donderdag 20 maart 2025

Dansen

 

Dansen op zondag

 door Hans Piët

 Den Haag – Hoezeer normen en waarden in de loop der jaren aan veranderingen onderhevig zijn, wordt duidelijk uit de felle discussies die aan het begin van de vorige eeuw in de raadzaal plaatsvinden over dansen op zondag. Niet alleen een deel van de Haagse volksvertegenwoordigers ziet een totaal verbod als beste oplossing voor deze zedeloze vorm van vermaak. Eenzelfde soort gedachtewisselingen tussen raadsleden vindt in veel steden en dorpen in Nederland plaats. Amsterdam, maar bijvoorbeeld ook Amersfoort en Alphen aan de Rijn besluiten in de jaren twintig – uiteindelijk voor korte tijd - tot een dansverbod op zondag door simpelweg geen vergunningen te verstrekken en oude in te nemen. Het gevolg is, dat inwoners hun dansvertier, soms met bussen tegelijk, in omringende steden en dorpen gaan zoeken waardoor de middenstand uit de plaatsen van die dansliefhebbers vele guldens misloopt.
In 1924 is Lodewijk Franciscus Duymaer Van Twist (geboren op 9 november 1865) een vurige voorstander van een soortgelijke Haagse actie. De luitenant-generaal buiten dienst, die tussen 1915 en 1935 zitting heeft in de Haagse gemeenteraad en 45 jaar de Anti-Revolutionaire Partij in de Tweede Kamer vertegenwoordigt waarbij hij, met zijn zware stem, jaren achtereen op Prinsjesdag belast is met de protocollaire taak, om na de troonrede, het ‘Leven de koningin’ uit de roepen, zou het liefst het dansen op alle dagen van de week verbieden. “Maar daarvoor zal, naar ik meen, geen meerderheid in de raad te vinden zijn”, laat hij op 30 mei 1927, tijdens de behandeling van een voorgedragen wijziging van artikel 271 der Algemene Politieverordening (dansvergunning op zondag), weten. Die beschikking luidt: ‘met uitzondering van de vergunning, getekend door de burgemeester, is het verboden muziek, vertoningen, feesten of andere vermakelijkheden te geven of toe te laten, waartoe het publiek met of zonder betaling, de toegang wordt verleend’.
Hieraan zou expliciet het dansen op zondag en soortgelijke dagen moeten worden toegevoegd. Het voorstel wordt, na een discussie in de gemeenteraad, die geruime tijd in beslag neemt, voorgelegd aan de Raadscommissie voor de Strafverordeningen. Dit orgaan is in 1851 opgericht en heeft tot doel het ontwerpen van verordeningen ter handhaving van de openbare orde. In 1978 is die taak overgenomen door de Raadscommissie voor Politie- en Brandweeraangelegenheden. In 1927 besluit de meerderheid van deze commissie dat een dansverbod op zondag niet behoort te worden ingevoerd. ‘Klachten die zijn geuit ten aanzien van het dansen op zondag in bepaalde inrichtingen, zijn zeer overdreven en stroken niet met de werkelijkheid’, aldus het adviesorgaan in een schrijven. ‘Behalve dat tal van bedrijven schade zullen ondervinden, zal tevens de aantrekkelijkheid van ’s-Gravenhage verminderen wat zeker in de zomer, samen met badplaats Scheveningen, ernstige financiële gevolgen kan hebben’. Ook in de gemeenteraad haalt de motie het niet. Het wordt met 22 tegen 20 stemmen verworpen.

