Posts tonen met het label HTM. Alle posts tonen
Posts tonen met het label HTM. Alle posts tonen

zondag 18 mei 2025

Honden


 HONDEN IN DE TRAM

Argumenten door
de tijd ingehaald

door Hans Piët

DEN HAAG – Een eeuw geleden was het verboden om in de tram de hond mee te nemen. De belangrijkste reden was, dat de voertuigen slechts ruimte boden aan een zeer beperkt aantal passagiers. Zo hanteerde de in Londen gevestigde Dutch Tramway Company – onder leiding van de Belgische directeur ir. Louis Benjamin Wauthy (op 14 april 1847 geboren in Gougnies) van juni 1864 tot februari 1867 het eerste operationele trambedrijf in de Benelux – uitgebouwde koetsen als paardentram. Met de komst van de eerste stoomtramlijn tussen het station Den Haag Staatsspoor, gelegen aan de Rijnstraat, en Scheveningen werd het niet beter. Aardig detail is, dat ’s-Gravenhage die tramprimeurs wist vast te houden. Na die eerste stoomtram in 1879, gold dat op 2 augustus 1890 ook voor de eerste elektrische tram (op accu’s). Deze reed tussen het Plein en Scheveningen (in de zomer tot aan het Kurhaus).
Dat de Haagsche Tramway Maatschappij (die op 4 juli 1867 de rechten en plichten van de Dutch Tramway Company Limited overnam en op 17 augustus 1867 haar koninklijk goedkeuring ontving) honden bleef weigeren, was slechts gedeeltelijk haar eigen keuze. De Algemene Politieverordening, in 1902 vastgelegd in artikel 104, liet dit niet toe. Daarin stond expliciet vermeld: ‘Het is verboden in of op voor personen bestemde tramrijtuigen honden toe te laten of mede te brengen’. Het uit vijf man bestaande bestuur van de trammaatschappij leek andere zorgen te hebben. Zo is in haar door de gemeenteraad goedgekeurde concessie uit 1902 in artikel 33 terug te lezen: ‘Het vervoer van vis in de personenwagen is niet toegestaan’. 
Protest over het niet mogen meenemen van de hond kon niet uitblijven. Ook omdat in de bredere Blauwe Tram (met eindbestemmingen als Leiden en Haarlem) vervoer van het dier wel werd goedgevonden. Hondenliefhebbers die zich aan het begin van de twintigste eeuw over een grotere afstand binnen de stadsgrenzen wilden verplaatsen en de hond niet wilden thuislaten, waren dus veroordeeld tot een wandeling, dan wel het gebruik van een duurder vervoermiddel. Op z’n minst opmerkelijk in die periode was, dat wanneer met het huisdier vanuit Delft of Leiden werd gereisd er geen problemen waren tot het Rijswijkseplein dan wel de Koningsbrug. Daar werden de reiziger en zijn hond uit de tram gezet. De reden was, dat het vanaf die twee haltes om trajecten met de stadstram ging, dus trad de Algemene Politieverordening in werking.

Achter de wagen

In de loop der jaren meende een aanzienlijk aantal bezitters van grote honden de oplossing voor het probleem te hebben gevonden. Ze reden comfortabel met de tram mee en lieten hun hond naast of achter de wagen rennen. Dat was het beest wel gewend, want wanneer tijdens een uitje de fiets werd gebruikt, gebeurde eenzelfde soort iets. ‘En die tram rijdt echt niet harder dan het rijwiel’, luidde de algemene stelling van de dierenliefhebbers. ‘Bovendien krijgt de hond bij de haltes de kans om even uit te rusten’. Dat daarbij zijn tong uit z’n bek hangt, is volgens de eigenaren geen teken van vermoeidheid. Het gevolg laat zich raden. Niet alleen de hond maar ook het verkeer werd hierdoor ernstig in gevaar gebracht. Het was in Amsterdam, aan het begin van de vorige eeuw, reden de conducteurs de opdracht mee te geven bij het bemerken van deze handeling de baas uit de tram te zetten, na hem te hebben gewezen op de gevaren.
De hond heeft bijna zeventig jaar moeten wachten voor hij
in de tram werd toegelaten. Tekening: Hans Piët.               

Motor- en fietsenrijders, maar (zeker later) ook automobilisten werden op die manier onnodig blootgesteld aan een ongelukkige botsing omdat het dier of de chauffeur van de twee- of vierwieler niet tijdig had kunnen uitwijken.
In de Residentie is in de loop der jaren door verschillende partijen meermaals gesuggereerd de politieverordening aan te passen. Door het wettelijk te verbieden zou aan de eigenaar van het meerennende dier een bekeuring kunnen worden uitgedeeld. Ook zou hij, zonder omhaal van woorden, uit de tram kunnen worden gezet. De geschiedenis leert dat er een andere keuze wordt gemaakt. Zo beslist de directeur van de HTM, Anne Willem Elie Weijerman (op 7 juli 1871 geboren in Rotterdam) in november 1927, met goedkeuring van B&W, tot een proef met honden in de tram. Het loopt slecht af. Het publiek blijkt niet echt gediend van zijn aanwezigheid in die nog altijd erg krappe tram. Dat besloten wordt de honden aangelijnd op het voorbalkon te plaatsen, valt verkeerd. Dat blijkt ook op 1 december van dat jaar als tijdens de gemeenteraadsvergadering het voorstel van de Commissie voor de Strafverordeningen tot het wijzigen van artikel 104 der Algemene Politieverordening wordt besproken. Tijdens die zitting laat Ferdinand Bernardus Gerardus Wilhelmus Spit (op 6 januari 1892 geboren in Almelo) weten dat hij persoonlijk heeft meegemaakt, hoe een op het voorbalkon geplaatste herdershond het verkeer in gevaar bracht. “De bestuurder, blijkbaar bang voor die hond, heeft zich gedurende anderhalve kilometer zeker honderd keer naar het beest omgedraaid. In die tijd heeft hij dus niet vooruit kunnen kijken. Dit heeft mij de overtuiging gebracht dat het meenemen van een hond op het voorbalkon absoluut de veiligheid van het verkeer in gevaar kan brengen. Ik zal dus tegen het voorstel stemmen”.

Overlast

Mr. Jan Eliza Wilhelm Duijs (op 21 februari 1877 geboren in Nijmegen) laat als dierenvriend weten ook geen voorstander van een wijziging te zijn. “Een goede stelregel is dat iemands plezier, wil het behoorlijk zijn, niet moet steunen op overlast aan anderen. Ik zal het nu niet hebben over de groeiende verontreiniging in vooral de buitenwijken door het dierbare hondenras. Waren alle dieren schoothondjes, dan had ik geen probleem met het vervoer door de tram, maar het formaat begint zo langzamerhand uit de hand te lopen. Stelt u zich eens voor, u wilt op het voorbalkon van de tram stappen. Omdat dit balkon wat hoger ligt dan de straat, kijkt u ongewild in de facie van zo’n wolfshond. Een zekere schik zit er dan al direct in. Eenmaal in de tram volgt er op een gegeven moment een draai of een bocht. Wordt geen stang vastgehouden dan is een zwaai naar links of rechts, waarbij u tegen een medepassagier aankomt, niet uitgesloten. Wat gebeurt er als die passagier een buldog is? Iedereen zal begrijpen dat zo’n beest niet ‘I am sorry’ zegt of ‘pas de quoi’. Ik denk dat een enigszins ander onthaal uw deel zal zijn. En dan heb ik het nog niet eens over dames met dure japonnen die met slecht weer de tram nemen en te maken krijgen met drijfnatte beesten. Als mensen die honden hebben hun dierenliefde willen tonen, moeten ze zich daarvoor opofferingen getroosten, maar hier willen die dierenvrienden opofferingen van anderen vergen en zelf geen offers brengen. Ik noem dat een zeer goedkope dierenliefde”.
Ook gemeenteraadslid Michel Joëls (op 24 november 1881 geboren in ’s-Gravenhage) steunt het voorstel niet. “Heeft het gemeentebestuur zich er rekenschap van gegeven dat de aanwezigheid van grote honden de veiligheid van het verkeer in gevaar kan brengen. Als bestuurders vertellen dat zodra die hond onrustig begint te worden, zij zich onbehagelijk gaan voelen en hopen dat het beest zo snel mogelijk de tram verlaat, dan is er geen sprake van een ideale situatie. Daarbij leert de praktijk dat een hond op de buitenlijn nog wel eens wagenziek wordt. Stel je voor dat dit in een volle stadstram gebeurt! Ik behoef verder zeker niets meer te vertellen”.
Lodewijk Franciscus Duymaer van Twist (op 9 november 1865 geboren in Den Haag) vraagt zich af wie de schade betaalt als er iets met een hond gebeurt, als hij bijvoorbeeld bang wordt en gaat bijten waarbij een passagier gewond raakt. “Is de gemeente dan verantwoordelijk of de trammaatschappij? Het is gewenst als hierover zekerheid bestaat”.
De voorzitter, burgemeester Jacob Adriaan Nicolaas Patijn (op 9 februari 1873 geboren in Den Haag), wijst erop dat de eigenaar van het beest aansprakelijk is voor de schade, dat geeft artikel 104 van het Burgerlijk Wetboek aan. Hij probeert de raadsleden nog enigszins gerust te stellen door te melden dat het de bedoeling is de honden op het voorbalkon van de bijwagen toe te laten. Is die wagen er niet, dan is het aan de conducteur ter beoordeling. “In de wijziging staat namelijk mag. Bovendien zal in de regel het voorbalkon leger zijn omdat de passagiers merendeels via het achterbalkon in de wagen stappen”.
Wanneer het voorstel in stemming wordt gebracht blijkt dat het met 23 tegen 10 stemmen wordt verworpen.

