maandag 2 maart 2026

Schoolpantoffels

UITPUTTENDE STRIJD TEGEN SCHOOLVERZUIM      

De korte opmars van
van de schoolpantoffel         

door Hans Piët

DEN HAAG - Schoolpantoffel. Het is een uit de mode geraakt woord. De reacties bij het noemen spreken boekdelen. Er is verbazing, verwondering en soms een wat ongemakkelijk lachje. Waar heeft ie het over! Je zou kunnen zeggen: over een ‘bejaard’ woord. Uiteindelijk gaat het om schoeisel dat vooral in de eerste helft van de vorige eeuw een prominente rol speelde. Vraag een hoogbejaarde ernaar en hij of zij zal, gevoed door nostalgie, verhalen over hoe aangenaam het was om, na een fikse regenbui, dankzij die schoolpantoffels, niet met natte kousen en dus voeten de lessen op de openbare of bijzondere lagere school te hoeven volgen.

De onderwijzeres van de lagere schoolklas neemt de schoenen van de leerlingen aan om ze te verruilen voor schoolpantoffels.                                                                                                            Foto: archief.
 



Wanneer de schoolpantoffel precies zijn intrede deed, is historisch niet vast te stellen. Belangrijke reden is, dat er altijd al handige moeders zijn geweest, die na klachten van hun klompen dragende kinderen over natte voeten na een regen- of sneeuwbui of het bij hun kroost vaststellen van lichamelijke problemen als griep of een infectie, bedachten dat het breien van een paar warme, korte sokken uitkomst zou kunnen bieden. Om de slijtage tijdens het er onbeschermd mee rondlopen enigszins te temperen, werd de zool bedekt met een stukje oud tapijt of overgebleven leer. Andere, minder financieel daadkrachtige moeders gebruikten een oude lap van een versleten broek of de overblijfselen van bijvoorbeeld een jas. Die huis- of schoolpantoffels kregen vorm dankzij wat handig knip- en naaiwerk dat soms werd afgekeken uit de krant. Daarin was dan een werktekening te vinden met vorm en maat.

Hugo Poot

De eerste winkelier die ze door middel van een advertentie in de Vlaardingsche Courant aanbiedt, is in 1885 Hugo Poot. De op 1 oktober 1936 op 82-jarige leeftijd overleden eigenaar van een zeer succesvol schoenenmagazijn aan Daijer 22 – later nummer 4 – in Vlaardingen biedt de kinder-schoolpantoffels aan voor 30 cent. De uitvoering met leren zool kost 55 cent per paar. Aardig detail is, dat de komst van die pantoffels in zijn winkel niet zo vrijblijvend is als het misschien lijkt. In de familie Poot is in die jaren namelijk een aantal onderwijzers aanwezig. Zij zullen hem ongetwijfeld op de voordelen van, dan wel de behoefte aan het hebben van droge voetbedekking in de klas hebben gewezen. In grote steden als Amsterdam, Rotterdam en ’s-Gravenhage begint het collectief verstrekken van het schoeisel rond 1894. Een vraag die de gemoederen dan al bezig heeft gehouden is: wie moet er zorg voor dragen. Het is immers geen leermiddel. Tegelijkertijd is vastgesteld dat er een nauw verband bestaat tussen de voetbekleding en het schoolverzuim. In arme gezinnen, en dat zijn er nogal wat, hebben kinderen veelal slechts één paar klompen of schoenen. Gevolg is, dat bij een reparatie van het schoeisel die leerling noodgedwongen thuis moet blijven. En dat duurt al snel een week.
De komst van de schoolpantoffel wordt, zeker door het onderwijzend personeel, juichend ontvangen. Klompen zorgen nu eenmaal voor veel kabaal in de klas. Bij elke beweging van de benen, maar zeker als de klomp van de voet schiet, is er lawaai. Bijkomend nadeel is dat klompen bij regenachtig weer grote hoeveelheden vuil binnenbrengen. Na het uitdrogen ervan veroorzaakt het stof, wat soms een negatief effect heeft op de gezondheid. Vanuit hygiënisch oogpunt gezien, betreuren onderwijzers van scholen waar de pantoffels alleen worden uitgedeeld aan kinderen met klompen het dan ook niet, dat het aantal klompendragers veelal belangrijk toeneemt. Het boekje ‘Hygiënische Eischen enz.… voor scholen’ , meldt in verband met die reinheid in haar uitgave uit 1900 ‘een breed rooster achter de ingang van de school noodzakelijk evenals een kokosmat voor elke klaslokaal deur'.
De aanwezigheid van schoolpantoffels is om die reden gewenst, zoals het ook de negatieve effecten wegneemt bij scholieren, die anders de hele dag met natte of zeer koude voeten op de houten vloer moeten doorbrengen. Vragen die bij de burgemeesters en wethouders in de verschillende steden en dorpen spelen zijn, behalve de financiering, wie verantwoordelijk wordt voor de uitvoering. In Amsterdam moet het college daar erg lang over nadenken. Gevolg is dat hoofden van scholen, met hun onderwijzers middels fondsen, geld bij elkaar gaan sprokkelen om zo niet alleen de schoolpantoffel maar bijvoorbeeld ook kinderkleding voor onvermogende ouders te kunnen financieren. Wat later ontstaat er een Commissie van Hoofden van Lagere Scholen (openbare en bijzondere) voor dat doel. Cijfers uit 1895 geven aan dat er per school 80 á 120 paar pantoffels aanwezig moeten zijn om kinderen, die met natte voeten of klompen binnenkomen, te helpen. In de hoofdstad werpt de Commissie voor Werkverschaffing zich op om sterke schoolpantoffels op flinke schaal ter hand te nemen. Eenvoudig is dat niet. Vooral de vraag om zoolleer, onder meer gericht aan schoenmakers en leerfabrikanten, vindt, op één uitzondering na, geen respons. Vervolgens blijkt als snel dat, door het hard groeiende aantal aanvragen, ook het overige materiaal ontbreekt. Er volgen oproepen in diverse dagbladen om waardeloze stukken karpet ter beschikking te stellen. Het helpt, al blijft het aantal paren, dat een school kan aanvragen, noodgedwongen beperkt tot 30. Ook wordt bepaald dat de pantoffels alleen tijdens de lessen gedragen mogen worden. Niet onlogisch daarbij is, dat ze uitsluitend zijn bedoeld voor klompendragers en leerlingen die door slecht voetwerk met natte voeten naar school komen. Statistieken geven aan dat er tussen 1894 en 1898 in de hoofdstad 4841 paren worden afgeleverd. Van de 96 openbare lagere scholen 1e klas zijn er nog slechts 22 die geen aanvraag voor schoolpantoffels hebben ingediend. Verder blijkt dat, na enige aarzeling, er ook verzoeken van bijzondere scholen binnenkomen. 

Professioneel

Wat jaren later blijkt hoe professioneel de schoenmakers, die zijn aangesteld door de Commissie voor Werkverschaffing, bezig zijn geweest. Onderzoek wijst uit dat die schoolpantoffels beter van vorm zijn, nauwkeuriger in elkaar zijn gezet en, mede dankzij het stiksel, langer meegaan dan de door de schoenmagazijnen geleverde exemplaren. In kleinere gemeenten zetten onderwijzeressen handarbeid zich regelmatig in. Daar leeft het idee de meisjes van de zesde klas tijdens de lessen handarbeid de pantoffels te laten vervaardigen. Dat is twee vliegen in een klap: praktisch en leerzaam. Veel onderwijzeressen zien het bovendien als een manier om de lust tot handwerken aan te kweken. Het hoofd van de school vraagt in zo’n geval aan moeders hun kinderen voor dat doel niet langer gebruikte kledingstukken mee te geven. Probleem is echter een schaarste aan oude lappen in arme gezinnen. Om dat gebrek te bestrijden verschijnen er soms oproepen in de lokale krant.
Een werktekening van een schoolpantoffel. 
                                       Tekening: archief.
Dat er tijdens raadsvergaderingen af en toe heftige discussies over het verschaffen van de pantoffels plaatsvinden, ligt voor de hand. Daarbij speelt de leermiddelenvraag een rol totdat de raadslieden uit verschillende steden en dorpen het er over eens zijn dat je op klompen geen gymnastiekles kan volgen. Schoolpantoffels zijn dus noodzakelijk en vallen hierdoor onder de rubriek leermiddelen. Vraag blijft of die gratis moeten worden verstrekt. Dat uitdelen wekt immers de begeerlijkheid bij ouders op. Die politici hebben deels gelijk. Uit een onderzoek dat een aantal jaren na de komst van het collectief verstrekken van de schoolpantoffel wordt gehouden, blijkt dat er twee hoofdgroepen zijn. De eerste zijn vaste klanten die bijna elke week met hun aanvragen komen. De tweede categorie zijn mensen die niet eerder een verlangen uitspreken dan wanneer het water tot de lippen komt doch die, zodra de vader weer werk heeft of van zijn ziekte is hersteld, geen aanvragen meer doen. In tegenstelling tot de eerste groep, die haalt wat er te halen valt, zijn de kinderen van de tweede categorie, bijna zonder uitzondering, zeer zindelijk en net gekleed. De kleren, hoewel dikwijls tamelijk oud, zijn heel proper. Die ouders uitten, in tegenstelling tot de eerste groep, ook vrijwel altijd hun dankbaarheid over de geboden hulp.

