke molen. Zo kijken burgemeester en wethouders en de directie der Gemeentewerken er nogmaals naar, maar wijzen het aanbod af. Een belangrijke overweging is, dat AN 236 voor het grootste deel zal veranderen in straat. En aangezien bouwondernemers bij het neerzetten van hun huizen tevens de straataanleg voor die panden moeten bekostigen, zijn het dus voor het grootste deel oneigenlijke uitgaven. "Door toe te stemmen schep je een precedent", aldus B&W.
Ook de Commissie voor Plaatselijke Werken en Eigendommen zegt "geen vrijheid te vinden om aankoop op dien voet te bevorderen. Er wordt niet een zodanige verbetering verkregen, dat daar een uitgave van f 20.500,- tegenop zou wegen".
Vos houdt echter voet bij stuk. Het gevolg is, dat de gemeenteraad tijdens zijn vergadering van 26 juli 1909 tot onteigening besluit. Op 23 augustus van dat jaar volgt een door de Commissie voor de Strafverordeningen opgesteld bouwverbod voor het hele (nog niet bebouwde) Valkenbosplein. Het heeft weinig zin, want op 3 maart 1910 komt bij koninklijk besluit vast te staan, dat de gemeente handelt in strijd met de wet. Ze mag helemaal niet onteigenen. Reden: de gemeente vraagt een, naar billijkheid, te groot stuk land van Vos. De opoffering (1255 m2) is te groot. Er blijft te weinig grond (200 m2) over om huizen op te zetten.
Het bouwverbod gaat ook niet op. De gemeenteraad heeft op 1 februari 1909 weliswaar bepaald dat AN 236 is bestemd voor straataanleg, maar wat zij over het hoofd ziet, is dat het raadsbesluit van 21 april 1891 in dit geval niet opgaat. Volgens de raadsleden zet Vos zijn acht panden op en niet aan een straat. Helaas. Ze komen wel degelijk aan een straat te liggen, namelijk aan de Laan van Meerdervoort. Wat bovendien meespeelt, is dat Vos al in 1905 toestemming heeft gekregen om er huizen neer te zetten.
Wat de architect en bouwkundige het meest dwars zit, is dat de gemeente in al die tijd, niets heeft ondernomen om bedoelde gronden langs minnelijke weg in eigendom te krijgen. "Nimmer is er sprake geweest van onderhandelingen in de ware zin des woords", aldus Vos.
De gemeenteraad laat op 22 januari 1911 officieel weten af te zien van aankoop. Dat is nadat Vos, die inmiddels een riant pand voor zijn gezin heeft neergezet op de hoek van de Beeklaan en de Morsestraat (nr 441) en een eigen tennisbaan heeft aan de Wilgstraat, het laatste aanbod van Jack Lindo afwijst. De directeur Gemeentewerken heeft, in samenwerking met de Commissie voor Plaatselijke Werken en Eigendommen, bedacht dat de gemeente het land voor 8550 gulden
(€ 3800) in bezit moet kunnen krijgen. Hoewel! Lindo meent dat het plan 2000 gulden minder kan kosten. De bouwondernemer draait immers niet op voor de uitgaven van straataanleg.