Financiële positie

Het duurt niet lang – tot 3 april 1933 – voordat het toelaten van de hond in de tram opnieuw in de Haagse gemeenteraad wordt behandeld. Deze keer is het de directie van de HTM die hoopt op een positief antwoord. Sceptici menen dat het voorstel vooral voortkomt uit het idee, nu de financiële positie van het trambedrijf niet zonder zorgen is, op die wijze meer passagiers te trekken. Zij herinneren zich dat Jacob Adriaan de Wilde (op 7 januari 1879 geboren in Goes) in 1927, als voorzitter van de raad van beheer van de HTM en ook wethouder van financiën, tegen het voorstel had gestemd. Bij de tweede poging is er een nieuwe voorzitter van de raad. Het is Fredericus Nicolaas Vincentius Quant (op 10 februari 1871 geboren in Den Haag).
Bij de tweede behandeling neemt Michel Joëls als eerste het woord. Hij ziet geen motiverende redenen waarom de Commissie voor de Strafverordeningen het voorstel opnieuw in de raad brengt. De argumenten zijn niet veranderd. Hij zal dan ook opnieuw tegen stemmen. Wordt het toch aangenomen dan zou hij graag zien dat de grotere dieren dan de schoothondjes alleen op het voorbalkon van de aanhangwagen, dus niet op het voorbalkon van de motorwagen, worden toegelaten. “Dit is een verbetering en nodig in verband met de veiligheid van het verkeer”.
Ook Lambertus Louis Emile Eugène Maria Moonen (op 25 maart 1878 geboren in ‘s-Gravenhage) is tegenstander. Hoewel hondenbezitter ziet ook hij een gevaar in het toestaan van honden op het voorbalkon van de motorwagen. “Ik kan mij voorstellen dat een bestuurder die een brommende hond achter zich heeft of een hond die tegen hem opspringt, wordt afgeleid en niet zijn volle aandacht besteedt aan de veiligheid van het verkeer. Ik stem alleen voor als die honden worden toegelaten op de voorbalkons van de volgwagen en als het om slechts een motorwagen gaat, op het achterbalkon”.

Overdreven

Dr. Wouter Johannes Hartmann (op 16 augustus 1874 geboren in Sliedrecht) vindt de bezwaren van voorgaande sprekers enigszins overdreven. “Ik maak dikwijls gebruik van de Blauwe Tram en de HTM-lijnen naar Delft en Leiden. Het is mij nog nooit overkomen dat er een hond in een van die trams aanwezig was. Tegelijkertijd vraag ik mij af of het toelaten niet eerder een nadeel dan een voordeel voor de HTM betekent. De kans is namelijk groot dat het vervoersbedrijf passagiers, die bang zijn voor honden, gaat missen. Dat oordeel laat ik echter over aan de heren van de HTM. Die zullen dit beter dan ik hebben bekeken”.
De voorzitter, burgemeester jhr. mr. dr. Lodewijk Hendrik Nicolaas Bosch ridder van Rosenthal (op 7 april 1884 geboren in Dordrecht) vindt het niet vreemd dat de discussie opnieuw wordt gevoerd. Hij meent dat de zaak indertijd niet serieus is bekeken. “De toen gebruikte argumenten waren weinig houtsnijdend. In dit voorstel vinden zich tezamen de vrienden van de hond en de vrienden van de tram. Laat ik even vertellen dat wij in onze gemeente het voorrecht hebben 18.200 honden te tellen, die jaarlijks aan belasting circa 110 à 120.000 gulden (€ 54.454) opbrengen. Als er 50 of 60 kwade honden tussen zitten, kan ik u verzekeren dat deze dieren bij de politie bekend zijn. Ze zijn verplicht een muilkorf te dragen. In de tram kan de conducteur erop toezien dat er geen honden worden toegelaten die last veroorzaken. Gebeurt het toch dan kan hij ze onmiddellijk uit het voertuig verwijderen. Ik stel voor de honden toe te laten op de voorbalkons van alle trams. Het publiek vindt dan op de achterbalkons en in de tramwagens gelegenheid zich niet aan de honden te hoeven ergeren. Blijken er bezwaren aan te zijn verbonden dan kunnen wij in aangenaam overleg met de HTM proberen die problemen weg te nemen”.
Het voorstel wordt met 30 tegen 5 stemmen aangenomen. Daarbij wordt vastgelegd dat op elk voorbalkon niet meer dan één hond tegelijkertijd mag worden vervoerd. Voor het dier moet de gewone, ook voor mensen geldende vrachtprijs worden betaald. Kleine honden, die niet aan aantal zijn gebonden, dienen onder de arm of op schoot te worden vervoerd. 

Gedeputeerde Staten

Die wijziging van artikel 104 der Algemene Politieverordening gaat niet direct in. Dat komt omdat het om een verandering in een richtlijn gaat en die moet eerst door Gedeputeerde Staten worden goedgekeurd. Gevolg is, dat veel Haagse hondenbezitters van een koude kermis thuiskomen. Het 
Eerste hond op een Haagse
tram. Foto: krantenarchief.

merendeel van die wandelaars is hiervan niet op de hoogte, waardoor eerste pogingen om met de hond in de tram huiswaarts te keren, mislukken.
Tegenstanders van het besluit, gebruiken veelal de dagbladen om hun argumenten te plaatsen. Een van hen merkt op: ‘stel dat het slecht weer is, wat nogal eens voorkomt. Diep in de kraag gedoken, wachtend op de tram, wordt, wanneer hij eindelijk arriveert, de toegang geweigerd. Bij een blik in het voertuig blijkt het balkon te zijn gevuld met een aantal tegen elkaar grommende en elkaar besnuffelende honden. Geen plaats meer, aldus de conducteur. Dat wordt wachten op de volgende tram of naar huis lopen. Eenmaal thuis is er het zachte verwijt van vrouwlief. ‘Waarom heb jij je zo nat laten regenen?’ Tja, ik kon niet meer mee in de tram. Honden beletten mijn reis. Maar stel dat er wel plaats is op het balkon. Bij een onverwachte zwaai van de wagen verplaatsen we een voet en trappen daarbij per ongeluk op de tenen van de hond. Gevolg, gejank en happen, waarbij een beet in de kuit volgt. Het beest verdedigt zich, daar is hij hond voor. Nog een ander geval. Op dat balkon krijgt een reiziger plotseling een eigenaardige gewaarwording. Wat blijkt. Een van de honden ziet zijn been aan voor een muurtje om daartegen een bekende handeling te verrichten. Ik zou zeggen: wie een hond wil houden, ga er mee lopen. Geef je medemens geen aanleiding tot onnodige ergernis’.

Folder

Om het hondenvervoer in goede banen te leiden, volgt een folder met aanwijzingen. Daarin is onder meer te lezen: rijdt niet met uw dier met de tram mee als hij overvol is. Wacht een volgende wagen af. De beste plaats voor de hond en zijn begeleider is op het voorbalkon bij de bestuurder. Neem, als de hond het formaat van een St. Bernard of Duitse dog heeft, plaats op het voorbalkon van de bijwagen. Het voorkomt de mogelijkheid dat het beest zijn hoofd boven het venster uitsteekt. Uit nieuwsgierigheid blijven kinderen dan staan kijken, wat bij druk verkeer gevaar kan opleveren. Neem met de hond, bij vervoer in de motorwagen, links van de bestuurder plaats. Dat voorkomt hinder bij in- en uitstappende passagiers. Zorg ervoor dat de hond in de tram niet gaat liggen. Behalve dat hij dan te veel plaats inneemt, voorkomt het dat er op zijn staart wordt getrapt. Wen hem aan het commando zitten. Geef hem iets lekkers als hij uw bevel heeft opgevolgd. Praat niet te veel tegen uw dier, hierdoor zou de chauffeur kunnen worden afgeleid. Laat niemand de hond in de tram aanhalen. Dat voorkomt ongelukken. Heeft hij een nerveuze natuur doe hem dan een muilkorf om. Na het afstappen kan de korf weer worden losgemaakt. Hij zal op een gegeven moment begrijpen dat het voor het vervoer noodzakelijk is. Hou hem tijdens de reis aangelijnd en is hij ziek neem hem dan niet mee met de tram.
Inmiddels zijn de regels kort en kracht. Het beest mag gratis mee in het openbaar vervoer. Het moet wel kort aangelijnd zijn, niet op een stoel maar op schoot of in het gangpad plaatsnemen. Mocht hij overlast veroorzaken dan kan er worden gevraagd het voertuig te verlaten. Heel veel zal dat niet gebeuren, want de geschiedenis wijst uit dat met de groei in automobielen, het aantal Haagse hondenbezitters dat daadwerkelijk met zijn dier voor de tram kiest, uiterst beperkt is. Iemand die bang is voor honden kan met een gerust hart de tram nemen.