Leerplichtwet

Dat het verstrekken van de schoolpantoffel geen vrijblijvende zaak blijft, heeft te maken met de leerplichtwet. Deze wordt in maart 1900, met een meerderheid van slechts één stem, aangenomen en treedt, na het koninklijk besluit van 19 november 1900, op 1 januari 1901 in werking. Reden voor die ‘overwinning’ is de afwezigheid van Francis David graaf Schimmelpenninck, een tegenstander van de wet. Hij is van zijn paard gevallen en kan om die reden niet in de Tweede Kamer aanwezig zijn om te stemmen. De wet, mede bedacht om kinderarbeid te stoppen, stuurt jongens en meisjes van 6 tot en met 12 jaar verplicht naar de lagere school. Daarbij staat in artikel 35 vermeld dat aan de gemeentebesturen de bevoegdheid is toegekend om, waar dit nodig blijkt, aan schoolgaande kinderen, ter bevordering van het schoolbezoek, voeding en kleding en dus ook schoolpantoffels, te verstrekken of wel voor dat doel subsidie te verlenen. De wet legt de ouders de verplichting op hun kinderen geregeld naar school te zenden.
In de Amsterdamse gemeenteraad wordt een behoorlijk robbertje woordelijk gevochten voordat er begin 1904 een regeling tot stand komt. Hierin is terug te lezen dat de verstrekking van kleding zich zal bepalen tot de uitreiking van: 1) klompen, 2) leren pantoffels, 3) schoolpantoffels. De verstrekking van voedsel omvat 1) een middagmaal gedurende de wintermaanden. 2) een ontbijt gedurende de zomermaanden. Al deze toewijzingen zullen zo mogelijk geschieden door particulieren verenigingen dan wel schoolbesturen. Voor dit doel zal een gemeentelijke subsidie worden verleend. Onderzoek naar de toestand van de gezinnen geschiedt door de verenigingen of de schoolbesturen.
Voordat de gemeenteraad van Amsterdam eruit is, hebben twee verenigingen zich al opgeworpen om het arme schoolkind ter zijde te staan. Het gaat om de Vereeniging voor Kinderkleeding en de Amsterdamsche Commissie voor Schoolpantoffels. Laatstgenoemde wordt in december 1901 gevormd. Op 1 december 1903 gaat een proef van start ‘omdat het verschaffen van schoolpantoffels van het grootste belang is’. Ze denkt het eerste jaar 12.000 paren nodig te hebben, die samen met de onderhoudskosten een bedrag vragen van 125.000 gulden (€ 56.723). Aangezien er ook buiten de school schoeisel nodig is, denkt de commissie aan de aanschaf van 40.000 paar klompen. Dat vraagt een bedrag van 12.000 gulden (€ 5.445) Voor het in reparatie zijn van schoenen is een post uitgetrokken voor leren pantoffels. Deze kunnen dan naar het verzuimende kind worden gezonden, waardoor hij alsnog naar school kan komen. Het vergt een uitgave van 1600 gulden (€ 726).

Werkloze schoenmakers

In ‘s-Gravenhage worden de eerste schoolpantoffels collectief uitgereikt in 1896. Verantwoordelijk daarvoor is de Commissie van Werkverschaffing van de Christelijke Volksbond. Deze organisatie, met een hoofdkantoor aan de Zuid-Oost-Buitensingel 179, ziet het als een manier om werkloze en beginnende schoenmakers aan werk te helpen.
Hoewel dr. Johannes Theodorus Mouton, wethouder van onderwijs, het aanbod krijgt voor alle armenscholen pantoffels te vervaardigen, wordt het niet direct een succes. Een groot aantal hoofden van scholen ziet in eerste instantie het organiseren van de pantoffels niet zitten. De grote voordelen voor de gezondheid en zindelijkheid der kinderen worden weliswaar onder ogen gezien, maar waar laat je al die klompen en doorweekte schoenen.
Maar ook, hoeveel schoolpantoffels zijn er nodig, wie komt ervoor in aanmerking en hoe moet het uitdelen ervan worden georganiseerd. Bij de Commissie van Werkverschaffing, onder voorzitterschap van Adolph Charles baron Bentinck, kamerheer van de koningin,
De strijd tegen koude voeten.
  Illustratie: Algemeen Handelsblad.
speelt een ander probleem. Daar moet elk jaar opnieuw een strijd worden geleverd om voldoende geld binnen te krijgen. De organisatie moet het namelijk volledig hebben van giften en de inkomsten uit de verkoop van opgeknapte goederen, die door middel van inzamelingen binnenkomen. Hoewel ook koningin Wilhelmina en koningin-regentes Emma jaarlijks een flink bedrag schenken - ieder 500 gulden (€ 226,89) - is het nauwelijks genoeg.
Met de komst van de Vereeniging Kinderkleeding, een initiatief van vijf onderwijzers, lijkt de toekomst van de schoolpantoffel gegarandeerd. Opgericht in 1896, met een koninklijke goedkeuring in eerste instantie op 24 augustus 1900 en vervolgens op 23 juli 1902 via een koninklijk besluit, vertellen de statuten om, ter voorkoming van schoolverzuim, leerlingen van openbare lagere scholen die daar behoefte aan hebben, te voorzien van kleding en schoeisel. Eugenius Sieburgh, oud assistent-resident in Nederlands-Indië en voorzitter van zowel de Commissie tot wering van Schoolverzuim als de Vereeniging Kinderkleeding, moet al snel constateren dat het geld niet binnenstroomt. De op 11 juli 1914 op 77-jarige leeftijd overleden bewoner van de Obrechtstraat 88, getrouwd met Alida Kepper, constateert in december 1902 dat ze weliswaar schoeisel heeft kunnen verschaffen, meestal klompen (dat jaar in Den Haag: 2912, in Scheveningen: 246), ‘dankzij donateurs, leden en de offervaardigheid van andere liefdadige stadsgenoten’, maar dat die giften niet genoeg zijn om de werkkracht van de vereniging te versterken. Hoe groot de nood is, tonen in 1903 de statistieken: ’s-Gravenhage telt dat jaar zo’n 20.000 kinderen wiens ouders niet behoorlijk voor hun kleding en schoeisel kunnen zorgen. Om die reden vraagt hij aan de gemeenteraad om een subsidie van 5000 gulden (€ 2268,90). Het wordt, na veel praten en de steun van andere organisaties als de afdeling ’s-Gravenhage II van het Volksonderwijs en het Nederlandsch Onderwijs Genootschap, een jaarlijkse ondersteuning maar alleen als ook bijzondere scholen, die onder dezelfde leerplichtwet vallen, profiteren. De vereniging kan hierdoor in het jaar 1903 – 1904 f 979,25 (€ 444,36) aan klompen uitgeven. Een jaar later (1904 – 1905) is dat f 667,04 (€ 302,69), ofwel 3032 paar klompen. Ze zijn afkomstig van de gebroeders Hulscher uit Alphen aan de Rijn. Deze eigenaren van de eerste stoomklompenfabriek in Nederland kunnen binnen acht dagen 2000 paren leveren. Kosten: 22 cent per set. In 1905 wordt de subsidie, dankzij de opstelling van een aantal bijzondere scholen, teruggebracht tot 600 gulden. Sieburgh constateert dat de schatkist haar bodem laat zien en plaatst op 5 januari 1905, als oproep voor giften, een gedicht in de Haagsche Courant die door De Avondpost wordt overgenomen. Een van de strofe luidt:
                                            ‘Als ’t schoeisel aan de voetjes faalt.
                                             Geen warmte ’t koude lijfje omstraalt.
                                             Als ’t huiverend loopt te beven.
                                             En ’t daardoor niet naar school toegaat.
                                             Wilt ’t kind uw hulp dan geven’.