Scherpe bocht

Om de Ceintuurbaan toch te kunnen verwezenlijken, kiest de gemeenteraad op 14 februari 1911 voor een andere manier van aansluiten. De keuze valt op een scherpe bocht, die deels achter de te bouwen huizen van Vos loopt. 'Dat levert geen overwegend bezwaar op. Zulke bochten komen in tal van straten voor en schijnen op ene tekening gezien hinderlijker, zowel uit verkeers- als uit schoonheidsoogpunt, dan zij in werkelijkheid zijn', aldus de gemeenteraad. Alle genomen besluiten uit eerdere jaren, zoals bijvoorbeeld het niet mogen bouwen of herbouwen op het plein uit augustus 1909, worden ingetrokken.
Een van de probeersels om toch een Ceintuurbaan te kun-
nen aanleggen.                                     Tekening: archief
Die opstelling betekent, dat van het plan een rondweg aan te leggen, weinig terecht kan komen. De scherpe bocht aan het plein houdt namelijk in dat, mede door de lus van de trambaan die er in september 1905 voor de lijnen G en C is neergelegd, van een soepele doorstroming geen sprake kan zijn. Bovendien ontstaan nieuwe problemen. Om de breedte van 27 meter te kunnen aanhouden en om achter de te bouwen huizen van Vos langs te kunnen, moet de bocht naar boven opschuiven. Gevolg is, dat hij zal komen te liggen vlak langs wat nu Beeklaan 416 is. Het pand, naar een ontwerp van architect Petrus Adrianus Zadelaar, maakt deel uit van een serie van tien herenhuizen, die de Maatschappij tot Exploitatie van Onroerende Goederen Statenplein in januari 1912 wil gaan neerzetten. Na het horen van de nieuwe plannen dient directeur en bouwkundige Pieter Smoor, direct een bezwaarschrift in. Hij meent, dat de woning heel veel in waarde daalt als er niet tegenaan wordt gebouwd. Bovendien is het niet als hoekhuis ontworpen. Hierdoor moet de bouwtekening worden aangepast en zullen er andere materialen moeten worden gebruikt. Wat voor Bouw en Woningtoezicht uiteindelijk de doorslag geeft om niet verder aan te dringen, is dat Smoor de grond niet wil afstaan. En hij heeft het recht aan zijn kant. Er is namelijk wettelijk vastgelegd dat het is bestemd voor huizenbouw.

Jongere broer

Jan Vos, die nieuwe bouwideeën heeft opgedaan in juli 1907 en maart 1908, tijdens vakantie- reisjes met zijn gezin naar New York, zit ondertussen niet stil. Hij verwerft AN 235 en voegt dat perceel samen met een deel van AN 236. Begin 1912 verkoopt hij die grond met een leuke winst aan Jacob Hartman, de jongere broer van Rins en mede-oprichter van het in augustus 1901 gestarte familiebedrijf Het Klaverblad. De bouwkundige komt op 2 juli 1912 met een plan om aan de westzijde van het plein drie winkelhuizen en twee herenhuizen neer te zetten. Hij krijgt niet direct toestemming om te gaan bouwen. Bij het huis op de hoek van de Laan van Meerdervoort blijkt de lichtinval een probleem. Het kan, op de begane grond aan de tuinkant, niet onder de wettelijke hoek van zestig graden toetreden in de keuken en het daarnaast gelegen kamertje. Het blijft er dus te donker. In de winkelhuizen is de manier waarop de trappen worden geplaatst het struikelblok. Hartman ruimt ze uit de weg en mag in maart 1913 alsnog gaan bouwen. Jan Vos is zo blij met de ontwikkelingen dat hij, mede op aandringen van zijn vader Jan Vos sr. (directeur van de in 1906 gestarte Bouwgrondmaatschappij Duinrust en ook wel ‘de oude Vos’ genoemd), besluit om AN 356 aan de gemeente te schenken. Dit gebeurt later dat jaar waardoor in 1914 de al in 1908 ontvouwde plannen van een aansluiting van de Ieplaan aan de Laan van Meerdervoort alsnog werkelijkheid kunnen worden.
Een oplossing voor de Ceintuurbaan is er dan nog niet, ondanks dat de plannen, door de jaren heen, steeds weer zijn aangepast. Zo is op 17 december 1909 wettelijk  vastgelegd, dat hij niet overal even breed zal worden. 'Dat komt deels omdat gebruik wordt gemaakt van bestaande wegen, maar ook omdat afwisseling vanuit esthetisch oogpunt wenselijk is', aldus de gemeenteraad. 'In de regel kiezen we voor 27 meter, maar tegelijkertijd worden boom- en waterpartijen gespaard om zo een zeer natuurlijk verloop te krijgen'. Het helpt niet. Het Berlage-plan sterft uiteindelijk een stille dood.
Dat ook de Haagse Tramweg Maatschappij daarin een belangrijke rol speelt, is te danken aan de gemeenteraad, die de vervoerder (mogelijk gestimuleerd door de gratis jaarabonnementen voor directeuren en hoofdinspecteurs) geen strobreedte in de weg legt er een veel ruimte innemend en gevaarlijk knooppunt van te maken. Want, behalve dat de lijnen 3 en 7 (en in de zomer ook de naar het Gevers Deijnootplein rijdende lijn 14) in een lus over het plein rijden, ligt er tevens de toevoerlijn naar de tramremise aan de Laan van Meerdervoort, hoek Lijsterbesstraat (waar 40 wagen en 36 bijwagens kunnen worden gestald). Dat levert vanaf de eerste helft van 1917 nog een meer dan een jaar durende discussie op. De bewoners van het zich ontwikkelende zuidweste- lijk deel van Valkenbos, later gesteund door de Haagschen Huurdersbond, doen een voorstel om passagiers, die verder dan het plein wonen, te laten meerijden tot de remise. Hoewel de tijdsomstandigheden, dankzij de Eerste Wereldoorlog, niet ideaal zijn, wordt de beperking in stroomgebruik aangegrepen om het plan van tafel te vegen. Wanneer de HTM vervolgens van allerlei kanten te horen krijgt, dat dit onzin is omdat zij toch al met Lijn 3 naar die remise rijdt, krijgen passagiers met een geldig plaatsbewijs tot aan het Valkenbosplein vanaf september 1918 alsnog de gelegenheid om 's ochtends en 's avonds te blijven zitten tot de wagenloods.