© Haags Nieuwsbureau 2025

donderdag 14 mei 2020

Valkenbosplein


HET MEEST BESPROKEN PLEIN VAN NEDERLAND

Annie M.G. Schmidt kiest
bewust voor Valkenbosplein

door Hans Piët

DEN HAAG – Dat Annie Maria Geertruida Schmidt in haar door Conny Stuart gezongen liedje ‘Wat voor weer zou het zijn in Den Haag’ uit 1966 verwijst naar het Valkenbosplein, is een bewuste keuze. De schrijfster woont er in studiejaar 1930/31, tijdens haar al snel afgebroken notarisopleiding, enige tijd op kamers bij de familie Hartman op nummer 21. Het riante pand, dat grenst aan het begin van de Valkenboslaan, wordt bewoond door Gerardus Martinus Hartman en zijn vrouw Helena Christina Johanna Gostelie. Zij worden in het liedje vernoemd met de zinsnede ‘zou het pension er nog zijn, op het Valkenbosplein, met die mensen uit 1902’. Gerard wordt namelijk in dat jaar geboren, zijn vrouw in 1905.
Dat Annie er terecht kan, is te danken aan haar acht jaar oudere broer Wim. Tijdens zijn notariaatopleiding in de Residentie is hij bevriend geraakt met medestudent Franciscus Jacobus Rudolf Gostelie. Doordat hij regelmatig bij de van oorsprong Brabantse familie over de vloer komt, weet hij dat Helena, de jongere zus van Frans, is getrouwd met bouwkundige Gerard Hartman. Het echtpaar is op 26 maart 1929, acht dagen na de huwelijksvoltrekking in ’s Hertogenbosch, in het
Ingekleurde bouwtekening van het herenhuis, waarin Annie M.G. Schmidt verblijft
 tijdens haar studie. Het ligt op het Valkenbosplein, aan het einde van de Valkenbos-
 laan. De originele  tekening is niet  meer  aanwezig  in  het Haags Gemeentearchief.
                                                                                                      Tekening: Hans Piët

herenhuis gaan wonen. Zo blijft het in de familie. Het pand werd in januari 1905 door aannemer en bouwkundige Rins Cornelis Hartman, de in Benschop geboren vader van Gerard, neergezet. De woning, waarin tevens het kantoor is gevestigd van Rins' bedrijven Het Klaverblad (samen met zijn broers Dirk en Jacob) en de Zuid-Hollandse Bouwgrond Maatschappij, maakt onderdeel uit van acht panden naar een ontwerp van de in Arnhem geboren architect Willem Gerardus Eberson. De ouders kiezen voor de Alexander Gogelweg 6. Dat gebeurt vooral op aandringen van Geerdina Sophia Batenburg, de stiefmoeder van Gerard. Ze wil een wat rustiger bestaan. Haar man is namelijk, vanaf het begin, zeer betrokken bij de ontwikkeling van het plein en het daaraan grenzende Valkenbos. De eerste plannen voor dit stadsdeel worden in oktober 1851 gepresenteerd. Zo ontwikkelt hij er, met zijn maatschappijen, menige bouwactiviteit, maar moet tegelijkertijd met lede ogen toezien hoe de gemeenteraad niet altijd de meest handige beslissingen neemt. En dat levert heftige discussies op. Zo staat Rins in april 1914 vooraan om er voor te zorgen dat de klinkerbestrating van het plein wordt veranderd in een plantsoen. Daarvoor wordt de voorwaardelijke vergunning met bloemist Krul, tot grote opluchting van de omwonenden, die het groen geverfde bloemenstalletje verafschuwen, door de gemeente ingetrokken.
Als de vraag komt of Gerard en Helena onderdak willen bieden aan Annie stemmen ze direct toe. Het grote huis biedt meer dan genoeg ruimte. Bovendien zien ze de aanwezigheid van zo'n huisgenoot als een gezellig intermezzo tot eigen kinderen zich aandienen. Dat gebeurt op 3 augustus 1931 met hun eerste zoon Rins Jan. Er zullen er nog twee volgen: Gerardina Martinus (op 17 juli 1934) en Petronella Helena (op 22 mei 1936). Heel lang blijft Annie er niet wonen. Dat komt omdat ze helemaal niets ziet in de haar min of meer opgedrongen notarisstudie. Ze verhuist al snel als au pair naar Hannover. Gerard en Helena moeten na enige tijd vaststellen, dat het huis op het Valkenbosplein toch echt te groot is. Ze vertrekken eind mei 1936 naar de Daal en Bergselaan 64.
Hartman is niet de eerste die op het plein kost en inwoning biedt. Die eer valt te beurt aan de familie Tammenga. De uit Leeuwarden afkomstige Gerrit, fabrikant in vleeswaren, die op 26 juni 1902 is getrouwd met Meiltje Kamminga, betrekt in december 1913 Valkenbosplein 5 (huur: 600 gulden per jaar). Het pand, onderdeel van een serie van zes winkels met bovenhuizen, is enkele maanden eerder door bouwkundige Hendrik Rutgers neergezet. Het pension, onderdeel van 289 officieel geregistreerde Haagse kost- en inwoninghuizen, wordt bestierd door zijn vrouw. Gerrit werkt als slager in de vleeshouwerij van Gerard Blonk aan het Valkenbosplein 3. Hij dankt die baan deels aan het feit, dat hij is gehuwd. Zo vermeldde Blonks advertentie: ‘Gevraagd: een bekwame slagersknecht, liefst getrouwd’. Een paar jaar na de komst naar Den Haag strandt het huwelijk. Gerrit vertrekt naar Miami in Florida om als fabrikant van vleeswaren goede zaken te doen. Meiltje, die achter blijft met drie dochters (Lea Hendrika – 1902, Durkje Meino – 1904 en Harmke – 1905)  vindt als pensionhoudster in 1922 nieuw (kortstondig) geluk bij Johannes Crijnen (boekhouder). Het paar gaat op 30 januari 1929 officieel uit elkaar. Het leeftijdsverschil van 16 jaar blijkt een struikelblok.

Tentoonstelling

De ligging van het herenhuis van Hartman verraadt dat Annie M.G. Schmidt ruim zicht had op het plein, dat burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage, door de jaren heen, een record aantal uren vergaderen kostte, voordat de ‘definitieve’ vormgeving een feit was. Het plein, dat bij
Het eerste schetsontwerp van Valkenbosch-
  plein 21 met op de eerste etage een lang-      
werpig balkon.               Tekening: Hans Piët

raadsbesluit van 25 juli 1904 zijn naam krijgt, is zo lang zo'n zooitje, dat de bewoners, wiens klachten niet worden gehoord door de gemeente, in juni 1914 besluiten een commissie op te richten. Doel is om in dat najaar met een kleine tentoonstelling vol fotografieën en tekeningen te herdenken dat het Valkenbosplein tien jaar overhoop ligt. Daarbij moet door middel van statistieken duidelijk worden welke verliezen winkeliers, zoals banketbakker P. Nieuwerkerk (nr.1), slagerij G. Blonk (nr. 3), delicatessen-winkelier H.G.J.M. Liesker (nr. 11d), sigarettenhandel J.N. Herman (nr.12) en horlogemaker en opticien C.A. van Monsjou (nr.15) hebben geleden. De commissie heeft het plan de wethouder van openbare werken, mr. Drooglever Fortuyn, uit te nodigen het erelidmaatschap te aanvaarden. Die expositie is er nooit gekomen. Wel schudden de berichten hierover, die in zo'n beetje alle landelijke en regionale dagbladen terecht komen, de gemeenteraad wakker.
Dat een definitieve vormgeving van het plein uiteindelijk bijna 25 jaar op zich laat wachten, heeft verschillende oorzaken. Grootste ‘boosdoeners’ zijn, in eerste instantie, stedenbouwkundige Hendrik Petrus Berlage, volgens verschillende Haagse raadsleden uit die tijd ‘de man aan wie Den Haag zijn toekomst heeft toevertrouwd’, en architect Johannes Gerardus Vos. Eerstgenoemde ontwerpt aan het begin van de twintigste eeuw verschillende stratenplannen voor Den Haag. De eerste is voor Valkenbosch waarmee hij veel lof oogst. Nadat deze (fantasievolle) indeling op 25 januari 1904, met enige gretigheid, door de gemeenteraad is goedgekeurd en even later ook de plannen voor wat de bomenbuurt moet worden, klaarliggen, ontstaat bij Berlage het idee een Ceintuurbaan te ontwerpen. Wat is er efficiënter dan, met het toenemend (auto)verkeer, een rondweg aan te leggen die de buitenwijken van de stad verbindt met het centrum. Het gemeentebestuur is enthousiast. "Een mooiere verbinding tussen twee gedeelten der gemeente is niet te bedenken", meent het liberale raadslid Samuel Vas Dias.
Gevolg is, dat het oude plan moet worden aangepast. Berlage presenteert het in maart 1908. Wat hij voor deze Ceintuurbaan heeft voorzien is een 27 meter brede straat. In zijn idee loopt deze weg in noordelijke richting via de Fahrenheitstraat met een flauwe bocht naar een nieuw te ontwerpen brug over het Afvoerkanaal. Op die manier ontstaat er een verbinding met het Stadhoudersplein, de Stadhouderslaan en het stratenplan Zandoord (Het Statenkwartier). In zuidelijke richting moet de weg lopen van de Fahrenheitstraat, die tussen de Laan van Meerdervoort en de Valkenboslaan aan de westzijde moet worden verbreed, tot de Cartesiusstraat. Daar moet de Ceintuurbaan hoekig worden omgebogen om vervolgens middels een brug over de Loosduinsche Vaart verder zuidwaarts te worden geleid.
De begeleidende Commissie van Fabricage blijkt nogal wat bezwaren te hebben. Behalve dat ze vindt, dat je een vier jaar eerder goedgekeurd plan niet zomaar opzij kunt schuiven, zijn het vooral financiële motieven die spelen. De drie raadsleden in die commissie roepen in koor, dat niet is te voorzien wat de financiële gevolgen zullen zijn en of die extra uitgaven wel rechtvaardig genoemd mogen worden. Zo staat bijvoorbeeld vast dat het gewijzigde plan 400 m2 meer straatoppervlak bevat en dat het stratenplan op de terreinen van maatschappij Houtrust ingrijpend moet worden aangepast. Er is uitgerekend dat de kosten wel eens zouden kunnen oplopen tot 190.000 gulden (€ 86.218).