Beter leven

De Vereeniging Kinderkleeding blijft in Den Haag niet de enige strever naar een beter leven voor het arme kind. Op 8 november 1905 wordt de Vereeniging Verstrekking van School-pantoffels in ’s-Gravenhage en Scheveningen opgericht. Het koninklijk besluit volgt op 12 september 1908. In de elf artikelen tellende statuten en het 20 artikelen omvattende reglement is terug te lezen ‘die kinderen van schoolpantoffels te voorzien die na nauwkeurig ingesteld onderzoek daaraan behoefte hebben’. De vereniging bestaat uit gewone leden (1 
   Originele omslag van de statuten en het reglement van
de Vereeniging Verstrekking van schoolpantoffels.   
                                                                     Foto: archief.
gulden per jaar), donateurs (minimaal 5 gulden per jaar) en werkende leden. Dat zijn hoofden van scholen en onderwijzers die zich als zodanig aan het bestuur opgeven. De vereniging, bestaande uit vijf bestuursleden en gevestigd in Den Haag, is de overeenkomst aangegaan voor 29 jaar en 11 maanden aanvangend op de dag van oprichting. Als eerste voorzitter wordt Frederik Eterman gekozen. Hij is hoofd van een openbare lagere school, getrouwd met Alida Dina Antonetta Huijsse en vader van twee kinderen. Op 17 maart 1865 geboren in Delft heeft hij zijn akte van hoofdonderwijzer gehaald op 2 februari 1886. In zijn geboorteplaats kiest Frederik in april 1883 voor het onderwijs en functioneert hij tot oktober 1902 als secretaris bij de Commissie tot Wering van Schoolverzuim. In Den Haag wordt hij dat jaar hoofdonderwijzer in Kortenbosch. Drie jaar later is hij ook 2e secretaris bij de Vereeniging Kinderkleding. Na acht jaar, op 1 september 1910, wordt Eterman, hoewel hij liever was verplaatst naar een school aan de Noordwal, hoofd van de openbare lagere school aan de Bakkerstraat 59. Vanaf december 1909 maakt Frederik deel uit van het in Utrecht opgerichte bestuur van de Vereeniging van Onderwijzers en Onderwijzeressen tot Opleiding van Onderwijzeressen bij het Voorbereidend Onderwijs. Hij is lid van schietvereniging Het Vaderland. Dat levert hem in augustus 1894 een eremedaille op voor de meest geschoten punten (53). In februari 1906 verschijnen er bij de firma Joh. Ykema ‘Historische Portretten’, die door Frederik Eterman en Jan Willem de Jongh zijn vervaardigd. De twee hoofden van scholen hebben zes portretten getekend. Het gaat om Julius Caesar, Karel de Grote, Karel V, Filips II, Lodewijk XIV en Napoleon. Ze zijn gedrukt in 8 á 10 kleuren op chromoplaten. De prijs is 6 gulden (€ 2,72). Een tweede serie verschijnt in 1911 met onder andere koning Willem I, Rutger Jan Schimmelpenninck, Frederik Hendrik en Amalia van Solms. Critici menen dat dit werk beter uit de verf is gekomen. De eerste serie portretten is wat stijf. De tweede reeks bestaat uit ‘mooie figuren, mooi van stand, omgeving en kleur’. Het duo heeft er reizen voor gemaakt. Zo dient een Engels kasteel, dat zijn poorten en zalen heeft geopend, als decor. Frederik Eterman wordt in 1928 opgevolgd door Adrianus Sneep, geboren op 6 februari 1879 in Mijnsheerenland, een dorp in de Hoeksche Waard. De onderwijzer is in 1913 van Rotterdam naar Den Haag verhuisd voor een functie in de Pretoriusstraat 95. In 1922 vervolgt hij zijn loopbaan in de Hemsterhuisstraat 154.
De rest van het bestuur van de vereniging tot Verstrekking van Schoolpantoffels bestaat uit secretaris Jacobus Lucas van Schie. Hij is geboren op 15 juli 1871 in Delft, sinds 1891 onderwijzer en sinds 1903 hoofd van de openbare school voor uitgebreid lager onderwijs aan de Badhuisstraat. Penningmeester Johannes Kuijk, geboren op 17 december 1870 in Den Haag, is onderwijzer in de Achterraamstaat 10 en actief bij de Vereeniging Kinderkleding. Hij wordt in 1910 opgevolgd door hoofdonderwijzer Johan Adriaan Notenboom, op 14 april 1862 geboren in Delfgauw, een dorp in de gemeente Pijnacker-Nootdorp, en op 19 juli 1920 op 58-jarige leeftijd overleden. Zijn taak wordt in 1918 overgenomen door Grietje Plaatsman. Zij is op 24 juli 1887 geboren in Harenkarspel. De onderwijzeres komt in 1912 vanuit Enschede naar Den Haag om les te gaan geven op de lagere school in de Fischerstraat 15. Daarna volgen scholen in de Majubastraat 2, de Sneeuwbalstraat 137 en de Abeelstraat 30. Ondertussen slaagt ze in juli 1916 voor het examen in Handtekenen voor het Lager Onderwijs. In 1923 geeft ze haar functie als penningmeesteres over aan de uit Vlissingen afkomstige Johannes Jacobus van Tongeren. Geboren op 25 augustus 1878 is hij als onderwijzer onder meer werkzaam op de openbare lagere school aan de Hoefkade 101 en in de Stortenbeekstraat 10. Hij wordt als tijdelijke leraar wiskunde ingezet op de Hogere Burgerschool aan de 3e Van den Boschstraat en functioneert als directeur bij de Gemeentelijke Handelscursus aan het Westeinde 47. De op 17 juni 1884 geboren Pieter van der Burgh is de volgende. Hij vervult de functies van secretaris en penningmeester en is in zijn werkzame leven hoofd van de openbare lagere school in De Gheijnstraat 51. Vervolgens verhuist hij naar de Boylestraat 20 om in 1941 als hoofd van de school terecht te komen op de Zuidwal 47. Het eerste lid van de vereniging is Jakob Laban, geboren 30 november 1868 in Oud-Beijerland. Na de Rijkskweekschool in Haarlem is hij hoofd van de openbare lagere school in de Stortenbekerstraat 10 geworden. Sinds februari 1904 functioneert hij als hoofd van de Haagse afdeling van het Nederlandsch Onderwijzers Genootschap. Jakob overlijdt, 39 jaar oud, op 10 november 1908. Het tweede lid, Jacobus Hendrik Struijs, geboren 19 februari 1871 in Vlaardingen, is onderwijzer op de openbare lagere school in de Duinstraat 55. Een van de volgende leden is Willemijntje Johanna Siliakus. Op 28 augustus 1878 geboren in Den Haag is de vrijgezelle dame tijdens haar carrière als onderwijzeres handarbeid onder meer te vinden op het Rijswijkse Plein en in De Gheijnstraat.

Touwpantoffels

Het verstrekken van de schoolpantoffels verloopt de eerste dertien jaar zonder veel problemen. In 1909-1910 ontvangt de vereniging 914 gulden (€ 414,75) aan giften en jaarlijkse bijdragen. Het betekent de aanschaf van 1524 paar touw-pantoffels, gemaakt van zeildoek met een zool van gevlochten touw. Kosten 533 gulden (€ 241,86). Voor het herstel wordt 161 gulden (€ 73,05) betaald. Besloten wordt ook kinderen met lekke schoenen van 
Touwpantoffels. 
Tekening: archief.
pantoffels te voorzien. Gebleken is namelijk dat de zeildoek-pantoffels zeer sterk zijn. Dit is voor het bestuur reden aan te nemen, dat de kinderen er langer dan een jaar mee kunnen doen. ‘Hierdoor wordt de kans vergroot dat in het komend jaar aan alle aanvragen kan worden voldaan’, aldus de voorzitter in het jaarverslag. Dat lukt helaas niet, want in het boekjaar 1911-1912 komt er f 804,40 (€ 365,02) binnen dankzij de contributie van de donateurs (f 180,-), de leden (f 582,65) en giften (f 41,75). Het is genoeg om 953 touw-pantoffels (f 333,55) en 108 leren-pantoffels (f 151,20) te kopen en de reparaties te betalen (f 91,02). Volgens Eterman kwamen er van ruim veertig scholen aanvragen binnen. Tevreden stelt hij vast dat de vereniging op zowel de Haagse als Scheveningse scholen samen, inmiddels vierduizend paren heeft ondergebracht.
Dat ook in andere plaatsen de behoefte wordt gevoeld om leerlingen, die anders op hun (vaak versleten) kousen in de schoolbanken moeten plaatsnemen, aan warm droog schoeisel gedurende de lesuren te helpen, bewijst een verzoek uit Middelharnis, een dorp aan het Haringvliet. Er wordt aan de vereniging Verstrekking van Schoolpantoffels om inlichtingen gevraagd over de beste wijze van aankoop van de in Den Haag in gebruik zijnde pantoffels. ‘Om ze te helpen hebben wij bij onze leverancier 250 paar meer besteld. Wij hebben die tegen kostprijs afgestaan. Het bedrag werd direct voldaan’, aldus voorzitter Eterman.
Het zijn de jaren dat ’s-Gravenhage mooie sier maakt met haar verstrekking van gratis kleding en voeding. Zo prijkt de stad in 1911 bovenaan de landelijke lijst met een totale uitgave van f 39.204,58 (€ 17.790,25). Amsterdam besteedt f 29.597,02 (€ 13.430,53) en Rotterdam f 6.986,44 (€ 3.170,31). In dat jaar worden 280.000 porties voeding uitgedeeld. Gemiddelde prijs per portie 9 cent. In de winter gaat de voedselverstrekking naar 1975 Haagse en 412 Scheveningse kinderen. In de zomer zijn dat 370 Haagse en 53 Scheveningse kinderen.  