Lodewijk Franciscus Duymaer van Twist: "Deze dansmanie
haalt het morele en zedelijke peil van ons volksleven naar
beneden".                                Tekening: Hein Auke Kray.
Dat het dansen de gemoederen van de raadsleden blijft bezighouden, blijkt tijdens de begrotingsdebatten van zowel 1924 als 1925, 1926 en 1927. Zo wil Duymaer van Twist, in de volksmond Duympie genoemd, op 2 december 1924 weten welke regels gelden bij het al dan niet verlenen van een dansvergunning. De voorzitter van de gemeenteraad, burgemeester mr. Jacob Adriaan Nicolaas Patijn (geboren op 9 februari 1873), meldt dat die niet zijn te noemen. “Er wordt op verschillende omstandigheden gelet. Zo wordt bekeken of de adressant gunstig bekend staat, of de aard van de inrichting zich ertoe leent, of het gehalte van de bezoekers geen beletsel is, of de buren en eventueel een naburige kerk geen last zullen ondervinden en of de buurt waarin de inrichting is gelegen daartoe geschikt is. Een scherp toezicht op die dansgelegenheden gebeurt door de politie. Ik wil niet ontkennen dat er zich soms verkeerde dingen afspelen, maar door onderdrukking van de danshuizen worden die misstanden niet opgeheven”.

Jazz

In hetzelfde jaar houdt Lodewijk een warm pleidooi jazzbands niet tot ’s-Gravenhage toe te laten. De voorzitter van de gemeenteraad moet toegeven zelf ook een grote hekel aan jazz te hebben, “maar dat rechtvaardigt mij niet tot een verbod. Het is een vermaak
waaraan de Nederlandse jongeren buitengewoon veel waarde hechten en op zichzelf is een jazzgroep niet een zaak die onzedelijk is. Ook hier moet de heer Duymaer van Twist onderscheid maken tussen zijn persoonlijke sympathieën en de plicht van de overheid”.

Wat steeds weer speelt, is de interpretatie van de verschillende wetten. Lodewijk Duymaer van Twist, op 24 juli 1903 in Gouda getrouwd met Neeltje Dortland, meent dat de gemeenteraad en niet burgemeester en wethouders beslist over het al dan niet uitdelen van dansvergunningen. “Zo is het in de Zondagswet van 1 maart 1815 (Staatsblad nr. 21) terug te lezen”.
De voorzitter corrigeert het gemeenteraadslid. “In de Gemeentewet staat in artikel 126 dat, wanneer ter uitvoering van wetten door het gemeentebestuur moet worden meegewerkt, dit geschiedt door burgemeester en wethouders. Wanneer de Zondagswet zegt dat de uitzonderingsbevoegdheid aan de plaatselijke besturen wordt gegeven, dan is dat aan burgemeester en wethouders. Zo staat het in artikel 4 van die wet uit 1815”.
Dit artikel uit de Zondagswet, een wet waarin de zondagsrust wordt geregeld, is in de loop der jaren diverse keren aangepast. Zo staat in de eerste versie dat de dansvergunning wordt verleend onder voorwaarde ‘dat op zondag en algemeen erkende christelijke feestdagen niet wordt aangevangen dan telkens na het volkomen eindigen van alle voormiddag godsdienstoefeningen’. In 1907 wordt dit veranderd in: ‘na het volkomen eindigen van alle godsdienstoefeningen’. Een gevolg is dat het dansen pas na half negen ’s avonds kan aanvangen aangezien de Nederlandse Hervormde Kerk ’s avonds nog drie diensten heeft die rond die tijd sluiten. Het betekent dat de liefhebber op zondag net tweeëneenhalf uur de tijd krijgt. Openbare dansgelegenheden maar bijvoorbeeld ook de horeca mogen – anders dan gesloten clubs - namelijk maar tot 11 uur openblijven. In 1924 wordt dit aangepast. In de overeenkomst met de vergunninghouder staat dat het aanvangsuur voor het maken van muziek en het dansen in het openbaar op zondagen en de christelijke feestdagen is bepaald tot na het eindigen van alle voormiddag godsdienstoefeningen. Als regel wordt 3 uur ’s middags aangehouden. De controle op de naleving van de vergunningsvoorwaarden wordt volgens hoofdcommissaris Theodorus Hendricus Johannes Besseling verricht door personeel van de afdeling zedenpolitie en uniform dragend personeel van het politiebureau waaronder de betrokken inrichting ressorteert. Het aantal uitgeschreven vergunningen bedraagt op dat moment vijftig. De lijst met dansovereenkomsten geeft aan dat het vooral om hotels gaat als De Witte Brug, Des Indes, het Badhotel, Hotel Central, Hotel De Twee Steden, Hotel De Oude Doelen, Huize Hooigracht, het Victoria Hotel en in Scheveningen het Grand Hotel, Savoy Hotel, Rauch Hotel, Oranje Hotel en Palace Hotel.
Aan artikel 4 van de Zondagswet wordt in 1939 toegevoegd dat het College van Burgemeester en Wethouders zonder opgaaf van reden kan weigeren toestemming te verlenen tot publieke danspartijen. Beroep is niet mogelijk. In oktober 1953 wordt het vierde lid van artikel 4 der Zondagswet opnieuw aangepast en luidt nu: bij algemene maatregel van bestuur moet ten aanzien van openbare vermakelijkheden waarvan redelijkerwijze geen beletsel voor de viering van de zondag en geen verstoring van de openbare rust op zondag zijn te duchten, worden bepaald dat zij niet als openbare vermakelijkheden in de zin van genoemde wet zullen worden beschouwd. Het gaat om toneelvoorstellingen, filmvertoningen, concerten en andere openbare bijeenkomsten welke in besloten ruimte worden gehouden en die de geestelijke, zedelijke of culturele ontwikkeling ten doel hebben. Vanaf 1990 ziet de Zondagswet het dansen in horeca-inrichtingen als een vorm van ontspanning. Om die reden valt het niet meer onder artikel 4, tweede lid van de Zondagswet.