Moeilijkste weg

Waar veel problemen hadden kunnen worden vermeden, ook omdat de Zuid-Hollandsche Bouwgrondmaatschappij, eigenaar van grote stukken te ontwikkelen weiland, bij hoge uitzondering en onder bepaalde voorwaarden wil meewerken en de Vogelwijk nog bestaat uit ongerept duinzand, kiest de gemeenteraad - niet voor het eerst - voor de moeilijkste weg. Berlage laat even later, in zijn bijgestelde plan, de Valkenboslaan en daarmee de Ceintuurbaan doorlopen tot aan het (grotendeels nog in ontwikkeling zijnde) Valkenbosplein. In zijn visie kruist de baan daar de Laan van Meerdervoort, loopt verder over wat nu de Ieplaan is en komt met een flauwe bocht alsnog bij die nieuwe brug en de Stadhouderslaan terecht.
En dan beginnen de problemen. De grond aan de kant van Valkenbos (een deel van het voormalige landgoed Valkenbosch) die nodig zou zijn voor een rechte oversteek van de Ceintuurbaan, is al bebouwd. Timmerman en bouwondernemer Gerrit de Boer heeft op 25 september 1902, de tijd dat het weiland nog aan Loosduinen toebehoorde voor 12.450 gulden
(€ 5649) vijf kavels gekocht van de NV Het Valkenbosch. Het stuk grond aan de kant van de latere Valkenboslaan (kadasternummer AM 146) verkoopt hij, na een aantal maanden, aan de directeur van die naamloze vennootschap,
Plattegrond  van  de  plaats  waar
Gerrit de Boer als eerste  zijn hui-
zen optrok.        Tekening archief

Nicolaas Johannes Boon. Op de andere kavels zet hij, zoals contractueel is vastgelegd, vier herenhuizen neer. Die bouw heeft heel wat voeten in de aarde. Zo leert de geschiedenis, dat De Boer op 23 maart 1903, zijn eerste tekeningen inlevert. Ze worden door de Bouwpolitie afgewezen. Een belangrijke reden hiervoor is niet terug te vinden in ondeugdelijke schetsontwerpen. De gemeenteraad grijpt terug op een raadsbesluit van 21 april 1891. Daarin staat dat er in Den Haag alleen huizen mogen worden neergezet aan door de gemeenteraad aangewezen openbare straat. 'Overwegend dat de bedoelde bouw niet is ontworpen aan een straat aangelegd ter plaatsen en het stratenplan nog niet is goedgekeurd, wordt u verzoek afgewezen', staat er in een schrijven van 3 april te lezen. Op 13 mei van dat jaar doet hij een nieuwe poging. De Boer meent dat zijn huizen wel degelijk aan een straat liggen namelijk 'de verlengde Laan van Meerdervoort' en aan de diagonale straat aldaar. Op 2 juni meldt de Commissie voor de Plaatselijke Werken en Eigendommen 'geen termen  te hebben gevonden om op het besluit van april terug te komen'.
Vreemd daarbij is, dat hij eerder wel toestemming heeft gekregen om zijn woningen op het gemeenteriool aan te sluiten. Ook mag de bouwkundige gebruik maken van de Duinwaterleiding. Zolang hij de aanleg van de buizen en leidingen zelf betaalt. Dat goedkeuring voor de bouw ontbreekt, komt, zo is er in de brieven van 4 en 23 maart 1903 te lezen, 'omdat de (bij Berlage in schetsontwerp zijnde, onbenoemde) straten (aangeduid als liggend 'ten westen van de Beeklaan') nog niet in eigendom zijn gegeven aan de gemeente'.
De oorspronkelijk uit Munnekeburen, Weststellingwerf, Friesland afkomstige Gerrit de Boer heeft echter geen tijd om te wachten. Hij schrijft al huurders te hebben voor zijn panden. Om die reden besluit hij om, zonder schriftelijke toestemming, opdracht te geven tot het neerzetten van de herenhuizen. Dat levert hem op 22 juli 1903 weliswaar een proces verbaal op van adjunct-inspecteur Nicolaas Johannes Luken, maar dan is de bouw al zo ver gevorderd, dat hij niet meer kan worden stilgelegd. Erg lang plezier van zijn prestatie heeft Gerrit de Boer - in 1895 in Den Haag getrouwd met de voormalige dienstbode Apolonia Rossie - niet. Hij overlijdt op 16 februari 1905 op 35-jarige leeftijd, maar wel met de zekerheid de eerste bouwer van het Valkenbosplein te zijn. Bijna onvermijdelijk daarbij is, dat hij ook de eerste bewoners levert. Het zijn de directeur en lithograaf van de N.V. Lithografie v/h Lankhout & Co. Deze Henri Lankhout, een in vak- en kunstkringen zeer beminde Joodse ondernemer (zo was hij penningmeester van de Haagse Kunstkring) neemt begin 1904 met z'n gezin zijn intrek in nummer 7. De keuze voor het pand valt samen met de ligging van zijn eigen steen- en boekdrukkerij en binderij. Deze is gevestigd in de Noorderbeekdwarsstraat 47. De nummers 6 en 8 worden verhuurd aan de weduwen Mees-Del Campo en Hos-Passtoors. Wanneer de bouw op het plein is voltooid veranderen de huisnummers in 17, 18 en 19. Spijtig daarbij is misschien, dat de panden inmiddels plaats hebben moeten maken voor nieuwbouw.

Onmogelijk

Dat de bouw van Gerrit de Boer het recht oversteken van de Laan van Meerdervoort onmogelijk heeft gemaakt voor de Ceintuurbaan, is niet het enige probleem voor burgemeester & wethouders. Het land aan de andere kant dat nodig is voor die aansluiting, de Duinrustkant, is in het bezit van Johannes Gerardus Vos. Als jonge ondernemer heeft hij in april 1905 AN 236 (1289 m2) en AN 63 (156 m2) voor 15 gulden per m2 van de maatschappij tot exploitatie van onroerende goederen Houtrust gekocht. Zijn plan is er acht herenhuizen neer te zetten. De toestemming hiervoor volgt in mei van dat jaar. Wat de gemeente echter nalaat, is het bepalen van de rooilijn waardoor Vos niet kan gaan bouwen. Elk verzoek tot vaststelling blijft vervolgens onbeantwoord. Het duurt ruim drie jaar voordat hierover, voor het eerst, contact met de bouwkundige wordt opgenomen. Isaac Anne Lindo (roepnaam Jack), directeur der Gemeentewerken, wil in oktober 1908 weten voor hoeveel hij zijn bezit verkoopt. Vos vraagt 30 gulden per m2. De gemeente betaalt echter veelal niet meer dan 2 tot 6 gulden en liever veel minder. Zo wil ze bijvoorbeeld voor de aankoop van duingronden maximaal een gulden per m2 neertellen. Er zijn natuurlijk uitzonderingen. Zo wordt het in 1917 niet als een probleem ervaren 128 gulden per m2 neer te leggen voor grond in de huidige Vogelwijk.
Schetsmodel van het Valkenbosplein begin vorige eeuw, waarbij het huizenplan met de naar boven opgeschoven bocht van de Ceintuurbaan zichtbaar is.                                                                                                                   Tekening: Hans Piët