Nadelig saldo

In 1918 laten de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog zich voelen. Door prijsstijgingen is er bij de vereniging een nadelig saldo ontstaan van f 456,50 (€ 207,15). De subsidie van 600 gulden (€ 272,27) per jaar blijkt niet genoeg. In 1920, maar ook in 1921, 1922 en 1923 is er een extra bedrag nodig van 500 gulden (€ 226,89). Een simpele rekensom laat zien waarom: in 1919 worden zevenhonderd paar touwpantoffels aangevraagd. Dat is een kostenpost van 1500 gulden (€ 680,67). Als de inkomsten door middel van contributie en giften plus minus 500 gulden bedragen en er dankzij de subsidie 600 gulden binnenkomt, dan is er een tekort van 400 gulden (€ 181,51). Wat daarbij in 1923 extra op de begroting drukt, is de aanhoudende regen. Het maakt de vraag naar pantoffels zeer groot omdat het schoeisel van
Het vignet van de Vereeniging Verstrekking
van Schoolpantoffels.      Tekening: archief. 
heel veel leerlingen in zeer slechte staat verkeert. Twee jaar later vraagt de vereniging de subsidie opnieuw te verhogen. Nu naar 1100 gulden (€ 499,16). Ze heeft haar inkomsten zien dalen dankzij een forse afnamen van leden terwijl er, ondanks propaganda, geen nieuwe toetreden. Ondertussen stijgt het aantal scholen dat een verzoek indient – inmiddels 47 lagere scholen, 7 buitengewoon lagere scholen en 6 bijzondere scholen. Bovendien neemt de vraag naar leren pantoffels, om schoolverzuim te voorkomen, flink toe en is de post ‘reparatie’ gegroeid. Om het in dat laatste jaar (1923) financieel niet te veel uit de hand te laten lopen, zijn er veel minder reparaties uitgevoerd. Bovendien heeft de vereniging niet volledig kunnen voldoen aan de aanvragen van scholen. Zo heeft ze van de 304 paar aangevraagde leren pantoffels er maar 128 kunnen uitdelen. Dat gemis is voor het bestuur van de vereniging Verstrekking van Schoolpantoffels aanleiding om aan burgemeester en wethouders voor te stellen, het leveren van die leren pantoffels door de gemeente te laten uitvoeren. De afdeling Den Haag van de Bond van Nederlandsche Onderwijzers reageert in december 1924 met de opmerking dat de gemeente dan net zo goed de hele taak van de vereniging kan overnemen. Dat gebeurt niet.
Het idee komt opnieuw bovendrijven als de koninklijke goedkeuring van de vereniging vervalt. Vanaf die datum - 8 oktober 1935 – is ze geen rechtspersoonlijkheid meer, wat moeilijkheden kan opleveren bij het verstrekken van de subsidie. Voorzitter Adrianus Sneep laat dat op 5 augustus 1936 aan burgemeester en wethouders weten. Op dat moment telt de vereniging nog 50 à 60 leden, die samen met de donateurs, een jaarlijkse contributie betalen van ongeveer 70 gulden (€ 31,76). Zo’n 40 openbare scholen dragen 60 gulden (€ 27,23) bij en oudercommissies, die zo hun waardering voor de geboden hulp willen uitspreken, 20 gulden (€ 9,08). De subsidie van de gemeente is 1000 gulden. De leden en donateurs verminderen onder meer door vertrek en overlijden nog altijd in aantal terwijl er geen nieuwe leden bijkomen. Aanvragen voor schoolpantoffels worden ingediend door ongeveer 60 hoofden van openbare en bijzondere lagere scholen. Er zijn er die zelden aanvragen, anderen, als de Zuidwal en Sloepstraat bijvoorbeeld, zeer vaak.

Opheffing

Op 9 juni 1937 wordt, tijdens de jaarvergadering van de vereniging Verstrekking van Schoolpantoffels, besloten tot opheffing als de gemeente de voorziening van noodschoeisel zelf ter hand neemt. Aanleiding zijn de financiën. Het bestuur concludeert dat de gemeente in feite al een paar jaar het verstrekken van de schoolpantoffels met haar jaarlijkse subsidie betaalt. De opbrengst uit contributie en giften stelt namelijk helemaal niets meer voor. In het boekjaar 1935-1936 is het f 149,05 (€ 67,64). Bovendien moet op dat moment opnieuw koninklijke goedkeuring op de statuten worden verzocht, een kostenpost van 25 gulden.
Formulier voor het werven van nieuwe leden voor de vereniging.
                                                                                   Foto: archief. 
Vier maanden later, op 6 oktober 1937, komt het voortbestaan opnieuw ter sprake. Tijdens die bijeenkomst speelt de vraag op welke wijze de voorziening van het noodschoeisel na opheffing zou moeten plaatsvinden. Er is zo weinig belangstelling voor die vergadering dat er geen beslissing kan worden genomen. B&W krijgt wel een brief waarin twee suggesties zijn te vinden: 1) de gehele noodvoorziening beëindigen en de vereniging opheffen, 2) het handhaven als gemeentelijke dienst. Daarbij zou het bestuur van de niet langer koninklijk erkende vereniging zich met de verstrekking kunnen blijven bemoeien.
Burgemeester en wethouders concluderen dat de voorziening onder de huidige tijdsomstandigheden (crisisjaren), niet kan worden gemist. Nu evenwel de belangstelling van de leden der vereniging voor deze arbeid der mate is gedaald, dat praktisch alle werkzaamheden door enkele bestuursleden moeten worden verricht, terwijl de vrijwillige bijdragen een onbelangrijk bedrag laten zien, zijn B&W en de Commissie voor het Onderwijs van oordeel dat er aanleiding bestaat de verstrekking van schoolpantoffels voortaan via gemeentewege te laten uitvoeren. Het Bureau Kinderkleding van de afdeling onderwijs kan die taak op zich nemen. Voordeel is dat alle voorzieningen betreffende kinderkleding en -schoeisel in één hand komen. Er wordt een ontwerpregeling samengesteld. Daarin is onder meer te lezen dat elke daarvoor in aanmerking komende school de beschikking krijgt over een aantal paren pantoffels. De niet door de aangegeven instanties aangewezen scholen welke nog pantoffels bezitten – de totale reserve op Haagse en Scheveningse scholen bedraagt op dat moment 589 - behoren hun voorraad ter beschikking te stellen aan de gemeente. Het hoofd van de school verricht alle uit de pantoffelverstrekking voortvloeiende werkzaamheden. Zo beoordeelt hij/zij of de verstrekking nodig is. Als richtlijn dient daarbij, dat de pantoffels slechts mogen worden verstrekt aan die leerlingen die schoolkleding ontvangen en/of deelnemen aan de schoolvoeding. Indien aanvulling van de voorraad nodig is, maakt het hoofd van de school gebruik van ontwerpbon A. Deze dient te worden ingeleverd bij het Bureau Kinderkleding. Te herstellen pantoffels worden door het bureau, vergezeld van ontwerpbon B, aan een nader aan te wijzen schoenhersteller in reparatie gegeven.
Die keuze zou dan, ook in verband met een zo billijk mogelijk tarief, moeten gebeuren in overleg met de op 17 januari 1887 in Beverwijk geboren Hendrik Hoek, directeur van de op 2 mei 1913 opgerichte Haagsche Vakschool voor Schoenmakers. 
Dat het uiteindelijk niet zover komt en de vereniging Verstrekking van Schoolpantoffels haar werk vanaf 12 december 1938 (volgens de originele documenten tot en met 7 oktober 1965) met koninklijke goedkeuring kan voorzetten, heeft met de standpunten van burgemeester en wethouders te maken. Zo stelt professor Cornelis Lodewijk van der Bilt, wethouder van onderwijs, op 20 april 1875 geboren in Kapelle bij Goes, dat de gemeentelijke voorziening niet meer mag gaan kosten dan de 1000 gulden per jaar, die aan de vereniging als subsidie wordt verstrekt. Bovendien zou ze het leveren beperkt willen zien tot die openbare en bijzondere scholen welke een overwegend arme bevolking hebben. Voor het aanwijzen ervan zou, voor wat betreft de openbare scholen, het advies van de Gemeentelijke Inspectie van het Onderwijs moeten worden ingewonnen. Ten aanzien van de bijzondere scholen komen daar de Haagsche Scholenraad en de Rooms-katholieke Schoolraad voor in aanmerking. Probleem is echter, dat het 2e lid van artikel 36 van de leerplichtwet zegt, dat kinderen die openbare en kinderen die bijzondere scholen bezoeken, op gelijke voet moeten worden behandeld. Dat roept de vraag op of de verstrekking van pantoffels wel beperkt mag worden tot enkele bepaalde scholen. Uiteindelijk zullen er, ook op scholen welke geen overwegend arme bevolking hebben, kinderen zijn die af en toe behoefte hebben aan pantoffels.