Dansmanie

Voor het zover is, gooit Duymaer van Twist, omschreven als een oprechte calvinist, alles in de strijd om het dansen te verbieden. Hoezeer hij tegenstander is van deze, in zijn ogen, onzedelijke bewegingen wordt al duidelijk in 1923 bij de subsidieaanvraag van het balletgezelschap van Lili Green en Margaret Walker. Hij en dertien medestanders stemmen tegen. Het voorstel telt echter 27 voorstanders en wordt aangenomen. Op 4 december 1925, tijdens de begrotingsbesprekingen, oppert hij het zedelijk peil aan te pakken. “Het wil mij voorkomen dat de gelegenheden tot dansen in onze gemeente reeds legio zijn. Je kunt nergens komen of je ziet dansen. Gevraagd zou mogen worden of aan deze dansmanie, welke het morele en zedelijke peil van ons volksleven naar beneden haalt, geen einde moet komen. Het zou mij aangenaam zijn te vernemen of de raad competent is daaromtrent een beslissing te nemen. Als vernomen wordt hoe in tal van gezinnen de ouders indirect gedwongen worden hun kinderen naar die gelegenheden te laten gaan, dan moet wel tot een verbod worden besloten”.
Burgemeester en wethouders gaan niet over tot actie. Voor Lodewijk reden om de ‘danswoede’ op 16 december 1926, wanneer de begroting van Openbare Veiligheid wordt behandeld, opnieuw ter sprake te brengen. Tijdens die discussie meent een deel van de raad dat indien burgemeester en wethouders hun roeping goed begrijpen, zij hieraan paal en perk zullen stellen. Burgemeester Patijn meent echter dat het geen aanbeveling verdient te trachten om deze dansmanie te beperken door het intrekken van vergunningen. “Zo’n maatregel bevordert de oprichting van particuliere clubs, waarop geen toezicht kan worden gehouden. Hierdoor zal het clandestien dansen sterk toenemen”.
Hij vindt artikel 50 van de Gemeentewet aan zijn kant. Daarin staat dat een vergunning alleen kan worden geweigerd als er gevaar bestaat voor wanordelijkheden, aantasting van de openbare zedelijkheid, belemmering van het verkeer, of de aantasting van de rechten en vrijheden van anderen. Dat is hier niet het geval.