Het stuk land dat Vos de gemeente in eerste instantie aanbiedt, behelst meer dan de 14 are en 45 centiare van AN 236 en AN 63. Twee bevriende bouwgronddirecteuren - ir. Jan van de Wall (‘Houtrust’) en Martinus Zanen (Maatschappij tot exploitatie van onroerende goederen ‘Laan van Meerdervoort’) - hebben aan die Duinrustkant namelijk nog wat, voor hun, weinig winstgevende percelen liggen. Het gaat om 210 m2 van AN 156, het ten noordwesten daarvan gelegen strookje AN 155 (76 m2) en AN 235 (33 m2). Zij zien het als een zegen wanneer Vos ook die voor 30 gulden per m2 zal weten te slijten. Zodoende is het bedrag dat de gemeente zal moeten neertellen 58.950 gulden (€ 26.750). Zakenman als Vos is, geldt het aanbod tot 1 januari 1909. Bovendien is er een aantal voorwaarden. Wordt AN 235 geen openbare straat dan moet de gemeente het hele perceel aankopen. Het bedrag van de transactie moet voor 1 februari 1909 op zijn rekening staan. Zo niet, dan gaat de gemeente tot de uitbetaling 5 procent rente betalen. Directeur Lindo stelt al snel vast "dat zo'n bedrag niet rechtvaardig mag worden geacht voor het verbeteren van de verkeerssituatie". Bovendien, zo merkt hij op, zal het land van Vos waarschijnlijk niet snel bebouwd gaan worden. "Want, ook het stratenplan van Duinrust heeft uitgangen naar andere wijken nodig".

Te tochtig

Wat op dat moment mogelijk meespeelt in zijn oordeel, is dat ook hij een rondweg om Den Haag heeft ontworpen. Deze is in goede aarde gevallen bij sommige raadsleden. Zo meent architect Wilhelmus Bernardus van Liefland (lid van de Katholieke Kiesvereniging), "dat de heer Lindo haar brengt op de plaats waar zij eigenlijk hoort, namelijk zoveel mogelijk om de stad heen".
In zijn ogen is Berlage heel verkeerd bezig. "Hij kiest niet voor het kruisen der straten maar voor pleinen in ronde vorm. Bijna alle buitenlandse geleerden in zaken stedenaanleg veroordelen deze werkwijze. Het grootste bezwaar daarbij is, dat pleinen veel te open, te tochtig en bij het passeren, te gevaarlijk zijn".
De gemeenteraad stelt een paar vergaderingen later vast (op 22 mei 1909), dat ze slechts AN 63 helemaal en AN 236 voor het grootste deel nodig heeft voor de aansluiting. Het noopt Vos beide stukken, met tegenzin, voor 20.500 gulden (€ 9300) aan te bieden. De praktijk heeft namelijk uitgewezen, dat de grond bijzonder gunstig is gelegen voor bouwdoeleinden. Particulieren zijn bereid er fikse bedragen voor te betalen.
Het nieuwe aanbod kan door de gemeente niet zomaar worden geaccepteerd. Het gaat opnieuw door de ambtelijke molen. Zo kijken burgemeester en wethouders en de directie der Gemeentewerken er nogmaals naar, maar wijzen het aanbod af. Een belangrijke overweging is, dat AN 236 voor het grootste deel zal veranderen in straat. En aangezien bouwondernemers bij het neerzetten van hun huizen tevens de straataanleg voor die panden moeten bekostigen, zijn het dus voor het grootste deel oneigenlijke uitgaven. "Door toe te stemmen schep je een precedent", aldus B&W.
Ook de Commissie voor Plaatselijke Werken en Eigendommen zegt "geen vrijheid te vinden om aankoop op dien voet te bevorderen. Er wordt niet een zodanige verbetering verkregen, dat daar een uitgave van f 20.500,- tegenop zou wegen".
Vos houdt echter voet bij stuk. Het gevolg is, dat de gemeenteraad tijdens zijn vergadering van 26 juli 1909 tot onteigening besluit. Op 23 augustus van dat jaar volgt een door de Commissie voor de Strafverordeningen opgesteld bouwverbod voor het hele (nog niet bebouwde) Valkenbosplein. Het heeft weinig zin, want op 3 maart 1910 komt bij koninklijk besluit vast te staan, dat de gemeente handelt in strijd met de wet. Ze mag helemaal niet onteigenen. Reden: de gemeente vraagt een, naar billijkheid, te groot stuk land van Vos. De opoffering (1255 m2) is te groot. Er blijft te weinig grond (200 m2) over om huizen op te zetten.
Het bouwverbod gaat ook niet op. De gemeenteraad heeft op 1 februari 1909 weliswaar bepaald dat AN 236 is bestemd voor straataanleg, maar wat zij over het hoofd ziet, is dat het raadsbesluit van 21 april 1891 in dit geval niet opgaat. Volgens de raadsleden zet Vos zijn acht panden op en niet aan een straat. Helaas. Ze komen wel degelijk aan een straat te liggen, namelijk aan de Laan van Meerdervoort. Wat bovendien meespeelt, is dat Vos al in 1905 toestemming heeft gekregen om er huizen neer te zetten.
Wat de architect en bouwkundige het meest dwars zit, is dat de gemeente in al die tijd, niets heeft ondernomen om bedoelde gronden langs minnelijke weg in eigendom te krijgen. "Nimmer is er sprake geweest van onderhandelingen in de ware zin des woords", aldus Vos.
De gemeenteraad laat op 22 januari 1911 officieel weten af te zien van aankoop. Dat is nadat Vos, die inmiddels een riant pand voor zijn gezin heeft neergezet op de hoek van de Beeklaan en de Morsestraat (nr 441) en een eigen tennisbaan heeft aan de Wilgstraat, het laatste aanbod van Jack Lindo afwijst. De directeur Gemeentewerken heeft, in samenwerking met de Commissie voor Plaatselijke Werken en Eigendommen, bedacht dat de gemeente het land voor 8550 gulden
(€ 3800) in bezit moet kunnen krijgen. Hoewel! Lindo meent dat het plan 2000 gulden minder kan kosten. De bouwondernemer draait immers niet op voor de uitgaven van straataanleg.

Scherpe bocht

Om de Ceintuurbaan toch te kunnen verwezenlijken, kiest de gemeenteraad op 14 februari 1911 voor een andere manier van aansluiten. De keuze valt op een scherpe bocht, die deels achter de te bouwen huizen van Vos loopt. 'Dat levert geen overwegend bezwaar op. Zulke bochten komen in tal van straten voor en schijnen op ene tekening gezien hinderlijker, zowel uit verkeers- als uit schoonheidsoogpunt, dan zij in werkelijkheid zijn', aldus de gemeenteraad. Alle genomen besluiten uit eerdere jaren, zoals bijvoorbeeld het niet mogen bouwen of herbouwen op het plein uit augustus 1909, worden ingetrokken.
Een van de probeersels om toch een Ceintuurbaan te kun-
nen aanleggen.                                     Tekening: archief
Die opstelling betekent, dat van het plan een rondweg aan te leggen, weinig terecht kan komen. De scherpe bocht aan het plein houdt namelijk in dat, mede door de lus van de trambaan die er in september 1905 voor de lijnen G en C is neergelegd, van een soepele doorstroming geen sprake kan zijn. Bovendien ontstaan nieuwe problemen. Om de breedte van 27 meter te kunnen aanhouden en om achter de te bouwen huizen van Vos langs te kunnen, moet de bocht naar boven opschuiven. Gevolg is, dat hij zal komen te liggen vlak langs wat nu Beeklaan 416 is. Het pand, naar een ontwerp van architect Petrus Adrianus Zadelaar, maakt deel uit van een serie van tien herenhuizen, die de Maatschappij tot Exploitatie van Onroerende Goederen Statenplein in januari 1912 wil gaan neerzetten. Na het horen van de nieuwe plannen dient directeur en bouwkundige Pieter Smoor, direct een bezwaarschrift in. Hij meent, dat de woning heel veel in waarde daalt als er niet tegenaan wordt gebouwd. Bovendien is het niet als hoekhuis ontworpen. Hierdoor moet de bouwtekening worden aangepast en zullen er andere materialen moeten worden gebruikt. Wat voor Bouw en Woningtoezicht uiteindelijk de doorslag geeft om niet verder aan te dringen, is dat Smoor de grond niet wil afstaan. En hij heeft het recht aan zijn kant. Er is namelijk wettelijk vastgelegd dat het is bestemd voor huizenbouw.