Handhaven

Na overleg meent het gemeentebestuur, dat in het belang van het leerplichtige kind, de vereniging moet blijven bestaan om zo de verstrekking van de schoolpantoffel op de bestaande voet te handhaven. Hoewel de vereniging heeft geprobeerd om tijdens de discussie over het al dan niet voortbestaan van de vereniging het werk zo goed mogelijk voort te zetten, heeft ze wel de helft van haar subsidie misgelopen. De vangst in 1936 en 1937 is 500 gulden per jaar. Desondanks heeft ze aan plusminus 70 scholen nog 378 paar lederen en 60 paar tapijtpantoffels kunnen verstrekken. Voor het herstel van het noodschoeisel is een bedrag van f 463,10 (€ 210,15) uitgegeven. Die reparaties gebeuren al sinds jaar en dag door de op 29 maart 1903 geboren Johannes Andries van Kruijssen. Hij heeft een zaak op de Loosduinseweg 821 en hanteert een tarief van 15 cent voor stiksel, 60 cent voor zolen en 35 cent voor haken voor alle maten. Het formulier voor die schoenherstelling kunnen ouders verkrijgen bij het gemeentelijk leermiddelenmagazijn aan de Kerkstraat 13. Het nieuwe noodschoeisel wordt al in tijden aangeleverd door Leender Martinus Platteeuw. De op 13 juni 1884 geboren directeur van schoenmagazijn
Advertentie van Leender Martinus Platteeuw.
                                                    Foto: archief. 
De Kaplaars komt uit een schoenmakers familie, want ook zijn vader Cornelis hield zich met het vak bezig. In november 1924 maakt hij er, samen met zijn broer, elektrotechnisch ingenieur Wilhelm Nicolaas Cornelis (4 februari1893), een naamloze vennootschap van. Het startkapitaal bedraagt 25.000 gulden. Hij is dan al een tijdje schoenwinkelier. Zo bevindt zijn eerste winkel zich in 1911 in de Torenstraat 18-18a. In december 1922 verhuist hij naar de Vleerstraat 42-42a om in 1930 te eindigen in het Westeinde 45, op de hoek met de Vleerstraat. Platteeuw, getrouwd met Johanna Holt van Dijkerhof en vader van dochter Judith, is secretaris van de ’s-Gravenhaagsche Schoenwinkeliers Vereniging, die is opgericht in april 1924. Hij overlijdt, 72 jaar oud, op 3 april 1957. Klompen worden in die periode aangeleverd door Arie Verbaan Jzn. Zijn winkel, sinds 1789 in het bezit van de familie op de hoek van de Schuitenweg en de Wassenaarsestraat, kenmerkt zich door een grote klomp als gevelversiering.

Economische crisis

Hoewel de vereniging, na zo’n anderhalf jaar stilstand, de draad weer volledig kan oppakken, lijkt de schoolpantoffel zijn langste tijd te hebben gehad. Schuldig daaraan is behalve de economische crisis, de vooruitgang. Zo doet begin jaren dertig de rubberen zool zijn intrede waardoor schoenen langer meegaan. In 1933 kost een paar schoolpantoffels met rubberen zool tussen de 49 en 69 cent. De prijs voor schoollaarzen is dat jaar f 2,75. In september 1936 brengt een voorgestelde bezuiniging van zo’n 22.500 gulden (€ 10.210,05) de Haagse gemeenteraad op het idee de kinderschoenreparaties van werklozen af te schaffen. Ter compensatie wordt gedacht aan het uitreiken van een extra paar schoenen per jaar aan die schoolgaande kinderen, die daar behoefte aan hebben. Vanaf dat moment bestaat er niet langer die dwingende noodzaak schoolpantoffels te verstrekken. Bij reparatie van het ene paar kan de leerling gebruik maken van het andere paar en hoeft er dus niet te worden verzuimd.
Directeur Hendrik Hoek van de Vakschool voor Schoenmakers, die aan zijn collega’s denkt, laat weten dat die bezuiniging ook bereikt kan worden zonder het afschaffen van de reparaties. Zo zou het aantal herstellingen beperkt kunnen worden tot zes keer per jaar. Om ouders aan te sporen hun kinderen te leren zuiniger met het schoeisel om te gaan, zou een eigen bijdrage van 25 cent kunnen worden gevraagd. Dat bedrag zou bij de aanbieding van het schoeisel moeten worden voldaan. Schoenmakers zouden in plaats van een normaal loon een ‘werkverschaffingsloon’ betaald moeten krijgen. Volgens de directeur bedraagt de bezuiniging door het beperken van het aantal reparaties zo’n 7000 gulden (€ 3176,46). Dankzij de te betalen vergoeding (50.000 keer 25 cent) komt er 12.500 gulden (€ 5672,25) binnen. De schoenen die worden verstrekt, zijn normaal gesproken, molières (lage schoenen met veters), tenzij de huisarts anders beslist. Zo zijn er voor kinderen met moeilijke voeten rijglaarzen beschikbaar. De reparatie van die laarzen bij kinderen van werklozen wordt door de Vakschool voor Schoenmakers uitgevoerd. Dat het in Nederland economisch slecht gaat, is ook af te lezen aan de schoenprijzen. Betaalde ouders in 1932-1933 nog f 2,10 voor maat 28/31, in het boekjaar 1934-1935 is die gezakt tot f 1,80. Dat ook bij de vereniging Verstrekking van Schoolpantoffels minder hoeft te worden uitgegeven, is te danken aan het aanwenden van rubber voor zoolbedekking. Dat neemt niet weg dat de gemeentesubsidie in 1939 stijgt naar 1350 gulden (€ 612,60). In schril contrast staat het saldo van de giften: 130 gulden (€ 59). Van die bedragen worden leren- en tapijtpantoffels gekocht.
Schoolformulier voor het storten van een bijdrage.
                                                           Foto: archief.
Bij het begin van de Tweede Wereld-oorlog blijkt hoe belangrijk het is dat de vereniging Verstrekking van Schoolpantoffels doorgaat met haar werk. Het schoeisel in gezinnen wordt merkbaar schaarser. Er is een forse vermeerdering van aanvragen. Dat komt omdat kinderen, die daarvoor nooit gebruik van de voorziening maakten, nu wel geholpen willen worden. Het aantal klompendragers neemt ook fors toe. Aan de financiële draagkracht worden hoge eisen gesteld. De totale uitgave in 1940 is f 1466,33 (€ 655,39). Schoenwinkelier Platteeuw ontvangt f 687,53 (€ 311,99). Het 
reparatieloon aan Van Kruijssen bedraagt f 514,20 (€ 233,33). De uitgaven in 1942 stijgen naar f 1969,61 (€ 893,77). Inmiddels heeft de schoenenbon zijn intrede gedaan. Een uitzondering wordt gemaakt voor schoolkinderen die voor van gemeentewege te verstrekken schoenen in aanmerking komen. Gevolg is dat het een vlotte verwerking van de goederen in de hand werkt.

Bevroren toestand

Secretaris Pieter van der Burgh concludeert in zijn jaarverslag van 1945 dat de vereniging ‘in een bevroren toestand verkeert’. Volgens hem is het werk totaal onmogelijk geworden. Reden is dat de voorraden noodschoeisel, als ze nog op scholen aanwezig waren, zijn opgebruikt door kinderen die geen schoeisel meer bezaten. Hij heeft ook meermalen het bericht gekregen, dat de nog op school aanwezige voorraad, was gestolen. ‘En reparaties, hoe nodig ook, blijken door gebrek aan materiaal onmogelijk’. Van der Burgh stelt, dat de vereniging, die haar taak zo lang mogelijk heeft volgehouden, haar heeft volbracht. Hij vraagt nog wel een subsidie van f 167,50 (€ 76) om laatste, vooral administratieve zaken te kunnen afhandelen. Die wordt door de gemeente verstrekt. Burgemeester en wethouders, die vaststellen dat de werkzaamheden van de vereniging ernstig zijn ingekrompen, nemen het besluit de taak onder te brengen bij de gemeentelijke dienst voor Schoolkinderzorg. Een steekproef uit 1945 van Adrienne Françoise Houba, schoolopziener van het lager onderwijs bij de inspectie ’s-Gravenhage, wijst uit dat nog altijd vijfentwintig procent van de leerplichtigen ongeoorloofd verzuimd. Ook op de zogenoemde gegoede scholen. De oorzaak moet, in een groot aantal gevallen, gezocht worden bij sociale nood, zoals gebrek aan kleding en schoeisel. Het is reden voor Jacobus (Co) van Zwijndregt (19-01-1894), de Haagse wethouder van onderwijs en kunstzaken, begin 1948 te onderzoeken in hoeverre er nog behoefte is aan schoolpantoffels en klompen. Uit het rapport, dat verschijnt, komt naar voren dat 43 van de 62 ingeschreven scholen het verstrekken van het noodschoeisel wenselijk achten. Zestien scholen antwoorden ontkennend, terwijl 3 scholen geen antwoord inzenden. Mocht de dienst voor Schoolkinderzorg de taak op zich nemen, dan zijn er 450 paar sandalen (2925 gulden/€ 1327,31) en 900 paar klompen (1400 gulden/€ 635,29) nodig. Dat de voorziening vervolgens volledig verdwijnt, komt omdat na het onderzoek, geen enkele school en geen enkele particulier, een aanvraag indient voor het verkrijgen van het noodschoeisel. ‘Het lijkt mij beter de belangstelling niet kunstmatig op te wekken doch af te wachten of, en in hoeverre, in de toekomst de voorziening nog noodzakelijk blijkt te zijn’, aldus mr. Johannes Velders (28-05-1913), sinds 1 januari 1945 hoofd van de afdeling onderwijs.
In Rotterdam is de voorziening, om bezuinigingsredenen, al eerder gestopt. Tot 15 februari 1933 zijn alleen schoenen verstrekt aan kinderen, die volgens de verklaring van de dokter, een voeteuvel hebben, waardoor ze niet goed op klompen kunnen lopen. Na die datum worden alleen klompen uitgegeven. Slechts in zeer bijzondere gevallen worden er door de Vereeniging voor het Verstrekken van Voeding en Kleeding aan Schoolgaande Kinderen nog schoenen verstrekt. Vóór februari 1933 is die reparatie van de schoenen voor rekening van de vereniging. Daarna wordt in geen geval meer voor dat herstel betaald. Nimmer worden in Rotterdam klompen of pantoffels verstrekt voor de tijd dat de reparatie geschiedt. Ook in Amsterdam is het verstrekken van schoolpantoffels en schoenen na de Tweede Wereldoorlog afgelopen. Sinds 1935 werden er geen schoenen meer uitgedeeld. Voor schoolpantoffels was een aanvraag nodig, maar die werd niet veel meer gedaan. Ook daar nam het klompgebruik weer toe. Zo ontvingen 3000 kinderen klompen en 128 kinderen een paar schoolpantoffels. Die voetbekleding werd verstrekt nadat onderzoek naar de gezinsinkomsten was ingesteld. Wanneer bij reparatie van de schoenen, klompen werden aangevraagd, werd dezelfde maatstaaf gehanteerd.
Niet verwonderlijk is, dat het de landelijke gebieden zijn waar schoolpantoffels tot in de eerste helft van de jaren vijftig van de vorige eeuw nog worden gebruikt. In steden en dorpen als Zutphen, Deventer, Ruurlo, Hengelo, Heerlen en Kerkrade wordt tijdens raadsvergaderingen gewezen op het nut van de schoolpantoffel. ‘Zolang door kinderen, die naar school gaan, klompen worden gedragen, is die pantoffel zeer gewenst’. Om dat op een ordelijke manier te laten verlopen, staan er in de ontvangsthal van de school onder de kapstokken klompenrekken, waar het schoeisel kan worden verwisseld. Dat het in Den Haag uiteindelijk in 1945 definitief is afgelopen, heeft één simpele reden: een gebrek aan schoolpantoffels.