Voorschriften

Dat die openbare dansgelegenheden gebonden zijn aan allerlei voorschriften, blijkt uit de eisen die aan de ruimtes worden gesteld. Zo is het, na een eerste aanvraag, de politie die in het vertrek de plaats aanwijst waar mag worden gedanst. Daarbij kan worden geëist dat deze lokaliteit moet zijn belegd met een verhoogde plankier. Is er sprake van een parket- of stenenvloer dan dient het dansgedeelte te zijn afgebakend door een balustrade, een koord of een touw. Deze afzetting mag slechts aan één zijde toegang bieden tot het voor dansen bestemde deel. Bovendien moet dit gedeelte zodanig in de lokaliteit zijn gekozen dat aan alle zijden toezicht op de dansenden kan worden gehouden. Het plaatsen van tafeltjes en stoeltjes geschiedt volgens de door de hoofdcommissaris van politie te geven aanwijzingen. Wanneer in de inrichting op enigerlei wijze in strijd met de orde of zedelijkheid wordt gehandeld of wanneer ten gevolge van het dansen minder gewenste feiten zich voordoen, wordt de dansvergunning geschorst of ingetrokken. Daarnaast is er nog een serie van bepalingen die samenhangen met artikel 4 van de Zondagswet en artikel 271 van de Algemene Politieverordening. Zo wordt er bijvoorbeeld geen muziek in de danszaal toegelaten tenzij de daarvoor verschuldigde belasting is betaald. De kwitantie van die betaling moet bij elke aanvraag van de politie onmiddellijk worden getoond. Op de donderdag, vrijdag en zaterdag voor 1e Paasdag wordt geen muziek toegelaten. Op de zondagen en algemeen erkende Christelijke feestdagen wordt niet aangevangen dan na het eindigen van de godsdienstoefeningen. Muziek mag niet te veel geraas maken en hij moet steeds te middernacht zijn geëindigd. Op zaterdag is het sluitingsuur van de inrichting half twee. Op doordeweekse dagen half een. De hoofdcommissaris kan verbieden bepaalde instrumenten te bespelen. Kelnerinnen worden niet toegestaan. De buitendeur moet gedurende de muziekuitvoeringen in geopende toestand zijn vastgezet. Bij die deur moet vanaf een uur voor zonsondergang tot het einde van de vermakelijkheden een elektrisch noodlicht branden. Aan te brengen feestversieringen dienen steeds brandvrij te zijn. De bevelen van de politie, te geven in het belang van orde, veiligheid en zedelijkheid, moeten direct worden opgevolgd.

Zondagsheiliging

Dat Lodewijk Duymaer van Twist niet alleen staat in een verbod op het dansen op zondag, wordt duidelijk uit de woorden van prof. dr. Josef Theodorus Beysens, hoogleraar aan de Rijksuniversiteit van Utrecht. Hij laat in 1927 weten: “De katholieke opvatting der zondagsviering is boven alles zondagsheiliging. Hiermee is een continue danswoede onverenigbaar. In de bestaande omstandigheden schijnt mij dat verbod geheel in lijn te liggen met de katholieke opvattingen. De excessen kunnen onvoldoende worden tegengegaan en de daaraan verbonden gevaren evenmin. Het gaat juist om die excessen en gevaren. De dans zelf is een geoorloofde ontspanning”.
Felix Aegidius Hubertus van de Loo, professor in de moraaltheologie aan het grootseminarie Rijsenburg in Driebergen, waarschuwt voor wat er na het dansen gebeurt. “Dansen verleidt tot allesbehalve onschuldige napret. Door de verrichtingen op de dansvloer wordt het gemoed verhit, waardoor de prikkel tot het verbodene wordt gewekt. Veel kwaad wat niet in, maar buiten de danszaal wordt gepleegd, gebeurt niettemin als gevolg van de danszaal”.
In 1926 wijst een stevig rapport uit dat de zedenloosheid die bij het dansen voorkomt, niet moet worden overdreven. Burgemeester Patijn laat weten dat het schrijven, dat steunt op de ervaringen van een groot aantal rechercheurs en personen die met het toezicht zijn belast, hem gerust heeft gesteld. Het is reden om op 10 december 1926, tijdens de algemene beschouwingen van de begroting, te verklaren: “Ik geloof, dat ik niet zou handelen in de geest van onze wetgeving, wanneer ik als burgemeester van Den Haag, het dansen geheel zou verbieden. Dat doe ik niet”.