Jongere broer

Jan Vos, die nieuwe bouwideeën heeft opgedaan in juli 1907 en maart 1908, tijdens vakantie- reisjes met zijn gezin naar New York, zit ondertussen niet stil. Hij verwerft AN 235 en voegt dat perceel samen met een deel van AN 236. Begin 1912 verkoopt hij die grond met een leuke winst aan Jacob Hartman, de jongere broer van Rins en mede-oprichter van het in augustus 1901 gestarte familiebedrijf Het Klaverblad. De bouwkundige komt op 2 juli 1912 met een plan om aan de westzijde van het plein drie winkelhuizen en twee herenhuizen neer te zetten. Hij krijgt niet direct toestemming om te gaan bouwen. Bij het huis op de hoek van de Laan van Meerdervoort blijkt de lichtinval een probleem. Het kan, op de begane grond aan de tuinkant, niet onder de wettelijke hoek van zestig graden toetreden in de keuken en het daarnaast gelegen kamertje. Het blijft er dus te donker. In de winkelhuizen is de manier waarop de trappen worden geplaatst het struikelblok. Hartman ruimt ze uit de weg en mag in maart 1913 alsnog gaan bouwen. Jan Vos is zo blij met de ontwikkelingen dat hij, mede op aandringen van zijn vader Jan Vos sr. (directeur van de in 1906 gestarte Bouwgrondmaatschappij Duinrust en ook wel ‘de oude Vos’ genoemd), besluit om AN 356 aan de gemeente te schenken. Dit gebeurt later dat jaar waardoor in 1914 de al in 1908 ontvouwde plannen van een aansluiting van de Ieplaan aan de Laan van Meerdervoort alsnog werkelijkheid kunnen worden.
Een oplossing voor de Ceintuurbaan is er dan nog niet, ondanks dat de plannen, door de jaren heen, steeds weer zijn aangepast. Zo is op 17 december 1909 wettelijk  vastgelegd, dat hij niet overal even breed zal worden. 'Dat komt deels omdat gebruik wordt gemaakt van bestaande wegen, maar ook omdat afwisseling vanuit esthetisch oogpunt wenselijk is', aldus de gemeenteraad. 'In de regel kiezen we voor 27 meter, maar tegelijkertijd worden boom- en waterpartijen gespaard om zo een zeer natuurlijk verloop te krijgen'. Het helpt niet. Het Berlage-plan sterft uiteindelijk een stille dood.
Dat ook de Haagse Tramweg Maatschappij daarin een belangrijke rol speelt, is te danken aan de gemeenteraad, die de vervoerder (mogelijk gestimuleerd door de gratis jaarabonnementen voor directeuren en hoofdinspecteurs) geen strobreedte in de weg legt er een veel ruimte innemend en gevaarlijk knooppunt van te maken. Want, behalve dat de lijnen 3 en 7 (en in de zomer ook de naar het Gevers Deijnootplein rijdende lijn 14) in een lus over het plein rijden, ligt er tevens de toevoerlijn naar de tramremise aan de Laan van Meerdervoort, hoek Lijsterbesstraat (waar 40 wagen en 36 bijwagens kunnen worden gestald). Dat levert vanaf de eerste helft van 1917 nog een meer dan een jaar durende discussie op. De bewoners van het zich ontwikkelende zuidweste- lijk deel van Valkenbos, later gesteund door de Haagschen Huurdersbond, doen een voorstel om passagiers, die verder dan het plein wonen, te laten meerijden tot de remise. Hoewel de tijdsomstandigheden, dankzij de Eerste Wereldoorlog, niet ideaal zijn, wordt de beperking in stroomgebruik aangegrepen om het plan van tafel te vegen. Wanneer de HTM vervolgens van allerlei kanten te horen krijgt, dat dit onzin is omdat zij toch al met Lijn 3 naar die remise rijdt, krijgen passagiers met een geldig plaatsbewijs tot aan het Valkenbosplein vanaf september 1918 alsnog de gelegenheid om 's ochtends en 's avonds te blijven zitten tot de wagenloods.

Zessprong

Daarmee verandert er echter niets aan de structuur. Het, dankzij die lus, zeer onhandig neerge- legde plein blijft een zessprong van brede lanen. Veel Hagenaars zien de plek dan ook als het grilligste kruispunt van de Residentie. Voetgangers en fietsers wordt steeds opnieuw sterk afgeraden het plein te gebruiken. Dat is, dankzij de samenkomst van vooral de zeer intensief gebruikte Beeklaan en Valkenboslaan, levensgevaarlijk. Bovendien zorgt die lus ervoor dat fietsers op de hoeken regelmatig klem raken tussen tram en stoep. Wat daarbij ook niet meewerkt, is het zeer slechte wegdek en het feit dat trams regelmatig uit de rails lopen of vast komen te staan omdat er zand in de wissels zit. Ook wil de aanleg absoluut niet vlotten. Zo hebben zeven arbeiders in november 1914 vijf dagen nodig om het plantsoen te graven. Dankzij een staking bij de uitvoerder, de firma Van den Elshout, gaan er nog eens drie maanden overheen voordat er verder wordt gewerkt aan die openbare tuin en de omliggende bestrating. En dan te bedenken, dat het gaat om een plan dat al in september 1908 is goedgekeurd. Twijfel bij de gemeenteraads-leden zorgt er echter voor, dat de aanleg steeds wordt uitgesteld, want 'het is niet uitgesloten dat het plein wijzigingen zal ondergaan. Bovendien heeft zo'n plantsoen veel te lijden van de zeewind'.

Ontwerp uit 1928. Met de herziening  van het  volledige tramwegnet - de blauwe lijnen - worden  ook de  problemen op
 het Valkenbosplein aangepakt. Het wordt er een stuk veiliger.                                 Tekening: Haags Gemeente Archief.

Dat merken de bewoners, in die nog open ruimte, ook. In de zomermaanden is er sprake van onstuimig rondvliegend stof, zeker als de wind verkeerd staat. In de wintermaanden heeft het plein veel weg van een moeras. Pas geopende winkels zijn nauwelijks te bereiken. Er is sprake van een barricade aan rioolkolken, buizen, stapels planken, stenen en zand. Het nieuwste stuk Beeklaan is nauwelijks toegankelijk dankzij de door de gebroeders Van der Ploeg geplaatste keten, kalk- en timmerloodsen. Een bewoner memoreert: "Passagiers die 's avonds met de laatste tram aankomen, wagen, als ze niet willen omlopen, hun leven over een plankier die bij elke stap zwiept. Iets breken kan zomaar, want er hangen wel lantarens, maar licht geven doen ze niet".
De gemeente blijft ondertussen zoeken naar uitvluchten om geen geld te hoeven uitgeven. Dat blijkt bijvoorbeeld in 1910. Nadat de HTM op eigen kosten een onderkomen heeft neergezet voor haar trampersoneel, sluit de gemeente zich daar niet bij aan voor de reiziger. Er zijn tientallen klachten en protesten van omwonenden nodig voor ze overstag gaat en het wachthuisje er alsnog komt. Pijnlijk is, dat als het in de eerste helft van 1911 verschijnt, het op een verkeerde plek komt te staan. Zo is er nauwelijks ruimte voor wachtende reizigers terwijl het voor voetgangers en bestuurders nog lastiger is geworden een goed overzicht over het plein te krijgen. Gevolg is een toename in ongelukken.

Tramsporen

Het is een onbekend gebleven bewoner van het plein die in januari 1925 een (achteraf geslaagde) poging doet, aan te geven hoe het Valkenbosplein een stuk veiliger kan worden. In zijn visie zou de lus moeten verdwijnen en de tramsporen op de Laan van Meerdervoort rechtdoor moeten lopen. "Het grote voordeel is, dat het rijverkeer de trambaan niet langer hoeft te kruisen maar aan weerszijden met de trams kan oprijden".
Ook zou de tramhalte aan die laan van de lijnen 3 en 12 stadwaarts niet na maar voor het Valkenbosplein moeten liggen. "Bij het vertrek van de tram heeft hij dan niet de vaart die hij nu wel heeft. Dat maakt het voor verkeer komend van de Valkenboslaan, die geen goed zicht heeft of er een tram aankomt, een stuk veiliger".  
De Haagse hoofdinspecteur van politie Snethlage geeft later dat jaar nog eens aan dat het "een van de moeilijkste problemen is, zolang de ligging van het tramnet niet is opgelost".
Het antwoord dient zich aan in februari 1928. Burgemeester en wethouders hebben besloten het volledige Haagse tramwegnet te herzien. Aanleiding is de voorgenomen doortrekking van lijn 14 naar de Loosduinseweg. "Dat maakt het nodig, dat de loop der tramsporen op het Valkenbosplein grondig moet worden gewijzigd. Daarmee kan gepaard gaan een herziening van de inrichting van het gehele plein, dat zoals het nu is, verschillende gevaren oplevert voor het verkeer".
Volgens burgemeester en wethouders bedragen de kosten voor het hele plan 108.960 gulden
(€ 49.444). Daarvan is 90.000 gulden (€ 40.840) bestemd voor de uitvoering van het sporenplan en de daarmee verband houdende bestrating en plantsoenwerken. Verder is er nog een bedrag voor werken die verbeteringen voor het gewone verkeer ten doel hebben. Voor de herziening van het gehele Haagse tramwegnet is een bedrag van 1000.000 gulden (€ 453.780) beschikbaar.
Sindsdien is er weinig aan het Valkenbosplein veranderd. Wat in 1929 na klachten van bewoners zoals mr. Gerrit Jan Ulrich Palm, referendaris bij het departement van defensie, over uitlaatgassen en geluidsoverlast (in vooral de nachtelijke uren) is aangepast, is de taxistandplaats. Eerst gelegen voor de huizen die door Jacob Hartman werden neergezet, zijn die auto's nu te vinden langs het plein aan de Laan van Meerdervoort. In 1930 wordt de Laan van Meerdervoort en daarmee het Valkenbosplein geasfalteerd. In 1972 is het de beurt aan de tramhalte. Voor een betere doorstroming van de Groot Hertoginnelaan naar de Beeklaan en de Valkenboslaan wordt ervoor gekozen de halte iets op te schuiven. Andere kleine veranderingen sindsdien (zoals een vrije trambaan) stellen, de gehele geschiedenis van het plein bekijkend, weinig voor. En de gemeenteraad is blij, dat ze een hoofdpijndossier heeft kunnen sluiten.