                                                                                                   © Haags Nieuwsbureau 2026


zaterdag 10 januari 2026

Dungelmann

Bewoners
uit de
Pijnboomstraat

Vlees met koninklijke goedkeuring

door Hans Piët

DEN HAAGDungelmann. Wie die naam noemt, krijgt bij een groot deel van de Hagenaars, met een glimlach op het gezicht, als antwoord: ‘Oh, die man van de broodjes kroket’. Het slagersbedrijf, dat zich begin november 1861 in de Hoogstraat 34 vestigt, weet in korte tijd een glanzende reputatie op te bouwen. Zo is de beter gesitueerde Hagenaar, vanaf het begin, zeer te spreken over de kwaliteit van zijn vlees en de voorlichting over het bereiden ervan door zijn als vaklui omschreven personeel. En dan zijn er aan het begin van de vorige eeuw ook nog die, zeker tegen de feestdagen, oogstrelende etalage-invullingen, zoals eind december 1939 dat bruidsboeket van spek. Het is een door Jacob Thomas Hiemstra, een leraar van de Eerste Nederlandsche Slagersvakschool in Utrecht, vervaardigd werkstuk met anjers.
Tijdens de zesde editie van de Slagersvakwedstrijd wordt deze leraar in de vleeshouwerij, het garneren en etaleren er eerste mee in de categorie sierstukken. De medaille wordt hem overhandigd door prinses Juliana. Na de aan die wedstrijd gekoppelde expositie in Utrecht siert het de etalage van Dungelmann in de Hoogstraat.
Dat de op 31 oktober 1838 in Rotterdam geboren Petrus Gregorius Dungelmann voor de Residentie kiest, heeft als simpele reden dat zijn vader Hendrikus Josephus Bernardus 
(23-02-1803) en zijn broer Jacobus Franciscus (16-05-1837) al winkels in spekslagerswaren in de havenstad hebben. Zijn jongere broer Hendricus Franciscus (04-11-1842) werkt bij zijn
P.G. Dungelmann sr.

vader in de zaak, die is gevestigd op de Visschersdijk 191. Het bedrijf van Jacob zit aan Hang 56, nabij de Grote Markt.
De oude Dungelmann, afkomstig uit de Duitse stad Kleef, is niet opgegroeid in het slagersbedrijf. Na zijn komst naar Nederland verdient de twintiger zijn brood in eerste instantie met het maken en installeren van houtconstructies. Hij heft die schrijnwerkerij, met het daaraan gekoppelde meubelmagazijn aan de Steiger (tegenover de Koornbeurs), op 16 november 1846 officieel op. Twee jaar later kiest hij ervoor winkelier in spekslagerswaren te worden en biedt zo’n kwaliteit dat hij al snel als ‘meester spekslager’ bekend staat. Henrich, vader van negen kinderen – zes zonen en drie dochters – overlijdt, 62 jaar en tien maanden oud, op 24 december 1866 aan zenuwzinkingkoorts (buiktyfus). Vijf maanden eerder is hij nog vader geworden van een zoon bij zijn derde vrouw Johanna Maria van der Werf. Hij is, zes maanden na de dood van zijn tweede echtgenote Hendrika Ticheloven op 30-jarige leeftijd, in augustus 1855 met haar getrouwd. Ook zijn eerste vrouw Alida Maria de Groot sterft jong. Bij haar overlijden op 14 november 1842 is ze 33 jaar.

Langeveld

Petrus Gregorius Dungelmann verhuist in 1861 naar de Residentie om op 1 november van dat jaar de zaak van Leonardus Langeveld in de Hoogstraat 34 over te nemen. ‘De ondergetekende heeft de eer zich aan zijne stadsgenoten aan te bevelen, zullende trachten het vertrouwen waardig te blijven dat de heer L. Langeveld zoo zeer mogt ten deel vallen’, is op 3 november 1861 te lezen in een mededeling in het Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage. Hoezeer hij daarin slaagt, mag onder meer blijken uit de koninklijke goedkeuring. Niet zelden komen leden van de koninklijke familie zoals koning Willem III, koningin-moeder Emma en koningin Wilhelmina persoonlijk langs om een keuze uit onder meer het braadvlees, de truffels, patés en de fijne vleeswaren te maken. Gevolg is dat prins Hendrik hem op 8 juni 1867 de titel hofleverancier verleend met de vergunning het koninklijk wapen te voeren.
Prent uit de reclamefolder ter viering van het
75-jarig bestaan.                Tekening: archief. 

Om nog meer kwaliteit te kunnen leveren, vraagt Dungelmann begin september 1887 vergunning aan voor het oprichten van een slachterij voor varkens en een vlees- en spekrokerij. Hij wil deze vestigen achter zijn winkel met een uitloop naar Papestraat 20. Er komt heel wat papierwerk aan te pas. Zo buigen onder anderen de adjunct-inspecteur voor het Geneeskundig Staatstoezicht Zuid-Holland, de opperbrandmeester en de inspecteur der Bouwpolitie zich over de vraag. Op 27 september laten ze weten de vergunning te verlenen. Er zijn wel voorwaarden. Zo moet de tot slachterij bestemde plaats worden voorzien van een ondoordringbare vloer. Het vuil en het afval moet dagelijks worden weggeruimd en het bloed moet behoorlijk worden opgevangen en verwijderd. Het slachten mag van de zijde van de openbare straat niet zichtbaar zijn. De rookkast dient geheel van steen te zijn. De schoorsteen van de rokerij moet zijn gemetseld, op zichzelf staan en tot een meter boven de nok van het dak van perceel Papestraat 18 zijn opgetrokken. Van de vergunning moet voor 1 februari 1888 gebruik worden gemaakt.
Hoewel geslaagd als zakenman kent hij op persoonlijk vlak minder geluk. Op 23 oktober 1861 met Johanna Zeegers getrouwd, krijgt het echtpaar in de loop der jaren tien kinderen van wie er acht overlijden. Henricus Josephus Bernardus na vier maanden op 27 mei 1865, Petrus Gregorius, waarbij in de krant wordt gesproken over een voorspoedige bevalling, na elf maanden op 12 maart 1868, Jacobus Franciscus na zes maanden op 25 juni 1870, Wilhelmus Nicolaas na vier maanden op 26 augustus 1872, Johanna Maria, vier jaar oud, op 18 november 1875, Petrus Gregorius op 7-jarige leeftijd op 1 december 1875, twee levenloze kinderen op 13 april 1877 en op 25 december 1879 en Johannes, 21 jaar oud, op 23 januari 1885. In leven blijven de op 9 februari 1866 geboren Henricus Josephus Bernardus en de op 13 mei 1876 geboren Petrus Gregorius. Harry trouwt op 19 december 1912 in Den Haag met Wilhelmina Cornelia Henneveld. Peter huwt op 5 oktober 1922 in Tilburg Johanna Geertruida Wilhelmina Schreinemacher.

Eerste bewoner

Na eerder te hebben gewoond aan het Noordeinde 93a, verhuist Peter in februari 1916 naar de Pijnboomstraat 17. Hij is de eerste bewoner van dit benedenhuis met tuin. Het pand maakt deel uit van een blok van zeven woningen, gesitueerd op de hoek met de Ieplaan.
Bouwtekening van de Pijnboomstraat 1 t/m 17. Peter Dungelmann en zijn vrouw Johanna wonen tot eind 1928 in het op de tekening linker benedenhuis.               Tekening: archief.