Zessprong

Daarmee verandert er echter niets aan de structuur. Het, dankzij die lus, zeer onhandig neerge- legde plein blijft een zessprong van brede lanen. Veel Hagenaars zien de plek dan ook als het grilligste kruispunt van de Residentie. Voetgangers en fietsers wordt steeds opnieuw sterk afgeraden het plein te gebruiken. Dat is, dankzij de samenkomst van vooral de zeer intensief gebruikte Beeklaan en Valkenboslaan, levensgevaarlijk. Bovendien zorgt die lus ervoor dat fietsers op de hoeken regelmatig klem raken tussen tram en stoep. Wat daarbij ook niet meewerkt, is het zeer slechte wegdek en het feit dat trams regelmatig uit de rails lopen of vast komen te staan omdat er zand in de wissels zit. Ook wil de aanleg absoluut niet vlotten. Zo hebben zeven arbeiders in november 1914 vijf dagen nodig om het plantsoen te graven. Dankzij een staking bij de uitvoerder, de firma Van den Elshout, gaan er nog eens drie maanden overheen voordat er verder wordt gewerkt aan die openbare tuin en de omliggende bestrating. En dan te bedenken, dat het gaat om een plan dat al in september 1908 is goedgekeurd. Twijfel bij de gemeenteraads-leden zorgt er echter voor, dat de aanleg steeds wordt uitgesteld, want 'het is niet uitgesloten dat het plein wijzigingen zal ondergaan. Bovendien heeft zo'n plantsoen veel te lijden van de zeewind'.

Ontwerp uit 1928. Met de herziening  van het  volledige tramwegnet - de blauwe lijnen - worden  ook de  problemen op
 het Valkenbosplein aangepakt. Het wordt er een stuk veiliger.                                 Tekening: Haags Gemeente Archief.