© Haags Nieuws Bureau 2020


woensdag 25 oktober 2017

Hoedenpen

Herinneringen van een hoedenpen

door Hans Piët


Nee, het is echt niet leuk. Waar zijn al die dames gebleven? Wat is er over van die gouden tijden dat fatsoen prioriteit had, dat etiquette nog waarde hadden? Aan het begin van de vorige eeuw was het de gewoonste zaak van de wereld om volgens die regels te leven. In die periode liepen er gelukkig nog genoeg dames rond. Ze waren zo verstandig om bij het verlaten van de woning een hoed op te zetten. En dan mocht ik altijd mee.
Inmiddels zijn alle egards, waarmee ik werd behandeld, verdwenen. Ik lig te verstoffen in een mandje. Jaren daarvoor mocht ik ruimte delen met een hamer, schroevendraaiers en allerlei tangen. Die plek in de gereedschapskist was bedacht omdat ik nuttig leek bij het verhelpen van verstoppingen, zoals van de brandstofleiding. Totdat een jonge dame mij op waarde wist te schatten. Ze vroeg zich hardop af of iemand wist welk een sieraad ik was. Mijn knop is weliswaar niet versierd met diamanten, maar heeft wel een bloemenpatroon. Bovendien draag ik al die jaren al het keurmerk mee echt zilver te zijn. Zo'n kleinood hoorde, ook volgens haar, niet tussen gereedschap thuis. Ik ben haar nog altijd dankbaar.

"Het wordt tijd dat het blijspel 'De Hoedenpen' van
 Adriaan Tapper weer eens op het toneel wordt
 gebracht".                           Tekening: Hans Piët
Het wordt tijd, dat die mode-ontwerpers weer inzien welke een schoonheid ik ben. Hoe ik die kleurloze maatschappij vol mobiele telefoons op een prachtige manier kan veranderen. De laatste keer dat wij het modenieuws domineerden, was in 1938. Een ontwerper had ons bekeken en er een speld van gemaakt met aan beide zijden een dop als versierend element. Jammer, maar de dames hadden andere prioriteiten. Ze waren gevoed met die belachelijke verordening uit 1914 dat 'de hoedenpen slechts gedragen mag worden wanneer de punt met een dopje wordt afgedekt'. Dan werd er geroepen, 'hoedenspelden hebben misschien een praktisch nut, maar kunnen nooit de schoonheid van de hoed verhogen, meestal  wel verlagen'. Wanneer je dat hoort, schrik je wel even. Ik bedoel, je bent niet zomaar een ontwerp. Daar is lang over nagedacht. Als je dan wordt weggezet als 'verfoeilijke mode' is dat hartverscheurend. Ik heb gesprekken gevoerd met twee, drie pennen die in dezelfde hoed gestoken zaten. Dan bleek, dat de dame daar echt over had nagedacht. Haar verschijning wilde accentueren, al moet ik toegeven, dat we in eerste instantie waren bedoeld om haar en hoed bij elk weertype bij elkaar te houden. Dat die korte pen steeds langer werd tot soms wel 30 centimeter, kwam door de misschien wat overmoedige houding van de ontwerper. Hij dacht dat de draagster, met het toenemen van de omvang van de hoed, een steeds opvallender verschijning zou zijn. Nou ja, daardoor werden de randen steeds breder. En daar past geen kleine pen bij.

Discussies

Ik weet nog welke verhitte discussies er in de Haagse tram ontstonden, toen de gemeenteraad van Enschede, in december 1911, als eerste, een verordening uitschreef waarbij werd bepaald dat een dame niet meer de straat op mocht met een onbeschermde pen. Blijkbaar hadden ze er daar geen idee van, dat een vrouw van smaak ervoor zorgt, dat die speld niet te ver uitsteekt. Conclusie, zeker onder de pennen, was dat de draagster zich moreel niets van zo'n verordening hoefde aan te trekken. Er waren hoedenspelden die direct in opstand kwamen. Ach, als je eenmaal bent omschreven als een slanke, etherische gestalte met een lichtelijk topzware knikker, dan weet je een ding heel zeker, je zal nooit zo'n onesthetisch dopje dragen.
Aanleiding voor die ongewenste maatregel was het toenemend aantal ongelukken. Dan denk ik, je kan als medepassagier toch uitkijken. Misschien moet je die volle tram gewoon overslaan en wachten op de volgende. En dan hopen dat er meer plaats is. Tegelijkertijd moet ik opmerken, dat de bouwers van die rijtuigen niet voor de meest praktische indeling hadden gekozen. Vanaf het begin was het vragen om moeilijkheden. 
Aan het einde van het jaar 1900 deed een prachtig verhaal de ronde over hoe een groot aantal hoedenpennen de macht had gegrepen. Die gebeurtenis speelde zich af in de Amerikaanse staat Kansas. Gouverneur Franklin Roosevelt, op verkiezingscampagne, zou langskomen in Manhattan. De zaal zat zo volgepakt met mannen, dat vrouwen geen enkele kans op een goede plaats maakten. Een van de jonge vrouwen nam het niet en riep haar lotgenoten als strijdkreet toe: 'Trek de hoedenpen'. In een oogwenk waren de dames met een scherpe pin gewapend en bereid op de onbeleefde heren toe te steken. Die mannen kozen al snel het hazenpad. Het gevolg was, dat Roosevelt een niet voorziene dameshulde ontving. Zulke gebeurtenissen koester ik. Het onderschrijft mijn gevoel, ondanks al die werkeloze jaren, niet zomaar een pen te zijn. Dat blijkt ook uit de opmerking die begin vorige eeuw werd gebruikt: als je 'Hoera!' schrijft, zet je daar een hoedenpen achter. En dan die man, die in januari 1913 gewond raakte. Hij stuurde een brief aan de vrouw die het ongeluk veroorzaakte. "Geachte dame, vergeef me dat ik mijn oog in uw onbeschermde hoedenpen stak".
Of die jongeman, die ietwat bedeesd, de dame naast hem in de tram aansprak: ''Sorry mevrouw, maar ik geloof dat uw hoedenpen enigszins bevuild is door de bloeddruppeltjes uit mijn oor".
Ach, zulke mannen begrijpen het.

Blijspel

Om ons uit de vergetelheid te halen, zou het mooi zijn als het werk van Adriaan Willem Tapper weer eens op het podium wordt gebracht. De Haagse schrijver, die resideerde aan de Willem de Zwijgerlaan 90, kwam in 1915 met een blijspel, dat begin 1916 door uitgever Robijns als boek werd uitgegeven. Het is een scherpe dialoog met humor, in een bedrijf, tussen een man en een vrouw. En wie speelt de hoofdrol...? Een hoedenspeld. Ik denk, dat zijn ritjes met het openbaar vervoer een belangrijke inspiratiebron zijn geweest, al zal zijn vrouw Maria Adriana Zegers, op wie hij tijdens beider studie aan de HBS in Middelburg verliefd was geworden, ook haar bijdragen hebben geleverd. Wat ik heb gehoord, is dat hij voor zijn dagelijks brood, na een korte stop bij het departement van marine, bij de PTT werkte... uiteindelijk als referendaris. Dat schrijven, en dan vooral voor toneel, was zijn, zeker niet onverdienstelijke, hobby.
Dat wij een rijke inspiratiebron waren, mag ook blijken uit andere boeken en films. We spelen daarin soms een sleutelrol. Een ervan is 'De Hoedenspeld' van de Engelse schrijver George Dilnot, over de moord op graaf Harold Saxon. En dan is er dat detectivedrama 'Het vreemde avontuur' uit 1919. De film handelt over dokter Henry Rogers. Hij vindt de hoedenspeld van zijn dochter bij het lijk van de vermoorde advocaat Julius Carter. Wie een tramhit zoekt, moet bij het duo De Cock zijn. In de periode dat veel gemeentebesturen discussieerden over een hoedenpenverordening, brachten zij een nummer op de Nederlandse podia met de titel 'Greta zet je hoedje af'. Als ik er aan terugdenk, kan ik nog treurig worden, want de tekst was alles behalve geestig. Het refrein herinner ik mij als de dag van gisteren, ook omdat het regelmatig in een volle tram klonk. 'Zeg juffie, kijk toch uit. Je steekt me haast mijn ogen uit. Je bent een hele leuke toet. Maar je hebt geen doppie op je hoed!'
Het is overigens niet het enige Nederlandse liedje waarin we de hoofdrol spelen.  Maria Anna de Wijs-Mouton, die heerlijke Haagse dame, die naast liedjesschrijfster ook beeldend kunstenares was en het niet schuwde om op het podium een Haags dialect te gebruiken, schreef in 1918 een liedje onder de titel 'De Hoedenspeld'. Het is een prachtige liefdesgeschiedenis tussen twee spelden. Wie het hoort, moet opnieuw concluderen dat het liedje uit een kunstenaarsziel komt. Het illustreert bovendien op een prachtige manier dat Haagse musici, al ver voor hun dominante rol in de Nederlandse popmuziek, een voortrekkersrol speelde.  Veel zangers en zangeressen brachten haar levensliedjes op het toneel. Jammer blijft, dat Manna 'De Hoedenspeld' geen happy end geeft. Maar misschien is dat logisch. Zo rooskleurig zag onze toekomst er niet uit. Ik herinner mij deels ook een gedicht uit 1913 dat begon met 'Oh had ik maar een goede pen. Ik schreef u dood, oh hoedenpen'.