Opvoeding

Dat Lodewijk Duymaer van Twist tijdens zijn leven een conservatief beeld aanhangt, ligt omsloten in zijn opvoeding. Zo is zijn vader, Willem Lodewijk Franciscus, een bekende apotheker die aan het Spui 237 in Den Haag woonde, jarenlang diaken in de Nederlandse Hervormde Gemeente en vervolgens regent van de diaconiegestichten in ’s-Gravenhage. Hij overlijdt op 25 mei 1911 op 74-jarige leeftijd, terwijl hij op bezoek is bij zijn jongste zoon Alexander Johannes, arts in Leiden. Zijn drie kinderen hebben dan al afscheid moeten nemen van hun moeder, Maria Hendrika Hermanie. Zij overlijdt op 10 juli 1899 op 62-jarige leeftijd. Tijdens de begrafenis van Lodewijk, op 7 augustus 1961 op 95-jarige leeftijd, wordt hij geprezen om zijn trouw aan de christelijke beginselen als militair en politicus. Na zijn opleiding aan de HBS kiest hij voor een militaire loopbaan. Lodewijk gaat studeren in Kampen en verlaat de academie als officier. Door de jaren heen klimt hij op tot generaal-majoor. Deze titel krijgt hij in september 1926. In 1901 is hij vanwege zijn Tweede Kamerlidmaatschap voor de A.R. op non-actief gesteld. In 1935 is er de benoeming tot commandeur in de Orde van Oranje-Nassau. Wat volgt is Ridder in de Orde van de Nederlandsche Leeuw. Bovendien is hij drager van een onderscheidingsteken voor langdurige dienst als officier.
Duymaer van Twist heeft tot op zeer hoge leeftijd een actief leven. Zo neemt de politicus plaats in tal van commissies. Naast het lidmaatschap van de Haagse gemeenteraad en de Tweede Kamer is er de Zuiderzeeraad en de Legercommissie. Lodewijk is de oprichter en tevens de voorzitter van de Nationale Landstorm Commissie en in 1900 oprichter van de Nationaal Christelijke Officierenvereeniging. Hij blijft 30 jaar voorzitter. Duymaer van Twist is penningmeester van de Centrale Commissie van de A.R.-kiesvereeniging, president van het bestuur van de stichting Bloemendaal en hij heeft zitting in de Bond tegen het Vloeken. Duympie huist in de commissie voor het Gemeentelijk Gasbedrijf en het Gemeentelijk Electrisch Bedrijf van Den Haag en hij neemt plaats in de Commissie voor de Brandweer. Ook is Lodewijk tweede voorzitter van de Gereformeerde Bond in de hervormde kerk. Duymaer van Twist woont tot zijn overlijden op de Raamweg 7, een huis dat hij in oktober 1926 koopt voor 31.000 gulden (€ 14.067). Opmerkelijk genoeg is er tevens een schip met de naam Duymaer van Twist. Het strandt in 1922 in Oost-Indië.

Arbeider

Lodewijk benadrukt tijdens de vergadering van 30 mei 1927 dat er drie redenen zijn om het dansen op zondag te verbieden. In zijn visie is de zondag door God ingesteld om te heiligen. In de tweede plaats omdat ook hij voor de arbeider op die dag rust verlangt en omdat, volgens hem, op de zondag het danskwaad erger tiert dan op enige andere dag in de week. Michel Joëls (geboren op 24 november 1881), lid van de Vrijheidsbond en in het dagelijks leven koopman, waarschuwt voor de beperkingen

