Dansen
op zondag
In 1924 is Lodewijk Franciscus Duymaer Van Twist (geboren op 9 november 1865) een vurige voorstander
van een soortgelijke Haagse actie. De luitenant-generaal buiten dienst, die
tussen 1915 en 1935 zitting heeft in de Haagse gemeenteraad en 45 jaar de
Anti-Revolutionaire Partij in de Tweede Kamer vertegenwoordigt waarbij hij, met
zijn zware stem, jaren achtereen op Prinsjesdag belast is met de protocollaire
taak, om na de troonrede, het ‘Leven de koningin’ uit de roepen, zou het liefst
het dansen op alle dagen van de week verbieden. “Maar daarvoor zal, naar ik
meen, geen meerderheid in de raad te vinden zijn”, laat hij op 30 mei 1927,
tijdens de behandeling van een voorgedragen wijziging van artikel 271 der
Algemene Politieverordening (dansvergunning op zondag), weten. Die beschikking
luidt: ‘met uitzondering van de vergunning, getekend door de burgemeester, is
het verboden muziek, vertoningen, feesten of andere vermakelijkheden te geven
of toe te laten, waartoe het publiek met of zonder betaling, de toegang wordt
verleend’.
Hieraan zou expliciet
het dansen op zondag en soortgelijke dagen moeten worden toegevoegd. Het
voorstel wordt, na een discussie in de gemeenteraad, die geruime tijd in beslag
neemt, voorgelegd aan de Raadscommissie voor de Strafverordeningen. Dit orgaan is
in 1851 opgericht en heeft tot doel het ontwerpen van verordeningen ter
handhaving van de openbare orde. In 1978 is die taak overgenomen door de
Raadscommissie voor Politie- en Brandweeraangelegenheden. In 1927 besluit de
meerderheid van deze commissie dat een dansverbod op zondag niet behoort te
worden ingevoerd. ‘Klachten die zijn geuit ten aanzien van het dansen op zondag
in bepaalde inrichtingen, zijn zeer overdreven en stroken niet met de
werkelijkheid’, aldus het adviesorgaan in een schrijven. ‘Behalve dat tal van
bedrijven schade zullen ondervinden, zal tevens de aantrekkelijkheid van
’s-Gravenhage verminderen wat zeker in de zomer, samen met badplaats
Scheveningen, ernstige financiële gevolgen kan hebben’. Ook in de gemeenteraad
haalt de motie het niet. Het wordt met 22 tegen 20 stemmen verworpen.
![]() |
Lodewijk Franciscus Duymaer van Twist: "Deze dansmanie haalt het morele en zedelijke peil van ons volksleven naar beneden". Tekening: Hein Auke Kray. |
Jazz
In hetzelfde
jaar houdt Lodewijk een warm pleidooi jazzbands niet tot ’s-Gravenhage toe te
laten. De voorzitter van de gemeenteraad moet toegeven zelf ook een grote hekel
aan jazz te hebben, “maar dat rechtvaardigt mij niet tot een verbod. Het is een
vermaak
waaraan de Nederlandse jongeren buitengewoon veel waarde hechten en op
zichzelf is een jazzgroep niet een zaak die onzedelijk is. Ook hier moet de
heer Duymaer van Twist onderscheid maken tussen zijn persoonlijke sympathieën en
de plicht van de overheid”.
Wat steeds
weer speelt, is de interpretatie van de verschillende wetten. Lodewijk Duymaer van
Twist, op 24 juli 1903 in Gouda getrouwd met Neeltje Dortland, meent dat de
gemeenteraad en niet burgemeester en wethouders beslist over het al dan niet
uitdelen van dansvergunningen. “Zo is het in de Zondagswet van 1 maart 1815 (Staatsblad
nr. 21) terug te lezen”.
De
voorzitter corrigeert het gemeenteraadslid. “In de Gemeentewet staat in artikel
126 dat, wanneer ter uitvoering van wetten door het gemeentebestuur moet worden
meegewerkt, dit geschiedt door burgemeester en wethouders. Wanneer de
Zondagswet zegt dat de uitzonderingsbevoegdheid aan de plaatselijke besturen wordt
gegeven, dan is dat aan burgemeester en wethouders. Zo staat het in artikel 4
van die wet uit 1815”.