Vergunning voor de bouw onder kadasternummer AN 337 wordt op 14 augustus 1914 verleend aan George Theodorus Meijer, eigenaar van N.V. Bouwbureau G. Th. Meijer & Zn uit de Weimarstraat 278. De bedoeling is om, in samenwerking met timmerman Gerardus Vermeulen, de panden op te trekken maar deze haakt begin april 1915 af. Aardig detail is dat hij eind 1929 bij terugkeer uit Groot-Brittannië met vrouw en zoon in Pijnboomstraat 4b gaat wonen. Voor de eerste steen van de nieuwbouw kan worden gelegd, moet hij eerst worden getest bij het proefstation Koning & Bienfait in Amsterdam. Op 15 mei 1915 volgt de toestemming. De kalkzandsteen voldoet aan de drukvastheid van 271 kg en 251 kg per vierkante cm. Vastgelegd wordt dat de bouwkundige geen gebruik hoeft te maken van kalkzandsteen voor de fundering, de bouw- en binnenmuren, kolken en kelders. Dat geldt ook voor de achterwerkers (baksteen van zachtere kwaliteit die veelal achter de gevel wordt ingezet). Voorwaarden is wel dat voor de trasramen (harde steen om te voorkomen dat vocht vanuit de grond in het metselwerk trekt), sterke cementspecie wordt toegepast welke drooggemeten moet bestaan uit twee delen cement, vier delen scherpzand en ten hoogste een half deel schelpkalk. In juni 1915 vraagt Meijer aan directeur Andreas Johannes Maria Stoffels, directeur van het Gemeentelijk Bouw- en Woningtoezicht, te mogen afwijken van het oorspronkelijke plan. Het betreft het wijzigen van de indeling van de gevels van de drie meest oostelijk ontworpen percelen. De bouwer wil namelijk vier erkers aanbrengen, twee in de Pijnboomstraat, een erker aan het schuine gedeelte van het hoekpand 
P.G. Dungelmann jr.
en een erker aan de zijde van de Ieplaan. Stoffels ziet geen bezwaren. Er zijn wel voorwaarden. Zo mag de uiterste voorsprong van het grondvlak niet meer zijn dan 85 centimeter in verband met de lichttoetreding van de vertrekken onder de uitbouwsels. Ze mogen niet lager komen dan 3,35 meter boven het trottoir en de ramen van de erkers mogen niet buitenwaarts opendraaien. Bij het voltooien van de werkzaamheden doet Meyer een laatste aanvraag voor het oprichten van bergplaatsen voor brandstoffen achter de woningen. Toestemming volgt al wordt bepaald dat ze niet groter mogen worden dan vijf vierkante meter en niet hoger dan 2,25 meter.
Peter en zijn vrouw Johanna blijven er wonen tot eind 1928. Vervolgens gaat de huur over op de op 21 april 1871 in Almelo geboren Anton Jacob Hoogenkamp. De boekhouder en procuratiehouder, getrouwd met Sijtje Wortel uit Ursem, is vader van twee dochters. Het gezin, afkomstig uit Amsterdam, woonde sinds mei 1925 al aan de overkant van de Pijnboomstraat, op nummer 6a. Het echtpaar Dungelmann neemt op 11 april 1929 zijn intrek in het herenhuis aan de Mauvestraat 27, een zijstraat van de Benoordenhoutseweg. De nieuwbouw tegenover het Haagse Bos, onder kadasternummer P8607, is een ontwerp van architect Michiel de Mos jr. en wordt in augustus 1928 neergezet door Gerrit de Bas. De bouwkosten van deze ruime woning van 148 vierkante meter op een perceel van 199 vierkante meter schommelen rond de 8500 gulden (€ 3857). Behalve een voortuin met tuinmuur en hek heeft het pand ook een achtertuin waar een bergplaats is gevestigd. De huur bedraagt 1200 gulden (€ 544,54) per jaar.

Gedegen opleiding

De verhuizing geeft de status aan die beide broers inmiddels in Den Haag hebben verworven. Al op jonge leeftijd actief in het vak hebben ze, dankzij hun vader, een gedegen opleiding achter de rug. Als pa in 1899 op 61-jarige leeftijd van zijn pensioen wil gaan genieten, is het dan ook geen probleem aan de klant kwaliteit te blijven leveren. Wat niet wegneemt dat Peter sr. zijn zoons van advies blijft dienen tot zijn overlijden op 15 oktober
Mauvestraat 27.

1919 op 81-jarige leeftijd. Tegelijkertijd betekent het niet dat ze in een gespreid bedje 
terecht komen. Met de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog, waarbij de vleesprijzen rare sprongen maken, en de daaropvolgende crisis is het hard werken. Dat levert in 1918, het jaar dat de minister een slachtverbod uit-schrijft en drie maanden later de adviezen over de distributie van rundvlees negeert, het gerucht op dat het pand in de Hoogstraat verkocht gaat worden. Harry ontzenuwt het praatje met de mededeling ‘de zaak voort te zetten zolang de omstandigheden dit maar enigszins mogelijk maken’.
Om eenheid te scheppen in de slagerswereld is Dungelmann sr. in april 1891 nauw betrokken bij het oprichten van de Neder-landsche Slagersbond. Onder voorzitterschap van spekslager Eliza Marinus Susannus van Santen fungeert hij als penningmeester. Het is een rol die zijn zoon Harry in 1911 overneemt. Een van de eerste commissies die – met succes - door de Slagersbond wordt gestart is die ‘tot verbetering van het varkensras in Noord- en Zuid-Holland en Utrecht’. Harry is in augustus 1912 nauw betrokken bij het in het leven roepen van een commissie die het gebruik van haring als varkensvoer moet bestrijden. Vastgesteld is, dat duizenden vaten haring, welke vroeger als mest werden gebruikt, op dat moment als varkensvoer dienen. Gevolg is dat het vlees onsmakelijk wordt en daardoor onbruikbaar. Zelfs wanneer jonge varkens ermee worden gevoed, wreekt zich dat op de gemeste varkens. Er komt het verzoek aan de regering tegen dit euvel maatregelen te nemen. Uitvoer naar het buitenland komt namelijk in gevaar. In 1919 staat Harry vooraan om opnieuw bij de regering aan te dringen op de invoering van een algemene rijks keuring voor alle vee en vleeswaren in de meest uitgebreide zin. Hoezeer hij betrokken is bij die organiserende kant blijkt ook uit
H.J.B Dungelmann.

de vooraanstaande rol die hij – uiteindelijk 25 jaar - speelt in de ‘s-Gravenhaagsche Slagerspatroon Vereeniging, een organisatie met 120 leden. Verder heeft hij zitting in de Commissie van Beheer en van Redactie van de Slagerscourant en zet de kinderloos gebleven Harry zich volop in als secretaris-penningmeester bij de J.A. Schönthaler-stichting. Het is een organisatie die hulp biedt aan het zwakke dan wel noodlijdende slagerskind. Met inzamelingen, fancy fairs en acties wordt steeds weer gepoogd het geld bij elkaar te krijgen voor bijvoorbeeld een dagje uit, maar ook voor het op peil houden van de gezondheid van die kinderen. Hij kan zo goed met het merendeel opschieten dat ze hem liefkozend ‘Oom Harry’ noemen. Dungelmann, die na zijn penningmeesterschap in 1915 eerst ondervoorzitter van de Nederlandschen Slagersbond wordt, neemt twee jaar later het voorzitterschap op zich. Zijn kennis en betrokkenheid resulteren bij zijn aftreden tot de benoeming van erevoorzitter. Hij is de eerste die deze titel krijgt toegewezen. Harry, die met zijn vrouw Wilhelmina op Alexanderplein 22 woont, overlijdt, nadat hij ziek is teruggekomen van een reis naar Spanje, op 2 mei 1931 op 65-jarige leeftijd. Zijn vrouw laat op 18 april 1936, op 61-jarige leeftijd, het leven achter zich. 
  