"Dansen zoals de Charlston zijn in de grond
perverse bewegingen". Tekening: Hans Piët
die Duymaer van Twist wil invoeren. “Met het stopzetten van dansen op zondag wordt het nu goede politionele toezicht tegengewerkt en wordt de oprichting van clandestiene gelegenheden, waar de mogelijkheid van excessen groter is, in de hand gewerkt. Een andere schadelijke factor is, dat de ontwikkeling van Den Haag als internationaal centrum in gevaar wordt gebracht. Belangrijk is vertrouwen te hebben in de natuurlijke, gezonde krachten die in onze burgerij werken”.
Elias Viskoper (geboren op 12 oktober 1884), lid van de Amusementspartij en in het dagelijks leven eerst boek- en steendrukker, zoals zijn vader Simon, en later eigenaar van bioscooptheater Apollo, haakt daarop in. “Dat niet het dansen als zodanig ter discussie staat, doch alleen het dansen op zondag, geeft feitelijk aan dat dansen onder het gepaste amusement valt. En terecht. Het behoort tot de alleroudste vermaken. Dat de geest des tijds een verandering heeft gebracht in de wijze van dansen is een historisch verschijnsel. Over honderd jaar is dat niet anders. Dat iemand niet wil dansen op zondag is zijn goed recht. Daar kan niemand iets op tegen hebben. Dat er nu gestreden wordt het op die dag te verbieden, is een groot onrecht. Zelfs nog meer. Het is aanmatigend en ongepast. Denken de aanhangers van het plan het Haagse publiek religieuzer te maken door ze die gelegenheid te ontnemen? Moet ook dat weer clandestien en zonder toezicht van de overheid geschieden! Begrijpen ze niet, dat het gedeelte van de burgerij dat slechts de zondag voor ontspanning beschikbaar heeft, verlangt om op die dag net zo goed verstrooiing in het openbaar te vinden als degenen die deze op alle andere dagen van de week steeds en overal kunnen vinden. Ik wil graag de woorden van staatsman De Savornin Lohman citeren: ‘nooit kan men door wet of verordening ook maar één zedelijk mens maken’. Mag de meerderheid der burgerij een andere levensopvatting worden opgedrongen omdat een minderheid er aanstoot aan neemt? Wij leven niet meer in de zeventiende eeuw onder dwang van een staatskerk. Geloof noch levensopvatting kunnen iemand door overheidsdwang worden opgelegd”.
Duymaer van Twist benadrukt nogmaals dat de moderne dansen in combinatie met de jazzmuziek ‘van een gruwelijke wansmaak en onnoembare gemeenheid zijn’. “Het moet maar eens ronduit worden gezegd: moderne dansen als de Foxtrot, Boston, One Step - Two Step en diverse Charlestons zijn in de grond perverse bewegingen. Al dat heen en weer schuiven, knikken, bibberen, draaien, knoeien en wringen gaat naar een verboden daad toe. Het is waanzin op te merken dat het bij deze heimelijk wellustige, geraffineerde en perverse sensuele dansbewegingen gaat om fatsoenlijk dansen. Zo kun je ze onmogelijk noemen. Verbieden ligt dus voor de hand. De gemeentelijke overheid heeft als dienaresse Gods de roeping of de taak om het kwaad tegen te gaan en te bestrijden”.