Dit artikel uit de Zondagswet, een wet waarin de zondagsrust wordt geregeld, is
in de loop der jaren diverse keren aangepast. Zo staat in de eerste versie dat
de dansvergunning wordt verleend onder voorwaarde ‘dat op zondag en algemeen erkende
christelijke feestdagen niet wordt aangevangen dan telkens na het volkomen
eindigen van alle voormiddag godsdienstoefeningen’. In 1907 wordt dit veranderd
in: ‘na het volkomen eindigen van alle godsdienstoefeningen’. Een gevolg is dat
het dansen pas na half negen ’s avonds kan aanvangen aangezien de Nederlandse
Hervormde Kerk ’s avonds nog drie diensten heeft die rond die tijd sluiten. Het
betekent dat de liefhebber op zondag net tweeëneenhalf uur de tijd krijgt. Openbare
dansgelegenheden maar bijvoorbeeld ook de horeca mogen – anders dan gesloten
clubs - namelijk maar tot 11 uur openblijven. In 1924 wordt dit aangepast. In
de overeenkomst met de vergunninghouder staat dat het aanvangsuur voor het
maken van muziek en het dansen in het openbaar op zondagen en de christelijke
feestdagen is bepaald tot na het eindigen van alle voormiddag
godsdienstoefeningen. Als regel wordt 3 uur ’s middags aangehouden. De controle
op de naleving van de vergunningsvoorwaarden wordt volgens hoofdcommissaris
Theodorus Hendricus Johannes Besseling verricht door personeel van de afdeling
zedenpolitie en uniform dragend personeel van het politiebureau waaronder de
betrokken inrichting ressorteert. Het aantal uitgeschreven vergunningen
bedraagt op dat moment vijftig. De lijst met dansovereenkomsten geeft aan dat
het vooral om hotels gaat als De Witte Brug, Des Indes, het Badhotel, Hotel
Central, Hotel De Twee Steden, Hotel De Oude Doelen, Huize Hooigracht, het
Victoria Hotel en in Scheveningen het Grand Hotel, Savoy Hotel, Rauch Hotel,
Oranje Hotel en Palace Hotel.
Aan artikel 4 van de Zondagswet wordt in 1939 toegevoegd dat het College van
Burgemeester en Wethouders zonder opgaaf van reden kan weigeren toestemming te verlenen
tot publieke danspartijen. Beroep is niet mogelijk. In oktober 1953 wordt het
vierde lid van artikel 4 der Zondagswet opnieuw aangepast en luidt nu: bij
algemene maatregel van bestuur moet ten aanzien van openbare vermakelijkheden
waarvan redelijkerwijze geen beletsel voor de viering van de zondag en geen
verstoring van de openbare rust op zondag zijn te duchten, worden bepaald dat
zij niet als openbare vermakelijkheden in de zin van genoemde wet zullen worden
beschouwd. Het gaat om toneelvoorstellingen, filmvertoningen, concerten en
andere openbare bijeenkomsten welke in besloten ruimte worden gehouden en die de
geestelijke, zedelijke of culturele ontwikkeling ten doel hebben. Vanaf 1990
ziet de Zondagswet het dansen in horeca-inrichtingen als een vorm van
ontspanning. Om die reden valt het niet meer onder artikel 4, tweede lid van de
Zondagswet.
Dansmanie
Voor het zover is, gooit Duymaer van Twist, omschreven als een oprechte
calvinist, alles in de strijd om het dansen te verbieden. Hoezeer hij
tegenstander is van deze, in zijn ogen, onzedelijke bewegingen wordt al duidelijk
in 1923 bij de subsidieaanvraag van het balletgezelschap van Lili Green en Margaret
Walker. Hij en dertien medestanders stemmen tegen. Het voorstel telt echter 27
voorstanders en wordt aangenomen. Op 4 december 1925, tijdens de
begrotingsbesprekingen, oppert hij het zedelijk peil aan te pakken. “Het wil
mij voorkomen dat de gelegenheden tot dansen in onze gemeente reeds legio zijn.
Je kunt nergens komen of je ziet dansen. Gevraagd zou mogen worden of aan deze
dansmanie, welke het morele en zedelijke peil van ons volksleven naar beneden haalt, geen
einde moet komen. Het zou mij aangenaam zijn te vernemen of de raad competent
is daaromtrent een beslissing te nemen. Als vernomen
wordt hoe in tal van gezinnen de ouders indirect gedwongen worden hun kinderen
naar die gelegenheden te laten gaan, dan moet wel tot een verbod worden besloten”.