Ministers

Die discussie over hoe wij het best een onschadelijk imago zouden kunnen verdienen, heeft trouwens lang geduurd. Dat had vooral met ministers en kamerleden te maken. Ik bewees nog maar net mijn, toch zeer belangrijke diensten, toen besloten werd, dat elke gemeente zelf mocht bepalen hoe zij met de hoedenpen zou omgaan. Heel dom, heb ik meermalen in het openbaar mogen vernemen. Er was op 9 mei 1890 namelijk een wet aangenomen, die het in Nederland dragen van wapens verbod. Nou wil ik niet zeggen dat ik een moordwapen ben, alles behalve dat, maar was ik wel zo beschouwd, dan had het ondergebracht kunnen worden in die rijkswet en was het een algemeen verbod geweest. Nu moest elke gemeente een eigen beslissing nemen. En dat viel niet mee. Enschede liep, na echt heftige discussies in de gemeenteraad, begin 1912 voorop. In Den Haag was het raadslid Piet ten Hagen die in oktober 1913, tijdens een vergadering, vroeg wanneer er maatregelen zouden worden genomen tegen de onbeschermde hoedenpin. Pas begin maart 1914 kwam het op de Haagse agenda. De raad wees de kwestie direct door naar de Commissie voor de Strafverordeningen. Dat was een gezelschap heren die, volgens de gemeenteraadsleden Deen en Varenkamp, nooit moe zijn geworden van hard werken. Eind april 1914 kwam hun advies. De aankondiging dat de Algemene Politieverordening was aangepast, volgde op 26 mei. 's Gravenhage was daarmee een van de laatste steden. Artikel 105a luidde: het is verboden zich in of op een tramrijtuig of in een voor het publiek toegankelijke autobus te bevinden met onbeschermde hoedenpennen.

Het waarschuwingsbord, uitgedacht door hoofdcommissaris Hendrik Versteeg, dat vanaf
 
december 1914 in elke Haagse 
tram was terug te vinden.                                 Foto: PR 
    















      Aardig was wel, dat de HTM aan haar conducteurs hoedenpenbeschermers verstrekte. Ze waren te koop voor vijf cent per dop. Conclusie na de eerste maanden was echter, dat ze vrijwel nooit werden aangeschaft. In een poging de dames te dwingen, werden er vervolgens politiecontroleurs in de trams gestationeerd. Het deed mij deugd, dat ook dat niet hielp. Daarna ging de hoofdcommissaris van politie, Hendrik Versteeg, zich er mee bemoeien. Hij had verzonnen, dat het groeiend aantal boetes het gevolg was van onwetendheid bij de dames. Daarom liet hij in december 1914, na overleg met de directie van de HTM, een verbodsbepaling ontwerpen. Hij was daarmee de eerste hoofdcommissaris van Nederland. Jammer blijft, dat de Haagsche Tramweg Maatschappij akkoord ging, waardoor het bord vanaf januari 1915, goed zichtbaar, in elk tramrijtuig hing. Die directieleden moeten toch ook hebben geweten, dat een hoed zonder hoedenpen of met zo'n onesthetisch dopje, een aanslag was op de goede zeden. Daarmee ging de verordening, die effectief was vanaf 1 september en pas werd ingetrokken in 1983, niet zo ver als in andere steden. Dat neemt niet weg, dat er door vrijwel alle vrouwen heel boos op werd gereageerd. Er zat namelijk een boete van maximaal 25 gulden verbonden aan het mij onbeschermd dragen.
Wat mij steeds weer verbaasde, was hoe hard de politie optrad. Begrepen al die agenten niet, dat het voor zo'n dame al straf genoeg is om in een volle tram naam en vooral leeftijd te moeten opgeven! Daarbij verbleekt de opgelegde boete. Die was meestal 50 cent of een dag hechtenis. Dat bedrag liep trouwens snel op. Zo betaalde de niet gedopte dame in 1918 veelal al twee gulden en vijftig cent voor deze overtreding.

Hoogtepunt

Het pleit voor die vrouwen, dat ze ondanks alles niet opgaven. Mijn eigenares was zeer te spreken over het feit, dat Den Haag de stad was, waar de verordening nauwelijks werd nageleefd. Het toonde volgens haar op een prachtige manier hoeveel dames de residentie telde. Het aantal processen verbaal liep in 1918 op tot enige honderden. Meer dan in elke andere Nederlandse stad. Hoogtepunt lag in februari van dat jaar. In een week tijd werden 349 boetes opgelegd. Het was reden voor de HTM om nog strengere maatregelen te nemen. Conducteurs moesten bij het opstappen naar de hoed kijken, zat er geen dop op de hoedenspeld dan kreeg de vrouw de keuze, of een dop kopen of de tram verlaten. Ik heb gezien, dat sommige conducteurs daarin veel te ver gingen. Zo stapte er ooit een dame met hoed in. Ze werd direct voor de keuze gesteld. Op het moment dat ze aangaf geen hoedenspeld te dragen, zei de conducteur: "Dat maakt niet uit mevrouwtje. We hebben strenge voorschriften gekregen, die we moeten handhaven. In de tram moet iedere dame een hoedenspeldbeschermer hebben".
Dat neemt niet weg, dat veel dames, jammer genoeg, erg onzorgvuldig handelden. Ik heb gruwelijke verhalen gehoord over hoe ogen van vooral mannen blijvend werden beschadigd en hoe de gezichten van medepassagiers flinke littekens opliepen omdat ze door de punt werden getroffen. Gelukkig ben ik nooit getuige geweest van zo'n verwonding, waarbij het bloed er uit spoot.
Dat vooral de heren slachtoffer werden, kwam omdat vrouwen veelal iets korter zijn dan mannen. Misschien is dat ook wel de reden, dat een van die heren op een dag, dat hij blijkbaar niet zo'n plezierige tijd op kantoor had doorgebracht, in een volle tram opmerkte: "die levensgevaarlijke hoedenpen is het beste bewijs van het onverstand van de vrouw. Al prikt ze alle mannelijke ogen eruit dan nog wordt ze niet wijs". Gelukkig dat geen vrouw reageerde.
Wat mij, na al die jaren, is bijgebleven, is dat wij te vaak zijn gebruikt om onvrede in de liefde te beslechten. Zo was er in 1910 het verhaal van een meisje uit Scheveningen dat het gezicht van haar concurrente in de liefde op zo'n gruwelijke manier had bewerkt, dat de littekens zichtbaar zouden blijven. Ze kreeg een gevangenisstraf van zeven dagen. In het zelfde jaar was er een stel tieners in Amsterdam van wie het meisje vond dat haar 'geliefde' niet genoeg affectie toonde. Ze stak hem met haar hoedenpen in rug en arm.

Kind

Soms ging het ongewild fout. Zo was er in 1912 een verhaal uit Stockport, Groot Brittannië. Daar bukte tegelijkertijd twee dames om iets op te rapen. Het gevolg was, dat de hoedenpen van de een onbedoeld de neus van de ander doorboorde. Een dag later was de getroffene overleden dankzij een bloedinfectie. En dan dat kind van drie jaar dat een hoedenpen had ingeslikt. Hij bezweek na twee maanden aan de gevolgen. Zowel zijn slokdarm als zijn middenrif waren doorboord. Later bleek, dat redding mogelijk was geweest als het eerste ziekenhuis, waar de moeder aanklopte, haar had geloofd. Ze werd echter onverrichter zaken naar huis gestuurd.
Al die gebeurtenissen hadden tot gevolg, dat de hoedenpenverzekeringsagent werd geboren. Echt lang heeft hij niet bestaan, want  eind jaren twintig van de vorige eeuw had de mode zich zo aangepast, dat ik niet meer, met hier en daar een uitzondering, werd gedragen. Jammer, maar ik blijf hopen. Misschien word ik op een dag weer regelmatig in een hoed geprikt en krijg ik tijdens een ritje met het openbaar vervoer weer allerlei verhalen te horen. Ach, het blijft een genot, die roddels.