Vreemdelingenbezoek

Jan Karel Willem Frederik van Bommel (geboren op 17 december 1866), in de gemeenteraad aanwezig voor de Vrijheidsbond en in het dagelijks leven winkelier in herenmode-artikelen, benadrukt dat Den Haag geen provincieplaatsje van de zoveelste rang is. “Het is een gemeente die, met de badplaats Scheveningen, het voor een groot deel moet hebben van de trek van vreemdelingen, die in een omgeving, die hun van alles heeft te bieden, hun geld willen verteren. Het is dan ook verstandig dat het College van Burgemeester en Wethouders en de Commissie voor de Strafverordeningen tegen de beperking van de burgemeester zijn bij het verlenen van vergunningen voor het dansen in openbare gelegenheden op zondag. Het pleit niet voor de tegenstanders dat ze, om hun gelijk te krijgen, steeds weer die antieke Zondagswet voor de dag halen. Wordt er werkelijk gedacht zo het gelijk te bereiken? Het zal niet lukken de zondagsheiliging dwingend voor te schrijven. Het dansen op zondag geschiedt binnenshuis, weliswaar in openbare gelegenheden, maar die kunnen worden gemeden. Er is hier geen sprake van verstoring van godsdienstplechtigheden, noch van het in het openbaar aanstoot geven. Den Haag is, met zijn badplaats Scheveningen en straks Kijkduin, een gemeente die het van vreemdelingenbezoek op de zondagen moet hebben en dan dient er verscheidenheid van ontspanning en vermaak te worden geboden. En vergeet niet dat voor zeer veel Hagenaars de zondag de enige aangegeven dag voor ontspanning is. Het is niet zo vreemd dat verenigingen als Horecaf, de Vereeniging Nederlandsche Hotel- en Restaurant-Industrie afdeling ’s-Gravenhage en de Exploitatiemaatschappij Scheveningen waarschuwen tegen de verbodsbepaling. Zij die op zondag willen dansen moeten daartoe de gelegenheid kunnen vinden als anderen daardoor niet worden gehinderd”.
Geerdina Wilhelmina Bleumink-Louman (geboren op 1 april 1877), de S.D.A.P. vertegenwoordigend: “De heer Duymaer van Twist is tegen het verderfelijke dansen en dat is nu de man die onze kinderen de oorlog leert. Is het niet ergerlijk dat een man die onze kinderen leert om anderen dood te schieten, hier zulke woorden durft te spreken”.
Het weerhoudt Lodewijk er niet van op 6 december 1927 het over een andere boeg te gooien en te pleiten voor een algeheel verbod op alcoholische dranken in die openbare dansgelegenheden. De motie wordt medeondertekend door Isaac van der Loo (geboren op 25 maart 1883) timmerman en lid van de A.R. en groothandelaar in aardappelen Machiel van Steenbergen (geboren op 1 april 1869) tevens lid van de Anti-Revolutionairen. Een dag later, op 7 december, legt Duymaer van Twist nog eens uit dat bij het dansen juist door het gebruik van alcoholhoudende dranken de buitensporigheden vermeerderen en het gevaar groter wordt. “De bedoeling van deze motie is de rijpere jeugd voor excessen die niet oorbaar zijn, te bewaren”.

Bekering

Voor Louis Leonardus Hendrikus de Visser (geboren op 21 mei 1878), gemeenteraadslid voor de Communistische Partij, lid van de Tweede Kamer en van de Provinciale Staten van Zuid-Holland, is het reden een dag later te melden dat Duymaer van Twist blijkbaar voor bekering vatbaar is. “Hij heeft jaren gestreden voor een dansverbod in Den Haag. Nadat wij daar uitvoerig over hebben gedebatteerd, waarbij het geachte lid zijn opvattingen niet verwezenlijkt kon zien, heeft hij een ander standpunt ingenomen. Hij meent het dansverbod te moeten bestendigen door het verbieden van sterke drank in de dansgelegenheden. Hierdoor zal het dansen, naar de opvattingen van Duymaer van Twist, kuiser worden. De laatste keer dat hij dansen op zondag wilde verbieden, heb ik de vraag gesteld: ‘als dansen principieel onzedelijk is, is het dat dan niet op andere dagen van de week?’ Hij vindt het dansen op zondag blijkbaar niet meer onzedelijk als het gebeurt op limonade. Ik moet zeggen, bij al dat geschipper en gedraai is de Charelston kinderspel. Dit politieke dansspel kan mij allerminst bekoren. Het is heel verstandig als dit voorstel van Duymaer van Twist in de papiermand verdwijnt”.
Voorzitter Patijn neemt het woord: “Degenen die menen, zoals de heer Duymaer van Twist beweert, dat drank meestal aanleiding geeft tot uitspattingen, wil ik de geruststelling meegeven, dat er tegenwoordig vanwege de politie een vrij scherp toezicht is op de dansgelegenheden. Wanneer uitspattingen voorkomen kan daartegen reeds worden opgetreden. Daarvoor is geen drankverbod nodig”.
De motie wordt in stemming gebracht en met 20 tegen 11 stemmen verworpen. Met ook deze laatste afwijzing komt er definitief een einde aan de discussies in de gemeenteraad rond het dansen op zondag.

© Haags Nieuwsbureau 2025