Burgemeester en wethouders gaan niet over tot actie. Voor Lodewijk reden om de
‘danswoede’ op 16 december 1926, wanneer de begroting van Openbare Veiligheid
wordt behandeld, opnieuw ter sprake te brengen. Tijdens die discussie meent een
deel van de raad dat indien burgemeester en wethouders hun roeping goed
begrijpen, zij hieraan paal en perk zullen stellen. Burgemeester Patijn meent
echter dat het geen aanbeveling verdient te trachten om deze dansmanie te
beperken door het intrekken van vergunningen. “Zo’n maatregel bevordert de
oprichting van particuliere clubs, waarop geen toezicht kan worden gehouden.
Hierdoor zal het clandestien dansen sterk toenemen”.
Hij vindt
artikel 50 van de Gemeentewet aan zijn kant. Daarin staat dat een vergunning
alleen kan worden geweigerd als er gevaar bestaat voor wanordelijkheden,
aantasting van de openbare zedelijkheid, belemmering van het verkeer, of de
aantasting van de rechten en vrijheden van anderen. Dat is hier niet het geval.
Voorschriften
Dat die openbare dansgelegenheden gebonden zijn aan allerlei voorschriften,
blijkt uit de eisen die aan de ruimtes worden gesteld. Zo is het, na een eerste
aanvraag, de politie die in het vertrek de plaats aanwijst waar mag worden
gedanst. Daarbij kan worden geëist dat deze lokaliteit moet zijn belegd met een
verhoogde plankier. Is er sprake van een parket- of stenenvloer dan dient het
dansgedeelte te zijn afgebakend door een balustrade, een koord of een touw.
Deze afzetting mag slechts aan één zijde toegang bieden tot het voor dansen
bestemde deel. Bovendien moet dit gedeelte zodanig in de lokaliteit zijn
gekozen dat aan alle zijden toezicht op de dansenden kan worden gehouden. Het
plaatsen van tafeltjes en stoeltjes geschiedt volgens de door de
hoofdcommissaris van politie te geven aanwijzingen. Wanneer in de inrichting op
enigerlei wijze in strijd met de orde of zedelijkheid wordt gehandeld of
wanneer ten gevolge van het dansen minder gewenste feiten zich voordoen, wordt de
dansvergunning geschorst of ingetrokken. Daarnaast is er nog een serie van bepalingen
die samenhangen met artikel 4 van de Zondagswet en artikel 271 van de Algemene
Politieverordening. Zo wordt er bijvoorbeeld geen muziek in de danszaal
toegelaten tenzij de daarvoor verschuldigde belasting is betaald. De kwitantie
van die betaling moet bij elke aanvraag van de politie onmiddellijk worden
getoond. Op de donderdag, vrijdag en zaterdag voor 1e Paasdag wordt
geen muziek toegelaten. Op de zondagen en algemeen erkende Christelijke
feestdagen wordt niet aangevangen dan na het eindigen van de
godsdienstoefeningen. Muziek mag niet te veel geraas maken en hij moet steeds
te middernacht zijn geëindigd. Op zaterdag is het sluitingsuur van de
inrichting half twee. Op doordeweekse dagen half een. De hoofdcommissaris kan
verbieden bepaalde instrumenten te bespelen. Kelnerinnen worden niet
toegestaan. De buitendeur moet gedurende de muziekuitvoeringen in geopende
toestand zijn vastgezet. Bij die deur moet vanaf een uur voor zonsondergang tot
het einde van de vermakelijkheden een elektrisch noodlicht branden. Aan te
brengen feestversieringen dienen steeds brandvrij te zijn. De bevelen van de
politie, te geven in het belang van orde, veiligheid en zedelijkheid, moeten
direct worden opgevolgd.
Zondagsheiliging
Dat Lodewijk Duymaer van Twist niet alleen staat in een verbod op het dansen op
zondag, wordt duidelijk uit de woorden van prof. dr. Josef Theodorus Beysens,
hoogleraar aan de Rijksuniversiteit van Utrecht. Hij laat in 1927 weten: “De
katholieke opvatting der zondagsviering is boven alles zondagsheiliging.
Hiermee is een continue danswoede onverenigbaar. In de bestaande omstandigheden
schijnt mij dat verbod geheel in lijn te liggen met de katholieke opvattingen. De
excessen kunnen onvoldoende worden tegengegaan en de daaraan verbonden gevaren
evenmin. Het gaat juist om die excessen en gevaren. De dans zelf is een
geoorloofde ontspanning”.