Groei

Zijn broer Peter houdt zich tijdens zijn werkzame leven vooral bezig met het slagersvak. Het is, vanaf zijn dertiende jaar, zijn lust en zijn leven. Hoezeer hij heeft bijgedragen aan de groei van het bedrijf is mogelijk af te lezen aan het aantal geslachte varkens. Op het moment dat zijn vader van zijn oude dag ging genieten, waren dat er vier per week. Bij de uitvaardiging van het slachtverbod op 15 juli 1940, in eerste instantie in de provincies Noord- en Zuid-Holland en Utrecht, was dit aantal gegroeid tot ongeveer vijftig per week. 
Reclamekaart uit 1932.              Foto: archief.
In 1912 neemt hij, met instemming van zijn broer Harry, het initiatief achter de winkel een zouterij van spek en vlees op te richten. Echt eenvoudig is dat niet. Zo moet zo’n beetje de hele buurt toestemming 
geven. Ook postzegelhandelaar Willem Houtzamer uit de Papestraat 12. Hij laat schriftelijk weten geen bezwaar te hebben. Nadat de aankondiging veertien dagen ter visie is gelegd in kamer 7 van de gemeente-secretarie wordt er op 28 mei om elf uur in het raadhuis gelegenheid geboden mondeling en schriftelijk bezwaren in te brengen en toe te lichten. Geen buurtbewoner reageert. Ook dr. Johannes Gerard Maria Mastboom, voorzitter van de Gezondheids-commissie, en Willem van Boven, inspecteur volksgezondheid, hebben geen bezwaar. ‘De inrichting voldoet aan de eisen welke uit het oogpunt van hygiëne en reinheid daaraan kunnen worden gesteld’, meldt het rapport. Wat niet wegneemt dat er strenge eisen zijn. Zo moet de pekelbak waterdicht worden gehouden. De voor de afvoer van pekel bestemde riolering en kolk moeten in goede staat blijven en de meest mogelijke reinheid moet worden betracht. Goedkeuring volgt op 13 augustus 1912. Een afschrift van de kennisneming wordt verstuurd naar de directeur Gemeentelijk Bouw- en Woningtoezicht, de commandant van de brandweer, de hoofdcommissaris van politie, hoofdinspecteur Volksgezondheid voor Zuid-Holland en Zeeland en het hoofd van het 7e district voor het Stoomwezen. De waterdichte, van betonijzer vervaardigde zouterij is al sinds maart 1912 aan het werk.
De nieuwe indeling van de werkruimte met een door
elektromotoren gedreven vleesbewerkingsinrichting
en koelinstallatie.                       Tekening: Hans Piët
In maart 1930 neemt de firma vanuit hygiënisch oogpunt een betaalmachine in gebruik. Voordeel hiervan is dat het wisselgeld niet meer door de handen van het personeel gaat. Het glijdt namelijk uit de machine in het schepje dat ter linkerzijde is bevestigd. Om de beste kwaliteit te kunnen blijven leveren, wordt in juni 1931 in het deel van het pand waar de rokerij en zouterij van vlees en spek is gevestigd, een door elektromotoren gedreven vleesbewerkingsinrichting en koelinstallatie opgericht. Deze inrichting dient voor het afkoelen van vleeswaren in diverse koelcellen en het roken, zouten enzovoort van vleeswaren. In de koelcel is een pekelkoelerbuizensysteem te vinden waar de koude pekel door wordt gepompt door de centrifugaalpomp. Verder zijn er een worststopmachine, een gaskookfornuis, een gasbraadoven en een dampvanger te vinden. In de winkel wordt dat jaar een koelkast geplaatst. Een primeur voor Nederland is in december 1938 het geïnstalleerde systeem waardoor de afgesloten etalage in zijn geheel automatisch wordt gekoeld. Hierdoor is het dus niet langer nodig een koelkast met glazen voorwand te plaatsen.

Jubilea

Hoezeer het personeel het naar zijn zin heeft bij de firma Dungelmann, blijkt door de jaren heen uit de grote hoeveelheid jubilea. Zo viert Jacobus de Vette op 28 oktober 1921 zijn 25-jarig dienstverband. Behalve de gebruikelijke enveloppe is er de zilveren bondsmedaille van het bestuur van de Nederlandsche Slagersbond. Vijftien jaar later maakt de als ‘het grijze heertje’ bekendstaande De Vette veertig jaar vol. Inmiddels 72 jaar is de altijd even opgewekte als ijverige winkelbediende op drukke dagen nog altijd op zijn post achter de toonbank te vinden. Gevolg is, dat er klanten zijn die alleen door deze vader van vijf kinderen willen worden bediend. Als eerbetoon is er voor deze oudste werknemer van de firma een eremedaille in brons verbonden aan de Orde van Oranje-Nassau. Peter Dungelmann biedt hem een reisje aan. De in Wassenaar geboren Jacob neemt op 15 februari 1940, hij wordt die dag 75 jaar, definitief afscheid om van een welverdiende rust te genieten. Vijf jaar later, op 1 september 1945 overlijdt hij.
Op 10 augustus 1928 jubileert de uit het Duitse Niederreindorf afkomstige Albin Eduard Pfeifer. De vader van tien kinderen, inmiddels 67 jaar, is dan 25 jaar in dienst als vleeshouwer. Geprezen om zijn plichtbesef zijn er geschenken en de medaille van de Nederlandsche Slagersbond. Albin, getrouwd met de eveneens uit Duitsland afkomstige Maria Drost, genaamd Helling, met wie hij in 1887 in Den Haag is getrouwd, overlijdt op 91-jarige leeftijd op 26 december 1952. Wilhelmus Marinus Mesker is op 1 mei 1931 vijftig jaar in dienst bij het slagersbedrijf en ontvangt diezelfde maand de eremedaille verbonden aan de Orde van Oranje-Nassau voor zijn trouwe dienst. Hij is een bekende figuur in het
Haagse straatbeeld met zijn onafscheidelijke mandje. De vrijgezel, op 26 april 1866 geboren in 's-Gravenhage, overlijdt op 6 december 1940 op 74-jarige leeftijd. Op 1 februari 1934 is de bescheiden Johan Adolph Janusch 30 jaar in dienst. De eerste vijftien jaar als chef, vervolgens als bedrijfsleider. Op zijn verzoek blijft elke huldiging achterwege. De uit Kampen afkomstige spekslager overlijdt, 79 jaar oud, op 27 september 1952.
Ook in 1932 wilden de winkeliers de
bestelling op tijd weten. Foto: archief.
Op 10 november 1936 bestaat slagerij Dungelmann 75 jaar. Van een 
geruisloos passeren van deze mijlpaal is geen sprake. Peter heeft door middel van een advertentie laten weten die dinsdag gewoon open te zijn. Gevolg is een enorme toeloop van klanten. Binnen de kortste keren is de hele zaak gevuld met bloemstukken. Ook zijn er de nodige telegrammen. Een deputatie van de ’s-Gravenhaagsche Winkeliersvereeniging komt ’s middags langs. Toeval of niet, eerder dat jaar in april wint Dungelmann de eerste prijs tijdens de slagersetalage-wedstrijd voor Den Haag en omgeving. Wilhelm Klerx, de op 20 juni 1878 in Rheijdt, Duitsland geboren worstenmaker is op 14 februari 1938 vijfentwintig jaar in dienst bij de firma Dungelmann. Volgens zijn collega’s bezit hij een energie en werklust die bewondering afdwingt. Als chef worstenmaker krijgt hij tijdens de feestelijkheden een gouden horloge met ketting, een enveloppe en ook de onderscheiding van de Slagersbond uitgereikt. Hij overlijdt 68 jaar oud op 4 april 1947.  Simon Petrus Dekker, afkomstig uit een gezin met acht kinderen, is op 1 augustus 1950 dertig jaar verbonden aan de firma. De in Gouda geboren spekslager, wiens vader Cornelis Gerardus vleeshouwer was, viert op diezelfde dag zijn vierenvijftigste verjaardag. Bij klanten staat hij vooral bekend als artiest dankzij het op
Het aanbod voor een vrolijk kerstfeest
in 1938.                          Foto: archief.
kunstige wijze garneren en opmaken van diverse schotels. Aardig detail is, dat hij in dezelfde Van Lunterenstraat woont als Klerx. Hij op nummer 223, Wilhelm op nummer 163. Simon overlijdt op 19 januari 1969. Hij is dan 72 jaar.

Zestig jaar

Peter Dungelmann herdenkt op 13 mei 1949 dat hij zestig jaar tussen de fijnste paté’s verblijft. De slager jubileert in stilte ‘omdat de tijd er niet naar is om uitbundig te zijn’, zo meent hij. Bijna zeven maanden later, op 1 december van dat jaar, trekt hij zich terug uit de zaak. Een rustige oude dag is hem niet gegeven, want op 11 februari 1950 overlijdt hij onverwachts. Hij wordt 73 jaar. Dungelmann, die op 11 januari 1934 zijn eerste vrouw Johanna Schreinemacher heeft verloren, ze was vijftig jaar, is op 23 april 1940 met de 21 jaar jongere Wilhelmina Paulina Uriot getrouwd. Ook voor haar is het een tweede huwelijk na het verlies van de oorspronkelijk uit Tilburg afkomstige, maar in Den Haag wonende handelsreiziger Marinus Joannes Franciscus Schreinemacher. Aan deze ex-kapster de taak het pand en de firma van de hand te doen. Hoogstraat 34 wordt aangeboden als ‘een pand ter breedte van twee vensterassen, bestaande uit een parterre en twee verdiepingen. Een gesausde lijstgevel. Achttiende eeuw. Geprofileerde vensteromlijstingen. In de bovenste vensters vierruitschuiframen. Harmonieuze winkelpui uit het begin van de 20e eeuw. Gebouw van algemeen belang voor de gemeente ’s-Gravenhage wegens zijn architectuurhistorische waarde’. Dat laatste wordt op 20 februari 1984 door de gemeente bevestigd. Vanaf dat moment is het te vinden op de monumentenlijst van de stad. De man die interesse heeft in P.G. Dungelmann is vleeshouwer Stephanus Petrus van der Laan op 8 oktober 1906 geboren in Loosduinen. De vader van drie kinderen en getrouwd met Arnolda Maria Wilhelmina Josefina Douw, neemt het bedrijf in juli 1950 over en besluit niet veel later het voort te zetten onder de firmanaam P.G. Dungelmann.

                                                                         © Haags Nieuwsbureau 2025