Dat merken de bewoners, in die nog open ruimte, ook. In de zomermaanden is er sprake van onstuimig rondvliegend stof, zeker als de wind verkeerd staat. In de wintermaanden heeft het plein veel weg van een moeras. Pas geopende winkels zijn nauwelijks te bereiken. Er is sprake van een barricade aan rioolkolken, buizen, stapels planken, stenen en zand. Het nieuwste stuk Beeklaan is nauwelijks toegankelijk dankzij de door de gebroeders Van der Ploeg geplaatste keten, kalk- en timmerloodsen. Een bewoner memoreert: "Passagiers die 's avonds met de laatste tram aankomen, wagen, als ze niet willen omlopen, hun leven over een plankier die bij elke stap zwiept. Iets breken kan zomaar, want er hangen wel lantarens, maar licht geven doen ze niet".
De gemeente blijft ondertussen zoeken naar uitvluchten om geen geld te hoeven uitgeven. Dat blijkt bijvoorbeeld in 1910. Nadat de HTM op eigen kosten een onderkomen heeft neergezet voor haar trampersoneel, sluit de gemeente zich daar niet bij aan voor de reiziger. Er zijn tientallen klachten en protesten van omwonenden nodig voor ze overstag gaat en het wachthuisje er alsnog komt. Pijnlijk is, dat als het in de eerste helft van 1911 verschijnt, het op een verkeerde plek komt te staan. Zo is er nauwelijks ruimte voor wachtende reizigers terwijl het voor voetgangers en bestuurders nog lastiger is geworden een goed overzicht over het plein te krijgen. Gevolg is een toename in ongelukken.

Tramsporen

Het is een onbekend gebleven bewoner van het plein die in januari 1925 een (achteraf geslaagde) poging doet, aan te geven hoe het Valkenbosplein een stuk veiliger kan worden. In zijn visie zou de lus moeten verdwijnen en de tramsporen op de Laan van Meerdervoort rechtdoor moeten lopen. "Het grote voordeel is, dat het rijverkeer de trambaan niet langer hoeft te kruisen maar aan weerszijden met de trams kan oprijden".
Ook zou de tramhalte aan die laan van de lijnen 3 en 12 stadwaarts niet na maar voor het Valkenbosplein moeten liggen. "Bij het vertrek van de tram heeft hij dan niet de vaart die hij nu wel heeft. Dat maakt het voor verkeer komend van de Valkenboslaan, die geen goed zicht heeft of er een tram aankomt, een stuk veiliger".  
De Haagse hoofdinspecteur van politie Snethlage geeft later dat jaar nog eens aan dat het "een van de moeilijkste problemen is, zolang de ligging van het tramnet niet is opgelost".
Het antwoord dient zich aan in februari 1928. Burgemeester en wethouders hebben besloten het volledige Haagse tramwegnet te herzien. Aanleiding is de voorgenomen doortrekking van lijn 14 naar de Loosduinseweg. "Dat maakt het nodig, dat de loop der tramsporen op het Valkenbosplein grondig moet worden gewijzigd. Daarmee kan gepaard gaan een herziening van de inrichting van het gehele plein, dat zoals het nu is, verschillende gevaren oplevert voor het verkeer".
Volgens burgemeester en wethouders bedragen de kosten voor het hele plan 108.960 gulden
(€ 49.444). Daarvan is 90.000 gulden (€ 40.840) bestemd voor de uitvoering van het sporenplan en de daarmee verband houdende bestrating en plantsoenwerken. Verder is er nog een bedrag voor werken die verbeteringen voor het gewone verkeer ten doel hebben. Voor de herziening van het gehele Haagse tramwegnet is een bedrag van 1000.000 gulden (€ 453.780) beschikbaar.
Sindsdien is er weinig aan het Valkenbosplein veranderd. Wat in 1929 na klachten van bewoners zoals mr. Gerrit Jan Ulrich Palm, referendaris bij het departement van defensie, over uitlaatgassen en geluidsoverlast (in vooral de nachtelijke uren) is aangepast, is de taxistandplaats. Eerst gelegen voor de huizen die door Jacob Hartman werden neergezet, zijn die auto's nu te vinden langs het plein aan de Laan van Meerdervoort. In 1930 wordt de Laan van Meerdervoort en daarmee het Valkenbosplein geasfalteerd. In 1972 is het de beurt aan de tramhalte. Voor een betere doorstroming van de Groot Hertoginnelaan naar de Beeklaan en de Valkenboslaan wordt ervoor gekozen de halte iets op te schuiven. Andere kleine veranderingen sindsdien (zoals een vrije trambaan) stellen, de gehele geschiedenis van het plein bekijkend, weinig voor. En de gemeenteraad is blij, dat ze een hoofdpijndossier heeft kunnen sluiten.

© Haags Nieuws Bureau 2020