Felix
Aegidius Hubertus van de Loo, professor in de moraaltheologie aan het
grootseminarie Rijsenburg in Driebergen, waarschuwt voor wat er na het dansen
gebeurt. “Dansen verleidt tot allesbehalve onschuldige napret. Door de
verrichtingen op de dansvloer wordt het gemoed verhit, waardoor de prikkel tot
het verbodene wordt gewekt. Veel kwaad wat niet in, maar buiten de danszaal
wordt gepleegd, gebeurt niettemin als gevolg van de danszaal”.
In 1926 wijst een stevig rapport uit dat de zedenloosheid die bij het dansen voorkomt,
niet moet worden overdreven. Burgemeester Patijn laat weten dat het schrijven,
dat steunt op de ervaringen van een groot aantal rechercheurs en personen die
met het toezicht zijn belast, hem gerust heeft gesteld. Het is reden om op 10
december 1926, tijdens de algemene beschouwingen van de begroting, te verklaren:
“Ik geloof, dat ik niet zou handelen in de geest van onze wetgeving, wanneer ik
als burgemeester van Den Haag, het dansen geheel zou verbieden. Dat doe ik niet”.
Opvoeding
Dat Lodewijk Duymaer van Twist tijdens zijn leven een conservatief beeld aanhangt,
ligt omsloten in zijn opvoeding. Zo is zijn vader, Willem Lodewijk Franciscus,
een bekende apotheker die aan het Spui 237 in Den Haag woonde, jarenlang
diaken in de Nederlandse Hervormde Gemeente en vervolgens regent van de
diaconiegestichten in ’s-Gravenhage. Hij overlijdt op 25 mei 1911 op 74-jarige
leeftijd, terwijl hij op bezoek is bij zijn jongste zoon Alexander Johannes,
arts in Leiden. Zijn drie kinderen hebben dan al afscheid moeten nemen van hun
moeder, Maria Hendrika Hermanie. Zij overlijdt op 10 juli 1899 op 62-jarige
leeftijd. Tijdens de begrafenis van Lodewijk, op 7 augustus 1961 op 95-jarige
leeftijd, wordt hij geprezen om zijn trouw aan de christelijke beginselen als
militair en politicus. Na zijn opleiding aan de HBS kiest hij voor een
militaire loopbaan. Lodewijk gaat studeren in Kampen en verlaat de academie als
officier. Door de jaren heen klimt hij op tot generaal-majoor. Deze titel
krijgt hij in september 1926. In 1901 is hij vanwege zijn Tweede Kamerlidmaatschap
voor de A.R. op non-actief gesteld. In 1935 is er de benoeming tot commandeur
in de Orde van Oranje-Nassau. Wat volgt is Ridder in de Orde van de Nederlandsche
Leeuw. Bovendien is hij drager van een onderscheidingsteken voor langdurige
dienst als officier.
Duymaer van Twist heeft tot op zeer hoge leeftijd een actief leven. Zo neemt de
politicus plaats in tal van commissies. Naast het lidmaatschap van de Haagse
gemeenteraad en de Tweede Kamer is er de Zuiderzeeraad en de Legercommissie. Lodewijk
is de oprichter en tevens de voorzitter van de Nationale Landstorm Commissie en
in 1900 oprichter van de Nationaal Christelijke Officierenvereeniging. Hij
blijft 30 jaar voorzitter. Duymaer van Twist is penningmeester van de Centrale
Commissie van de A.R.-kiesvereeniging, president van het bestuur van de
stichting Bloemendaal en hij heeft zitting in de Bond tegen het Vloeken. Duympie
huist in de commissie voor het Gemeentelijk Gasbedrijf en het Gemeentelijk
Electrisch Bedrijf van Den Haag en hij neemt plaats in de Commissie voor de Brandweer.
Ook is Lodewijk tweede voorzitter van de Gereformeerde Bond in de hervormde
kerk. Duymaer van Twist woont tot zijn overlijden op de Raamweg 7, een huis dat
hij in oktober 1926 koopt voor 31.000 gulden (€ 14.067). Opmerkelijk genoeg is
er tevens een schip met de naam Duymaer van Twist. Het strandt in 1922 in
Oost-Indië.
Arbeider
Lodewijk benadrukt tijdens de vergadering van 30 mei 1927 dat er drie redenen zijn
om het dansen op zondag te verbieden. In zijn visie is de zondag door God ingesteld
om te heiligen. In de tweede plaats omdat ook hij voor de arbeider op die dag
rust verlangt en omdat, volgens hem, op de zondag het danskwaad erger tiert dan
op enige andere dag in de week. Michel Joëls (geboren op 24 november 1881), lid
van de Vrijheidsbond en in het dagelijks leven koopman, waarschuwt voor de
beperkingen
![]() |
"Dansen zoals de Charlston zijn in de grond perverse bewegingen". Tekening: Hans Piët |
Elias Viskoper (geboren op 12 oktober 1884), lid van de Amusementspartij en in het dagelijks leven eerst boek- en steendrukker, zoals zijn vader Simon, en later eigenaar van bioscooptheater Apollo, haakt daarop in. “Dat niet het dansen als zodanig ter discussie staat, doch alleen het dansen op zondag, geeft feitelijk aan dat dansen onder het gepaste amusement valt. En terecht. Het behoort tot de alleroudste vermaken. Dat de geest des tijds een verandering heeft gebracht in de wijze van dansen is een historisch verschijnsel. Over honderd jaar is dat niet anders. Dat iemand niet wil dansen op zondag is zijn goed recht. Daar kan niemand iets op tegen hebben. Dat er nu gestreden wordt het op die dag te verbieden, is een groot onrecht. Zelfs nog meer. Het is aanmatigend en ongepast. Denken de aanhangers van het plan het Haagse publiek religieuzer te maken door ze die gelegenheid te ontnemen? Moet ook dat weer clandestien en zonder toezicht van de overheid geschieden! Begrijpen ze niet, dat het gedeelte van de burgerij dat slechts de zondag voor ontspanning beschikbaar heeft, verlangt om op die dag net zo goed verstrooiing in het openbaar te vinden als degenen die deze op alle andere dagen van de week steeds en overal kunnen vinden. Ik wil graag de woorden van staatsman De Savornin Lohman citeren: ‘nooit kan men door wet of verordening ook maar één zedelijk mens maken’. Mag de meerderheid der burgerij een andere levensopvatting worden opgedrongen omdat een minderheid er aanstoot aan neemt? Wij leven niet meer in de zeventiende eeuw onder dwang van een staatskerk. Geloof noch levensopvatting kunnen iemand door overheidsdwang worden opgelegd”.
Duymaer van Twist benadrukt nogmaals dat de moderne dansen in combinatie met de jazzmuziek ‘van een gruwelijke wansmaak en onnoembare gemeenheid zijn’. “Het moet maar eens ronduit worden gezegd: moderne dansen als de Foxtrot, Boston, One Step - Two Step en diverse Charlestons zijn in de grond perverse bewegingen. Al dat heen en weer schuiven, knikken, bibberen, draaien, knoeien en wringen gaat naar een verboden daad toe. Het is waanzin op te merken dat het bij deze heimelijk wellustige, geraffineerde en perverse sensuele dansbewegingen gaat om fatsoenlijk dansen. Zo kun je ze onmogelijk noemen. Verbieden ligt dus voor de hand. De gemeentelijke overheid heeft als dienaresse Gods de roeping of de taak om het kwaad tegen te gaan en te bestrijden”.
Vreemdelingenbezoek
Jan Karel Willem Frederik van Bommel (geboren op 17 december 1866), in de
gemeenteraad aanwezig voor de Vrijheidsbond en in het dagelijks leven winkelier
in herenmode-artikelen, benadrukt dat Den Haag geen provincieplaatsje van de
zoveelste rang is. “Het is een gemeente die, met de badplaats Scheveningen, het
voor een groot deel moet hebben van de trek van vreemdelingen, die in een
omgeving, die hun van alles heeft te bieden, hun geld willen verteren. Het is dan
ook verstandig dat het College van Burgemeester en Wethouders en de Commissie
voor de Strafverordeningen tegen de beperking van de burgemeester zijn bij het verlenen
van vergunningen voor het dansen in openbare gelegenheden op zondag. Het pleit
niet voor de tegenstanders dat ze, om hun gelijk te krijgen, steeds weer die
antieke Zondagswet voor de dag halen. Wordt er werkelijk gedacht zo het gelijk
te bereiken? Het zal niet lukken de zondagsheiliging dwingend voor te schrijven.
Het dansen op zondag geschiedt binnenshuis, weliswaar in openbare gelegenheden,
maar die kunnen worden gemeden. Er is hier geen sprake van verstoring van
godsdienstplechtigheden, noch van het in het openbaar aanstoot geven. Den Haag is,
met zijn badplaats Scheveningen en straks Kijkduin, een gemeente die het van
vreemdelingenbezoek op de zondagen moet hebben en dan dient er verscheidenheid
van ontspanning en vermaak te worden geboden. En vergeet niet dat voor zeer
veel Hagenaars de zondag de enige aangegeven dag voor ontspanning is. Het is
niet zo vreemd dat verenigingen als Horecaf, de Vereeniging Nederlandsche
Hotel- en Restaurant-Industrie afdeling ’s-Gravenhage en de
Exploitatiemaatschappij Scheveningen waarschuwen tegen de verbodsbepaling. Zij
die op zondag willen dansen moeten daartoe de gelegenheid kunnen vinden als
anderen daardoor niet worden gehinderd”.
Geerdina
Wilhelmina Bleumink-Louman (geboren op 1 april 1877), de S.D.A.P.
vertegenwoordigend: “De heer Duymaer van Twist is tegen het verderfelijke
dansen en dat is nu de man die onze kinderen de oorlog leert. Is het niet
ergerlijk dat een man die onze kinderen leert om anderen dood te schieten, hier
zulke woorden durft te spreken”.
Het weerhoudt Lodewijk er niet van op 6 december 1927 het over een andere boeg te gooien en te pleiten voor een algeheel
verbod op alcoholische dranken in die openbare dansgelegenheden. De motie wordt
medeondertekend door Isaac van der Loo (geboren op 25 maart 1883) timmerman en
lid van de A.R. en groothandelaar in aardappelen Machiel van Steenbergen
(geboren op 1 april 1869) tevens lid van de Anti-Revolutionairen. Een dag
later, op 7 december, legt Duymaer van Twist nog eens uit dat bij het dansen
juist door het gebruik van alcoholhoudende dranken de buitensporigheden vermeerderen
en het gevaar groter wordt. “De bedoeling van deze motie is de rijpere jeugd
voor excessen die niet oorbaar zijn, te bewaren”.
Bekering
Voor Louis Leonardus Hendrikus de Visser (geboren op 21 mei 1878),
gemeenteraadslid voor de Communistische Partij, lid van de Tweede Kamer en van
de Provinciale Staten van Zuid-Holland, is het reden een dag later te melden
dat Duymaer van Twist blijkbaar voor bekering vatbaar is. “Hij heeft jaren
gestreden voor een dansverbod in Den Haag. Nadat wij daar uitvoerig over hebben
gedebatteerd, waarbij het geachte lid zijn opvattingen niet verwezenlijkt kon
zien, heeft hij een ander standpunt ingenomen. Hij meent het dansverbod te moeten
bestendigen door het verbieden van sterke drank in de dansgelegenheden.
Hierdoor zal het dansen, naar de opvattingen van Duymaer van Twist, kuiser
worden. De laatste keer dat hij dansen op zondag wilde verbieden, heb ik de
vraag gesteld: ‘als dansen principieel onzedelijk is, is het dat dan niet op
andere dagen van de week?’ Hij vindt het dansen op zondag blijkbaar niet meer
onzedelijk als het gebeurt op limonade. Ik moet zeggen, bij al dat geschipper
en gedraai is de Charelston kinderspel. Dit politieke dansspel kan mij
allerminst bekoren. Het is heel verstandig als dit voorstel van Duymaer van Twist
in de papiermand verdwijnt”.
Voorzitter Patijn neemt het woord: “Degenen die menen, zoals de heer Duymaer
van Twist beweert, dat drank meestal aanleiding geeft tot uitspattingen, wil ik
de geruststelling meegeven, dat er tegenwoordig vanwege de politie een vrij
scherp toezicht is op de dansgelegenheden. Wanneer uitspattingen voorkomen kan
daartegen reeds worden opgetreden. Daarvoor is geen drankverbod nodig”.
De motie wordt in stemming gebracht en met 20 tegen 11 stemmen verworpen. Met ook
deze laatste afwijzing komt er definitief een einde aan de discussies in de
gemeenteraad rond het dansen op zondag.
© Haags Nieuwsbureau 2025